ECLI:NL:TNORDHA:2026:14 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-67
| ECLI: | ECLI:NL:TNORDHA:2026:14 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-06-2026 |
| Datum publicatie: | 21-07-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-67 |
| Onderwerp: | Ondernemingsrecht, subonderwerp: BV/NV |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Uit het feitencomplex blijkt het belang van een zorgvuldige belehrung en een controle door de notaris van de wil van de bij de rechtshandeling betrokken partijen. Het had de notaris duidelijk moeten zijn dat een strikt onpartijdige en terughoudende opstelling was vereist. De kamer rekent het de notaris aan dat hij die norm niet voldoende in acht heeft genomen. Door de situatie te laten ontstaan dat aan zijn neutraliteit als notaris kon worden getwijfeld en door actief toe te staan dat ook de kandidaat-notaris zich begaf in een situatie waarin de schijn van partijdigheid ontstond heeft hij een van de kernwaarden van het notariaat geschaad. Naast het schaden van die kernwaarde weegt ook het onvoldoende in bescherming nemen van de kandidaat-notaris in zijn nadeel mee. De klacht is deels niet-ontvankelijk, deels ongegrond en voor het overige gegrond met de oplegging van de maatregel van berisping. |
Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag
Beslissing d.d. 17 juni 2026 inzake de klacht onder nummer 25-67 van:
[klager],
hierna: klager,
tegen:
[notaris],
notaris, gevestigd te [vestigingsplaats],
gemachtigde: mr. M.C.J. Höfelt, advocaat te Amsterdam,
hierna: de notaris.
1. Het procesverloop
1.1 De kamer heeft kennisgenomen van de klacht, met bijlagen, ingekomen op 30 september 2025.
1.2 De notaris heeft op 5 november 2025 een brief ingediend.
1.3 De kamer heeft het antwoord van de notaris, met bijlagen, ontvangen.
1.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 mei 2026. Daarbij waren aanwezig klager en de notaris, bijgestaan door mr. Höfelt. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt. Beide partijen hebben pleitnotities overgelegd.
2. De feiten
2.1 Klager was bestuurder en aandeelhouder van [B.V. A] (hierna: B.V A), onderdeel van het [N]-concern.
2.2 In de jaren 2015-2019 heeft klager zich in samenwerking met [B] bezig gehouden met de ontwikkeling van software. Deze software werd ontwikkeld in [B.V. A].
2.3 Begin 2019 besloten [B] en klager om de samenwerking te beëindigen en alle onderlinge vorderingen en schulden te vereffenen. Klager hield op dat moment via zijn persoonlijke holding [B.V. C] (hierna: [B.V. C]) 10% van de aandelen in [B.V. A]. [B] hield via zijn vennootschap [B.V. D] (hierna:[B.V. D) 90% van de aandelen in [B.V. A]. Zelfstandig bevoegd bestuurder waren klager en [E].
2.4 Klager en [B] hebben tussen begin 2019 en begin mei 2020 onderhandeld over de voorwaarden van een Management Buy-Out (hierna: MBO). Nadat de onderhandelingen over de MBO waren vastgelopen werd [F], de broer van klager (hierna: de broer), door klager en [B] ingeschakeld om de onderhandelingen vlot te trekken.
2.5 Op 28 mei 2020 ontving de notaris van de broer de door partijen op diezelfde dag gesloten MBO-overeenkomst. In de MBO-overeenkomst waren de afspraken vastgelegd over de ontvlechting van [B.V. A] uit het [N]-concern.
2.6 Op 29 mei 2020 heeft de notaris een conceptakte van levering en een conceptvolmacht aan de broer gestuurd met klager in cc. De broer berichtte de notaris, met klager in cc, dat hij akkoord was. Daarna is door een kantoorgenoot van de notaris opnieuw een volmacht aan de broer gestuurd met klager en [E] in cc, met het verzoek aan allen om de volmacht te tekenen.
2.7 Op 2 juni 2020 is de akte van levering aandelen door de notaris gepasseerd op grond waarvan de persoonlijke holding van de broer, [B.V. G] (hierna:[B.V. G]), 900 aandelen [B.V. A] van [B.V. D] geleverd kreeg.
2.8 Enkele dagen later kreeg de notaris het verzoek om de financiële herstructurering van het [B.V. A]-concern te verzorgen. Als bijlagen waren gevoegd een geldleningsovereenkomst van 2 juli 2020 en een organogram van de beoogde structuur. De geldleningsovereenkomst was bij de naam van klager voorzien van een handtekening.
