ECLI:NL:TNORDHA:2026:11 Kamer voor het notariaat Den Haag 25-74
| ECLI: | ECLI:NL:TNORDHA:2026:11 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 20-05-2026 |
| Datum publicatie: | 15-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-74 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Klacht over de afwikkeling van een nalatenschap. Klager verwijt de notaris onvoldoende regie en dossiervorming bij een afvullegaat, schending van de waarschuwingsplicht, onzorgvuldig handelen met betrekking tot het huwelijksvermogensregime en het koppelen van een verklaring van beneficiaire aanvaarding aan betaling van een declaratie. De kamer verklaart de klacht deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond. |
Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag
Beslissing d.d. 20 mei 2026 inzake de klacht onder nummer 25-74 van:
[klager],
hierna: klager,
tegen:
[notaris],
notaris, gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de notaris.
1. Het procesverloop
1.1 De kamer heeft kennisgenomen van de klacht, met bijlagen, ingekomen op 20 oktober 2025.
1.2 Op 25 oktober (e-mails 17.37 en 17.53 uur) en 12 november 2025 heeft klager aanvullende stukken ingediend.
1.3 De kamer heeft het antwoord van de notaris, met bijlagen, ontvangen.
1.4 Klager heeft op 30 november 2025 een reactie op het verweerschrift ingediend.
1.5 De notaris heeft op 3 december 2025 een e-mailbericht gestuurd, waaruit volgt dat zij geen reactie zal indienen naar aanleiding van de reactie op het verweerschrift van klager.
1.6 Klager heeft op 22 februari 2026 aanvullende stukken ingediend.
1.7 De notaris heeft op 5 maart 2026 een reactie gestuurd op de aanvullende stukken.
1.8 Klager heeft op 3 april 2026 aanvullende stukken ingediend.
1.9 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 april 2026. Daarbij waren aanwezig klager en de notaris. Van de mondelinge behandeling zijn schriftelijke aantekeningen gemaakt.
2. De feiten
2.1 De moeder van klager, mevrouw [A] (hierna te noemen: erflaatster), is op 13 juli 2019 overleden.
2.2 Erflaatster heeft op 16 oktober 2012, verleden voor de notaris, een testament gemaakt. Erflaatster heeft echtgenoot [B] (hierna te noemen: vader) en klager tezamen en voor gelijke delen benoemd tot enig erfgenamen. In artikel V onder C is de mogelijkheid van een afvullegaat opgenomen. Vader was benoemd tot executeur.
Artikel V onder C luidt voor zover relevant als volgt:
“Ik bevestig de wettelijke verdeling en ik bepaal:
(…) dat, voorzover met de rente, als onder V.A. bedoeld, van een (ideale) spreiding van erfbelasting (…), nog geen sprake is, ik legateer aan mijn echtgenoot een zodanig bedrag in contanten, dat deze spreiding alsnog bereikt wordt (afvullegaat).
Mijn echtgenoot is bevoegd om het legaat geheel of gedeeltelijk te aanvaarden.”
2.3 Klager en vader hebben op 30 juli 2019 op het notariskantoor een bespreking met de notaris gehad.
2.4 Op 31 juli 2019 heeft de notaris klager de volgende e-mail gestuurd:
“Bijgevoegd is een onderhandse verklaring van zuivere aanvaarding (bijlage). Door ondertekening ervan geeft u aan dat u de nalatenschap zuiver aanvaardt. Verder geeft u door ondertekening te kennen in te stemmen met de bepalingen in het testament. In het testament is een zogeheten “afvullegaat” opgenomen. Deze bepaling zorgt ervoor dat je vader nu geen erfbelasting verschuldigd is. De techniek is hierbij dat uw erfdeel (de vordering) zodanig verminderd wordt dat deze niet hoger is dan je vrijstelling voor de erfbelasting. Dit zou minder kunnen zijn dan je legitieme portie (die bedraagt grofweg de helft van het normale erfdeel). Door ondertekening van deze verklaring ga je ook met deze gang van zaken akkoord en verklaar je geen verhoging van je vordering tot de legitieme portie te wensen (zodat er geen erfbelasting verschuldigd zal zijn).