2.9 Op 14 juli 2020 is door/onder leiding van de notaris die beoogde structuur opgezet. Daarbij zijn vennootschappen en een STAK opgericht en aandelen gecertificeerd.
2.10 Daarna moesten de aandelen van klager in [B.V. A]nog worden overgedragen aan [B.V. G], een en ander op basis van de geldleningsovereenkomst van 2 juli 2020 en in overeenstemming met de opdracht aan de notaris van 3 juli 2020. Ter voorbereiding van die levering heeft een medewerker van de notaris op 21 juli 2020 per e-mail aan zowel de broer als klager een conceptleveringsakte van de aandelen van [B.V. C] in [B.V. A] aan [B.V. G], met een volmacht verzonden.
2.11 Na enkele wijzigingen is de akte van levering op 23 juli 2020 door de notaris gepasseerd. Een afschrift is per e-mail onder andere naar klager verzonden.
2.12 Na het passeren van de akte van 23 juli 2020 was [B.V. C] geen aandeelhouder meer van [B.V. A]; [B.V. G] en [B.V. H][ (een dochtervennootschap van [B.V. G] en [B.V. I], de vennootschap van [E]) waren de aandeelhouders van [B.V. A]. De enige betrokkenheid van klager bij het concern was dat hij nog bestuurder van [B.V A] was.
2.13 Begin juni 2021 heeft een bespreking tussen de broer en de notaris plaatsgevonden over een nadere herstructurering. Een statutenwijziging van [B.V. A] en een levering van aandelen [B.V. A] waren daar onderdeel van.
2.14 Op 1 oktober 2021 heeft de notaris de leveringsakte van de aandelen in [B.V. A] – 100 aandelen door [B.V. A] en 36.150 aandelen door [B.V. G], van € 0,01 per stuk – aan [B.V. I] gepasseerd. In die akte stond klager vermeld als vertegenwoordiger van de vennootschap.
2.15 Op 8 juli 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de broer en [J] (de verloofde van klager, hierna: de verloofde). Deze bespreking vond niet op het notariskantoor plaats. Mr. [K], een Italiaans sprekende kantoorgenoot van de notaris en zelf kandidaat-notaris (hierna: de kandidaat-notaris), was hierbij aanwezig en heeft als tolk opgetreden.
2.16 Op 8 augustus 2022 heeft een AVA plaatsgevonden van [B.V. A], waarbij klager als bestuurder van [B.V. A] is ontslagen.
2.17 Op 30 augustus 2022 heeft klager in een e-mail aan de notaris bericht: "De simpele conclusie is dat de overdracht die in oktober 2021 door u of uw kantoor is gedaan met een volmacht met de imitatie van mijn handtekening welke door mijn broer is gezet met medeweten van de huidige directeur [E]. U bent hiervan, of in ieder geval behoort hiervan, op de hoogte te zijn.”
2.18 Op 6 september 2022 heeft klager telefonisch contact gehad met de notaris. Klager stelde onder andere aan de orde dat de handtekening onder de volmacht bij de levering van de aandelen [B.V. A] zou zijn nagemaakt door de broer.
2.19 De volgende dag liet klager de notaris weten dat hij aangifte van valsheid in geschrifte zou doen, onder andere terzake van zijn vervalste handtekening door de broer, met medeweten van [E] en de notaris. Die aangifte van 7 september 2022 voegde hij bij.
2.20 De kandidaat-notaris heeft bij e-mail van 1 maart 2023 aan klager en de verloofde verslag uitgebracht van de inhoud van het gesprek van 8 juli 2022. In die e-mail schrijft zij onder andere:
“In de periode tussen 1 oktober 2021 en juli 2022 heb ik (via [notaris]) een of twee dossiers behandeld waarbij uw broer [F] als adviseur betrokken was. Toen is een keer ter sprake gekomen dat ik redelijk Italiaans spreek omdat mijn verre roots van vaders zijde in Italië zijn gelegen.