(…)
Wij bespraken dat na de afgifte van de verklaring van erfrecht mijn werkzaamheden zijn geëindigd en dat jullie zelf voor de verdere afwikkeling van de nalatenschap, zoals het verzorgen van de aangifte erfbelasting zullen zorgdragen”
2.5 Op 8 augustus 2019 heeft de notaris een verklaring van erfrecht gepasseerd. Hieruit volgt dat beide erfgenamen de nalatenschap zuiver hebben aanvaard, waarvan blijkt uit aan de akte gehechte afschriften.
2.6 Op 14 oktober 2019 heeft de notaris de aangifte erfbelasting ingediend, waarin een afvullegaat is opgenomen van € 126.980,00. Deze aangifte is getekend door vader en klager.
2.7 Vader is op 26 juli 2025 overleden. Ten tijde van zijn overlijden was vader in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met mevrouw [C]. Vader had op 24 oktober 2023 een laatste testament gemaakt.
2.8 Op 12 augustus 2025 stuurde de notaris klager de volgende e-mail:
“Zodra ik het origineel ook van je heb ontvangen en het bedrag van de declaratie, zal ik zorgdragen voor het afleggen van de verklaring van beneficiaire aanvaarding bij de Griffie van de rechtbank.
(…)
Het bedrag van je vordering kan overigens lager zijn, dan wat je hier stelt. Ook daar moet je rekening mee houden.
Het testament van [A] kende immers ook een afvullegaat dat [B] waarschijnlijk heeft benut om ervoor te zorgen dat er in het geheel geen erfbelasting was verschuldigd ter zake van het overlijden van [A]”.
2.9 Op 13 augustus 2025 heeft klager de notaris een aangetekende brief gestuurd.
2.10 Op 19 augustus 2025 stuurde de notaris de volgende e-mail aan de heer Huitema, de fiscalist van klager:
“Volgens de mij bekende gegevens zal de vordering van de zoon gelijk zijn aan het bedrag van de vrijstelling in 2019, het overlijdensjaar van zijn moeder. Dat is een bedrag van EUR 20.616. De vordering is rentedragend met een samengestelde rente van 6%.
De vrijstelling voor de langstlevende echtgenoot bedroeg in 2019 EUR 650.913
De aanslag erfbelasting ken ik overigens niet. Ook is bij mij op kantoor geen akte opgemaakt waarbij de verdeling van deze nalatenschap destijds is vastgelegd.”
2.11 De notaris heeft op 20 augustus 2025 de volgende e-mail aan klager en de heer [D] gezonden:
“De techniek van het afvullegaat is inderdaad ingewikkeld, maar het bedrag van het legaat is juist opgenomen in de aangifte.
Als het erfdeel van het kind geminimaliseerd wordt tot het bedrag van de vrijstelling (zoals dat gebeurt bij een afvullegaat en deze grootte van de nalatenschap), dan is een ½ erfdeel van zoon én van vader EUR 20.616, tezamen EUR 41.232.
Het saldo van de nalatenschap is EUR 168.211,50 (366.401:2 = 183.200,50. Daarna de uitvaartkosten 14.989 eraf).
168.211,50 (=saldo nalatenschap)-41.232 (=erfdelen vader en zoon)=126.979,50
Dat laatste is het bedrag van het afvullegaat.
Dit is normale praktijk voor estate planners.
Het bedrag dat is overgemaakt en de onderliggende transactie valt onder mijn geheimhouding, óók na overlijden van de partij. Inzage in het kadaster kan helderheid verschaffen.
Notarissen maken vaak geld over als er registergoederen verkocht worden of als er geldleningen worden aangegaan gesecureerd door een hypotheekrecht.”