Uw broer [F] heeft mij (na daartoe overleg te hebben gepleegd met [notaris]) op maandag 4 juli 2022 gebeld, waarbij hij aangaf dat […] hij dringend een gesprek met uw aanstaande echtgenote wilde voeren. […]
Voorafgaand aan het gesprek heeft uw broer [F] mij enkel geïnformeerd dat het financieel heel onverstandig zou zijn als u op korte termijn in het huwelijk zou treden met [J] vanwege de aanzienlijke schulden die u volgens [F] heeft en waarvan hij [J] op de hoogte wilde stellen.[…]
Uitdrukkelijk heb ik aangegeven dat ik niet namens [notariskantoor] bij het gesprek aanwezig was maar op persoonlijke titel om […] een en ander te kunnen vertalen in het Italiaans.
Tevens heb ik uitdrukkelijk aangegeven dat er in deze geen sprake was van een dossier dat ik in opdracht van uw broer [F] bij [notariskantoor] in behandeling heb.”
2.21 De notaris heeft per e-mail op 22 juli 2024 aan mr. Vlassenroot, advocaat van klager, op diens verzoek een aantal stukken gezonden, waaronder een vervangend aandeelhoudersregister. In de e-mail wordt toegelicht dat de aandelenlevering van 1 oktober 2021 niet is verwerkt in het aandeelhoudersregister, omdat die niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden.
3. De klacht
3.1 Klager verwijt de notaris het volgende:
1. Ondeugdelijke titel bij akte van levering van 23 juli 2020
Op 23 juli 2020 passeerde de notaris een akte van levering van 10% aandelen in [B.V. A] door [B.V. C] aan [B.V. G]. De schriftelijke opdracht van 8 juli 2020 van de broer met klager in cc luidde dat dit belang uitsluitend aan CM zou worden geleverd.
Het notariskantoor stuurde klager een volmacht en een concept-leveringsakte, waarin enkel de levering van de 10% aandelen van [B.V. C] aan [B.V. G] stond vermeld. [B.V. A] was geen verkrijger. In de gepasseerde akte stond vermeld dat [B.V. A] verkrijger was, waarbij de notaris verwees naar een vermeende “mondelinge overeenkomst”. Deze afwijking werd door klager pas opgemerkt na de mail van 17 oktober 2022.
2. Leveringsakte zonder statutaire basis en met ondeugdelijke volmacht
Op 1 oktober 2021 passeerde de notaris een akte van levering van aandelen in [B.V. A] aan [B.V. I] . Deze levering vond plaats zonder geldige titel en was in strijd met de zorgplicht van de notaris.
De statutenwijziging (conversie € 1 naar € 0,01) was niet gepasseerd, waardoor een levering onmogelijk was. In een e-mail van 21 juli 2022 erkende de notaris dit en stelde een constructie voor om dit achteraf te repareren, waarbij hij klager buiten de correspondentie hield.
Op 22 juli 2024 verstrekte de notaris twee exemplaren van een besluit buiten vergadering: een met de handtekening van [E], het andere met de handtekening van de broer. In beide gevallen ontbrak de handtekening van klager. De notaris heeft niet zelfstandig getoetst of de besluiten rechtsgeldig waren.
Volgens de MBO-overeenkomst van 28 mei 2020 was [E] in privé partij, niet [B.V. I]. Bovendien diende klager, als economisch gerechtigde tot 39,25%, voorafgaand akkoord te geven voor levering aan een derde. Dat akkoord is niet gevraagd.
De notaris stelde zelf een volmacht op waarin klager bevoegdheden zou verlenen. Deze volmacht is nooit vooraf aan klager toegezonden en bevat een valse handtekening van klager. Bovendien ontbrak de door de notaris geëiste legalisatie. De volmacht werd pas op 27 oktober 2022 aan klager toegestuurd, dus ruim een jaar na de levering. Toch heeft de notaris deze zonder verificatie geaccepteerd en gebruikt als grondslag voor de akte.
3. Vervangende aandeelhoudersregisters
Op 22 juli 2024 verstrekte de notaris per e-mail aan de advocaat van klager een door hem opgesteld “vervangend aandeelhoudersregister” van [B.V. A].
Een vervangend register mag slechts worden opgesteld door uitdrukkelijke opdracht van het bestuur en met vermelding van de reden van vervanging. De notaris moet bovendien zorgdragen voor correcte bijwerking bij aandelenoverdrachten en statutenwijzigingen en dient tenminste kopieën van ondertekende pagina’s in zijn dossier te bewaren en te verstrekken. Het door de notaris op 22 juli 2024 verstrekte lege register voldeed aan geen van deze vereisten.
De notaris verstrekte daarop een vervangend, leeg register, zonder verklaring waarom de originele ondertekende pagina’s ontbraken. In zijn brief van 21 juli 2025 benadrukte mr. Vlassenroot dat dit vervangende register vermoedelijk was opgesteld om vervalsingen te verhullen. Klager, als statutair directeur en aandeelhouder, werd buitengesloten, terwijl de notaris wist dat geen geldige handtekening van klager bestond.
4. Schending van vertrouwelijkheid en partijdigheid
De notaris heeft informatie uit vertrouwelijke gesprekken met klager gedeeld met derden, waaronder de broer en [E]. Dit blijkt uit een e-mail van 20 september 2023 van [E] aan de advocaat van klager: “Omdat [klager] op 21 september 2023 in het huwelijk treedt met een kennelijk vermogende Italiaanse, gaat voor [broer] en mijzelf die dag het jachtseizoen op het vermogen van zijn kersverse echtgenote open.” Deze bedreiging vloeide rechtstreeks voort uit door de notaris gedeelde informatie.
Partijdigheid van het notariskantoor
De notaris liet in een conflictsituatie een medewerker van zijn kantoor optreden voor de broer. Zo was de kandidaat-notaris aanwezig bij een gesprek met de verloofde, op initiatief van de broer. Hoewel zij achteraf stelde dit “op persoonlijke titel” te hebben gedaan, gebruikte zij het kantoor e-mailadres en stond de notaris in cc. De verloofde ervaarde het gesprek als bedreigend en ontving nooit het toegezegde verslag.
In de bespreking van 24 januari 2023 bevestigde de notaris dat de kandidaat-notaris voor [notariskantoor] werkt en dat dit gesprek via zijn kantoor liep en verklaarde dat “ons kantoor wel vaker cliënten bijstaat die bevriend zijn met iemand van het kantoor, zoals in dit geval [F] en mij”. Dit is in strijd met de onafhankelijkheid en onpartijdigheid die van de notaris en zijn kantoor mag worden verwacht.
5. Gebruik van vervalste handtekeningen
De notaris heeft meerdere keren stukken geaccepteerd en verwerkt waarin de handtekening van klager vervalst was. Ondanks duidelijke signalen heeft hij nagelaten de echtheid te verifiëren of legalisatie te verlangen. In een volmacht van 30 september 2021 (zie ook klachtonderdeel 2) is een handtekening van klager opgenomen die niet van hem is. De volmacht werd door de notaris zelf opgesteld, nooit aan klager toegezonden en bovendien ontbrak de vereiste legalisatie.
6. VSO en AVA 8 augustus 2022
Op 29 juli 2022 circuleerde een conceptvaststellingsovereenkomst (hierna: VSO) waarin stond dat alle door de broer geplaatste handtekeningen namens klager als geldig moesten worden beschouwd. De notaris werd in deze communicatie betrokken en wist dus dat er sprake was van problematiek rond vervalste handtekeningen.
Desondanks werkte de notaris mee aan de algemene vergadering van aandeelhouders (hierna: AVA) van 8 augustus 2022, waarbij klager werd ontslagen als bestuurder van [B.V. A], [E] werd benoemd en zijn kantoor verzorgde de inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel.
Door betrokken te blijven bij deze AVA, terwijl hij wist dat er twijfel bestond over de echtheid van handtekeningen, handelde de notaris niet onafhankelijk. Door zijn kantoor actief in te zetten voor de uitvoering van besluiten gericht tegen klager, ontbrak de vereiste integriteit, aldus klager.
4. Het verweer
4.1 De notaris heeft aangevoerd dat voor zover de klacht ziet op handelen of nalaten van de notaris in de periode voor 30 september 2022 klager in dat deel niet-ontvankelijk is.
4.2 De notaris heeft ook verder gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling van de ontvankelijkheid
5.1 De kamer stelt voorop dat uit het in deze zaak naar voren gekomen feitencomplex het belang blijkt van een zorgvuldige belehrung en een controle door de notaris van de wil van de bij de rechtshandeling betrokken partijen. Het behoort tot de kerntaken van de notaris om zich ervan te vergewissen dat de betrokken partijen de inhoud en gevolgen van de rechtshandeling begrijpen en dat de rechtshandeling daadwerkelijk overeenstemt met hun wil. Dat klemt temeer in situaties waarin grote vennootschapsrechtelijke of vermogensrechtelijke gevolgen een van de partijen raken.