3. De klacht
3.1 Klager heeft in de aanvullende stukken die op 3 april 2026 aan de kamer zijn gestuurd, zijn klacht samengevat in vier onderdelen en ter zitting bevestigd dat de kamer van deze vier onderdelen kan uitgaan voor wat betreft de te beoordelen klacht:
1. de notaris heeft de civielrechtelijke regie volledig veronachtzaamd bij de afwikkeling van het afvullegaat. Een afvullegaat is een complexe rechtshandeling die een bewuste keuze en een nauwkeurige civielrechtelijke vastlegging vereist. De notaris heeft dit legaat uitsluitend fiscaal verwerkt in een aangifte, zonder enige documentatie van de berekening of de expliciete instemming van de betrokkenen. Dat de notaris in 2025 zelf moest gissen naar de door haar toegepaste systematiek, is het ultieme bewijs van een gebrekkig dossierbeheer en een gebrek aan regie.
2. er is sprake van een ernstige schending van de waarschuwingsplicht. De notaris adviseerde zuivere aanvaarding omdat de boedel positief zou zijn, terwijl zij gelijktijdig een fiscaal legaat construeerde dat klagers erfdeel rekenkundig 'onder water' zette. Hiermee is klager willens en wetens blootgesteld aan het risico van privé-aansprakelijkheid voor een schuld die zijn verkrijging overtrof.
3. het dossier getuigt van stelselmatige onzorgvuldigheid rondom het huwelijksvermogens-regime. De notaris heeft feitelijke onjuistheden opgenomen in authentieke akten en heeft zelfs na het overlijden van vader actieve verwarring gezaaid door achterhaalde documenten uit 1959 aan de vereffenaar te verstrekken, terwijl de relevante akte van opheffing van de huwelijkse voorwaarden uit 2008 al jaren in haar bezit was.
4. het is tuchtrechtelijk zeer laakbaar dat de notaris haar publieke taak - het indienen van een verklaring van beneficiaire aanvaarding - heeft gebruikt als incassomiddel voor haar eigen declaratie. Een notaris mag haar wettelijke monopolypositie nooit aanwenden om betaling van facturen af te dwingen in een situatie waarin de rechtszekerheid van een cliënt in het geding is.
3.2 Ter zitting heeft klager aangegeven dat onderdeel 3 komt te vervallen nu naar aanleiding van nader door de notaris verstrekte informatie is gebleken dat de notaris is uitgegaan van het juiste huwelijksgoederenregime dat gold tussen de vader en moeder van klager.
4. Het verweer
4.1 De notaris heeft aangevoerd dat de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de bespreking met vader en klager meer dan drie jaar geleden (30 juli 2019) heeft plaatsgevonden.
4.2 Voor het overige heeft de notaris gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna worden ingegaan.
5. De beoordeling van de klacht
5.1 Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen,
moet eerst worden beoordeeld of de klacht ontvankelijk is. Een klacht kan slechts
worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de klager kennis heeft genomen
van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding
kan geven. Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop
de klager kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het
handelen of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klacht
niet-ontvankelijk verklaard (artikel 99 lid 21 Wet op het notarisambt; hierna: Wna).
Uit de wetgeschiedenis van deze bepaling blijkt dat deze termijn vanuit een oogpunt
van rechtszekerheid nuttig en nodig is omdat de notaris niet tot in lengte van jaren
moet kunnen worden achtervolgd met onderzoeken naar zijn handelen (Eerste Kamer, vergaderjaar
2013-2014, 33 569, C, p. 3).
5.2 Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam dat de wettelijke
driejaarstermijn begint te lopen op de dag na de dag waarop de klager daadwerkelijk
bekend is met het verweten handelen of nalaten van de notaris. Voor de aanvang van
de klachttermijn is de feitelijke (objectieve) kennis van de klager van het handelen
of nalaten van de notaris bepalend en niet de persoonlijke (subjectieve) kennis dat
dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist zou kunnen zijn (vergelijk
Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:354). De driejaarstermijn
begint dus niet pas te lopen op het moment dat de klager zich realiseert dat de notaris
mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Als de gevolgen van het handelen
of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas na het verstrijken van de driejaarstermijn
bekend zijn geworden, verloopt de termijn voor het indienen van een klacht een jaar
na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden zijn aan te merken.