Dat brengt mee dat de notaris zich in beginsel rechtstreeks tot de betrokken partij dient te richten en niet zonder meer mag afgaan op informatie die via derden wordt verstrekt of die slechts in cc aan een partij wordt toegezonden. De notaris dient te controleren of de door hem gebruikte gegevens juist zijn en of de betrokken partij daadwerkelijk instemt met de voorgenomen rechtshandeling. Hetzelfde geldt ten aanzien van het gebruik van volmachten. Van de notaris mag worden verwacht dat hij zich ervan vergewist dat een volmacht daadwerkelijk door de betreffende partij is ondertekend en dat die partij instemt met het gebruik van die volmacht voor de desbetreffende rechtshandeling. Dat is temeer van belang indien er sprake is van tussenkomst van een digitaal systeem ter ondertekening van stukken.
Aan een inhoudelijke beoordeling van een deel van het verweten handelen van deze notaris komt de kamer echter niet toe. Voordat immers kan worden beoordeeld of het handelen van de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar is, dient te worden vastgesteld of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. Zoals hierna wordt overwogen, is daarvan (deels) geen sprake.
5.2 In artikel 99 lid 21 van de Wet op het notarisambt (Wna) is bepaald dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het handelen of nalaten van een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven. Indien de klacht wordt ingediend na afloop van die drie jaren, wordt de klacht door de voorzitter niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als de gevolgen van het handelen of nalaten redelijkerwijs pas na afloop van de vervaltermijn van drie jaren bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
5.3 Vaststaat dat klager op 30 augustus 2022 in een e-mail aan de notaris een bericht zond over de overdracht in oktober 2021 waarbij de handtekening van klager zou zijn nagemaakt (2.17).
Daarna heeft klager op 6 september 2022 telefonisch contact gehad met de notaris. Tijdens dit gesprek heeft klager aan de notaris meegedeeld dat volgens hem onder andere de handtekening onder de volmacht die was gebruikt bij de levering van de aandelen op 1 oktober 2021 door zijn broer was vervalst. Op 7 september 2022 heeft hij daarvan aangifte gedaan.
5.4 Vanwege de berichten en stukken, waaronder afschriften van aktes, die hem al dan niet in cc of via het Online Dossier zouden zijn toegezonden, kan afgevraagd worden of klager niet al eerder dan eind augustus/begin september 2022 bekend kan worden verondersteld met het gewraakte handelen/nalaten van de notaris. Uit hetgeen onder 5.3 is weergegeven volgt in elk geval dat klager meer dan drie jaar voor het indienen van de klacht op de hoogte was van het handelen of nalaten dat hij de notaris ten aanzien van – kort gezegd – aandelenoverdracht en herstructurering verwijt.
5.5 Voor zover klager heeft aangevoerd dat hij eerst op 17 oktober 2022, na afronding van zijn feitenonderzoek, op de hoogte is geraakt van het handelen van de notaris, zodat de klachttermijn eerst toen zou zijn gaan lopen, volgt de kamer hem daarin niet. Voor de aanvang van de klachttermijn is niet vereist dat een klager reeds beschikt over alle relevante bewijsstukken of volledige zekerheid heeft verkregen omtrent de juistheid van zijn vermoedens. Voldoende is dat hij bekend is met de feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot het indienen van een klacht.
5.6 Nu de klacht eerst op 30 september 2025 is ingediend, derhalve na het verstrijken van de in artikel 99, 21e lid Wna genoemde termijn van drie jaren, dient klager in de klachtonderdelen 1, 2, 5 en 6 niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5.7 Ten overvloede overweegt de kamer dat de termijn van artikel 99, 21e lid, laatste volzin Wna niet (alsnog) tot een ontvankelijke klacht leidt. Het door klager gestelde handelen en/of nalaten van de notaris is gedurende lange tijd boven de markt blijven hangen zonder dat een klacht tegen de notaris werd ingediend. Op 12 oktober 2022 en 10 augustus 2023 meldde klager al aan de notaris dat hij overwoog een klacht in te dienen.
5.8 Voor zover het klachtonderdelen 3 en 4 betreft komt de kamer toe aan een inhoudelijke behandeling.
6. De beoordeling van de klacht
6.1 Ter beoordeling van de kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.
6.2 Voor zover de klacht ziet op klachtonderdeel 3, over het lege aandeelhoudersregister overweegt de kamer het volgende. Ter zitting heeft klager desgevraagd verklaard dat hij met leeg bedoelt dat er geen handtekeningen staan in het vervangend aandeelhoudersregister. De kamer constateert dat het bewuste aandeelhoudersregister, dat bij de stukken is gevoegd, inderdaad niet daadwerkelijk leeg is.
6.3 Bij de beoordeling stelt de kamer voorop dat op grond van artikel 2:194 van het Burgerlijk Wetboek de verantwoordelijkheid voor het aandeelhoudersregister bij het bestuur van de vennootschap ligt. Omdat in dit geval het (oorspronkelijke) aandeelhoudersregister onvindbaar was, heeft de notaris op verzoek een vervangend aandeelhoudersregister opgemaakt. Voor de plaatsing van handtekeningen of parafen in een dergelijk vervangend register is de notaris echter niet verantwoordelijk. Evenmin is gebleken dat de notaris bij het opstellen van het vervangende aandeelhoudersregister onzorgvuldig of anderszins tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel 3 is dan ook ongegrond.
6.4 Ten aanzien van klachtonderdeel 4 overweegt de kamer als volgt.
6.5 Er is geen begin van een onderbouwing van de stelling dat de notaris vertrouwelijke informatie heeft gedeeld. Die stelling is ook door de notaris betwist. Voor het zover het klachtonderdeel daarop ziet, is het ongegrond.
6.6 Over het gesprek met de verloofde staat vast dat het gesprek tussen de broer en haar heeft plaatsgevonden in een horecagelegenheid onder het notariskantoor en dat de kandidaat-notaris als tolk heeft opgetreden.
6.7 Het staat een notaris, toegevoegd notaris en kandidaat-notaris vrij om, daargelaten de voorschriften van artikel 42 Wna, bij de notariële dienstverlening zijn of haar talenkennis en -kunde in te zetten, net zoals het hem of haar vrij staat dat in de privésfeer te doen. Op het grensvlak tussen strikt privé en de notariële dienstverlening is waakzaamheid vereist. Een notariskantoor is immers geen tolkenservice.
6.8 Hoewel een kandidaat-notaris tuchtrechtelijk verantwoordelijk is voor het eigen handelen – in dit geval handelen van (ruim) meer dan drie jaar geleden – staat dat er niet aan in de weg dat een notaris een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt van de eigen bemoeienis met dat handelen.
6.9 Bij de beoordeling van het handelen van deze notaris is het volgende van belang. Het contact tussen de kandidaat-notaris en de broer over het gesprek is tot stand gekomen na aanvankelijk contact tussen de broer en de notaris daarover. De notaris kende de bedoeling en heeft aan de broer zijn goedkeuring gegeven. Tussenkomst is de meest passende term; hoewel het dossier een meer faciliterende rol van de notaris lijkt te suggereren, is dat onvoldoende komen vast te staan. Het gesprek vond plaats in de context van een dossier dat door de notaris werd behandeld, terwijl het voor de daadwerkelijke notariële dienstverlening niet van belang was. De herstructurering was zelfs al afgerond. Ook de door klager weergegeven opmerking van de notaris dat “kantoor wel vaker cliënten bijstaat die bevriend zijn met iemand van het kantoor, zoals in dit geval [F] en mij” weegt mee. Verder was het die [F], de broer, die in het dossier de contacten met de notaris had onderhouden. Ten slotte was het een bijzonder gesprek: de ene broer wenste de verloofde van de andere broer te waarschuwen voor de financiële positie van haar aanstaande bruidegom.
6.10 Onder die omstandigheden had de notaris de kandidaat-notaris niet in de positie moeten brengen dat deze, overduidelijk in het grensgebied tussen zakelijk en privé, ging tolken bij dit gesprek. Zelfs als het gesprek zonder zijn goedkeuring of tussenkomst tot stand zou zijn gekomen, had hij de kandidaat-notaris tegen haar welwillendheid te tolken in bescherming moeten nemen. Dat zij zei of meende op persoonlijke titel op te treden is niet met de feiten te verenigen. Ook dat ontsloeg de notaris dus niet van zijn plicht tot voorzichtigheid. De rol van de notaris in de voorgaande transacties speelt bij dat alles een rol. Hij had die begeleid, met de broer als zijn voornaamste contactpersoon, en kende bijvoorbeeld ook de geldleningsovereenkomst, op grond waarvan klager al zijn aandelen kwijtraakte; mogelijke onevenwichtigheden daarbij en zijn betrokkenheid bij het dossier hadden voor hem aanleiding moeten zijn nadrukkelijk te waken dat zijn neutrale positie en die van zijn kantoor niet in twijfel zou kunnen komen.