5.3 De feitelijke situatie die aan de onderdelen 1 en 2 van de klacht van klager ten grondslag ligt, en in het bijzonder het afvullegaat en de mogelijke gevolgen hiervan voor zijn erfdeel, waren klager bekend in de periode van juli tot en met oktober 2019. Deze situatie volgt uit het testament van moeder, het gesprek van klager en zijn vader met de notaris op 30 juli 2019, het e-mailbericht van 31 juli 2019 van de notaris aan klager en de op 14 oktober 2019 ingediende aangifte erfbelasting die klager ondertekend heeft. De consequenties hiervan voor het erfdeel van klager, die mede het gevolg zijn van het hertrouwen van de vader van klager na het overlijden van de moeder van klager en van de inhoud van het testament van vader, overvallen klager nu. De klacht ziet daarmee op het handelen van de notaris in 2019. Aldus is het meer dan drie jaar geleden dat klager feitelijk bekend is geworden met het handelen en/of nalaten van de notaris waarover hij nu klaagt.
De in artikel 99 lid 21 Wna genoemde vervaltermijn van drie jaar is daarom ruimschoots verstreken. Anders dan klager heeft aangevoerd, begint de vervaltermijn niet pas te lopen vanaf het moment dat hij na het overlijden van zijn vader in juli 2025 het dossier bij de notaris heeft opgevraagd. Voor toepassing van de uitzonderingstermijn van een jaar is slechts plaats als het overschrijden van de klachttermijn van drie jaar redelijkerwijs niet aan een klager kan worden verweten. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake. Klager was immers zelf in 2019 op de hoogte van het handelen of nalaten van de notaris waarover geklaagd wordt. Als het klager in 2019 niet duidelijk was wat de gevolgen van het afvullegaat waren of zouden kunnen zijn, zoals hij nu stelt, had het op zijn weg gelegen om zich indertijd nader te laten informeren. De klacht is voor wat betreft de onderdelen 1 en 2 niet-ontvankelijk.
5.4 Aan onderdeel 4 van zijn klacht legt klager het volgende ten grondslag. De notaris doet in haar mail van 12 augustus 2025 een voorwaardelijke toezegging: geen indiening zonder betaling. Omdat de verklaring van beneficiaire aanvaarding essentieel is om aansprakelijkheid te beperken, is dit een kritieke rechtshandeling waarbij een notaris zijn publieke taak uitoefent. Door betaling als voorwaarde te stellen, gebruikt de notaris haar wettelijke positie als drukmiddel. Dat is volgens vaste jurisprudentie niet toegestaan en strafrechtelijke verwijtbaar. De notaris heeft geen verweer gevoerd op dit punt.
De kamer verklaart dit onderdeel van de klacht ongegrond. Er is in deze zaak geen sprake van een wettelijke positie die als drukmiddel is ingezet. Het is immers niet alleen aan de notaris voorbehouden om een verklaring van beneficiaire aanvaarding (bij volmacht) af te leggen. Zo kan dit bijvoorbeeld ook in persoon bij de griffie van een rechtbank door middel van een voorgeschreven formulier. Daarnaast geldt bovendien dat uit artikel 10 lid 2 van de Verordening beroeps-en gedragsregels volgt dat een notaris zijn ministerie niet hoeft te verlenen als een cliënt weigert een gezien de omstandigheden – waaronder rekening houdend met een redelijk kantooruurtarief en met inachtneming van een eventueel geldende tariefregeling – redelijke vergoeding voor de gevraagde dienst te betalen. Door klager is niet gesteld en ook is niet op een andere wijze gebleken dat de notaris een onredelijke vergoeding voor de gevraagde dienst in rekening had gebracht.
BESLISSING
De kamer voor het notariaat:
verklaart de klacht voor wat betreft de onderdelen 1 en 2 niet-ontvankelijk;
verklaart de klacht voor wat betreft onderdeel 4 ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.F. Koekebakker, voorzitter, S.H. Poiesz en M. Zwankhuizen, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam. Het beroepschrift dient binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief door het Hof te zijn ontvangen, waarbij de datum van ontvangst door het Hof bepalend is.