6.11 Door niet te voorkomen en zelfs goed te keuren dat de kandidaat-notaris een rol ging vervullen bij dit ronduit onzakelijke gesprek heeft de notaris echter objectief gerechtvaardigde twijfel laten ontstaan over zijn onpartijdigheid. Dat het gesprek plaatsvond na de aandelenoverdrachten en rest van de herstructurering en dus daar niet op van invloed kan zijn geweest, is daarvoor niet van belang. De onpartijdigheid van een notaris is immers een kernwaarde van het notariaat. Die kernwaarde moet redelijkerwijs ontwijfelbaar blijven. Dat is hier door toedoen van de notaris niet gebeurd. Daarmee heeft hij de tuchtrechtelijke grens overschreden
6.12 Het klachtonderdeel is daarom gegrond.
7. Maatregel
7.1 Het gegrond bevonden klachtonderdeel rechtvaardigt naar het oordeel van de kamer de oplegging van een maatregel.
7.2 Tegen de achtergrond van het hele dossier had het de notaris duidelijk moeten zijn dat een strikt onpartijdige en terughoudende opstelling was vereist. De kamer rekent het de notaris aan dat hij die norm niet voldoende in acht heeft genomen. Door de situatie te laten ontstaan dat aan zijn neutraliteit als notaris kon worden getwijfeld en door actief toe te staan dat ook de kandidaat-notaris zich begaf in een situatie waarin de schijn van partijdigheid ontstond heeft hij een van de kernwaarden van het notariaat geschaad. Naast het schaden van die kernwaarde weegt ook het onvoldoende in bescherming nemen van de kandidaat-notaris in zijn nadeel mee.
7.3 Bij het bepalen van de maatregel moet verder in het oog worden gehouden dat van daadwerkelijk partijdig handelen van de notaris niet is gebleken. Hoewel hij – heel kort gezegd – de indruk heeft laten ontstaan dat hij aan de kant van de broer stond, is binnen het bestek van deze klachtprocedure niet gebleken dat klager daardoor daadwerkelijke schade heeft geleden.
7.4 Bij de afweging tussen wat de notaris feitelijk (en mogelijk onnadenkend) heeft gedaan enerzijds en de ernst van handelen dat de kernwaarde van onpartijdigheid schaadt anderzijds weegt dat laatste zwaarder.
7.5 De kamer acht de maatregel van berisping dan ook passend en geboden.
8. Kostenveroordeling
8.1 Omdat de kamer de klacht gegrond verklaart, dient de notaris op grond van artikel 99, vijfde lid, Wna het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem te vergoeden.
8.2 De kamer ziet aanleiding om de notaris, gelet op artikel 103b, eerste lid, onder a, van de Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat, te veroordelen in de kosten die klager in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs heeft moeten maken voor het bijwonen van de zitting, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50,-.
8.3 De notaris dient het griffierecht en de kosten genoemd in overweging 8.2 binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klager te vergoeden. Klager dient daarvoor tijdig zijn rekeningnummer schriftelijk door te geven aan de notaris.
8.4 Verder ziet de kamer aanleiding om de notaris, gelet op artikel 103b, eerste lid, onder b, Wna en de Richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van de zaak zijn gemaakt. Deze kosten worden vastgesteld op € 2.000,-. De kamer bepaalt dat deze kosten binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing moeten worden betaald aan de kamer. De notaris ontvangt hiervoor een nota van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) te Utrecht.
BESLISSING
De kamer voor het notariaat:
- verklaart de klacht ten aanzien van de onderdelen 1, 2, 5 en 6 niet-ontvankelijk;
- verklaart de klacht ten aanzien van onderdeel 3 ongegrond;
- verklaart de klacht ten aanzien van onderdeel 4 gegrond;
- legt de notaris daarvoor de maatregel van berisping op;
- veroordeelt de notaris tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten van klager van € 50,-;
- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten in verband met de behandeling van de zaak, vastgesteld op € 2.000,-.
Deze beslissing is gegeven door mrs. G.H.M. Smelt, voorzitter, J. Snoeijer en M.R.H. Krans, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.
Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.