ECLI:NL:TNORDHA:2015:6 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-33 en 14-34

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2015:6
Datum uitspraak: 11-02-2015
Datum publicatie: 18-02-2015
Zaaknummer(s): 14-33 en 14-34
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de notaris dat hij klaagster en erflater onvoldoende heeft geïnformeerd toen zij hem om advies hadden gevraagd op het moment dat zij wisten dat erflater ernstig ziek was en er rekening mee moest worden gehouden dat hij binnen afzienbare tijd zou komen te overlijden. De notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de achtergronden van klaagster en erflater, voordat hij tot advies van keuzetestamenten kwam en hij heeft hen onvoldoende geïnformeerd over de mogelijke gevolgen daarvan.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 11 februari 2015 inzake de klacht onder nummer 14-33 en 14-34 van:

[klaagster],

hierna ook te noemen: klaagster,

advocaat mr. F.M. Oudolf te Amsterdam,

tegen

[notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: notaris,

en

[kandidaat-notaris],

kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: kandidaat-notaris,

beiden tezamen te noemen: de notarissen,

advocaten van beiden mrs. C.J.J.C. Arnouts en D. Brand te Amsterdam.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

·         de klacht van 10 april 2014, met bijlagen, ingekomen bij de Kamer voor het notariaat te Amsterdam op 11 april 2014,

·         het antwoord van de notarissen, met bijlagen,

·         de repliek van klaagster, met bijlagen,

·         de dupliek van de notarissen, met bijlagen,

·         aanvullende stukken van klaagster van 6 januari 2015, met bijlagen.

Het procesverloop

De voorzitter van de Kamer voor het notariaat te Amsterdam heeft op 16 april 2014 de president van het gerechtshof te Amsterdam verzocht een andere Kamer voor het notariaat aan te wijzen voor de behandeling van de onderhavige klacht, nu de notaris (plaatsvervangend) lid is van de Kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam. Bij beslissing van 25 april 2014 heeft de president van het gerechtshof te Amsterdam op de voet van artikel 99 lid 2 Wet op het notarisambt (hierna te noemen: Wna) de Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag aangewezen teneinde zich met de behandeling van voormelde klacht te belasten.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 14 januari 2015. Daarbij waren aanwezig klaagster bijgestaan door haar advocaat mr. F.M. Oudolf en de notarissen bijgestaan door hun advocaten mrs. C.J.J.C. Arnouts en D. Brand. Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt met daaraan in afschrift gehecht de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van klaagster en de notarissen.

De feiten

Klaagster had een relatie met [naam erflater] (hierna te noemen: erflater). Zij waren niet gehuwd. Samen hebben zij vier kinderen. Op 28 september 1992 hebben klaagster en erflater op het kantoor van de voorganger van de notaris een samenlevingsovereenkomst getekend en beiden een testament. Notaris mr. [B] heeft deze akten gepasseerd. Op 7 december 2005 heeft de notaris een aanvulling op die testamenten gepasseerd. In oktober 2011 wordt gediagnosticeerd dat erflater ernstig ziek is. Klaagster neemt daarom diezelfde maand contact op met het notariskantoor om te bespreken of de akten nog “up to date” zijn. Op 19 oktober 2011 hebben klaagster en erflater een gesprek met de kandidaat-notaris. De kandidaat-notaris adviseert cliënten om hun testamenten te wijzigen in keuzetestamenten. Op 19 december 2011 worden de nieuwe testamenten getekend.

Klaagster en erflater beschikken samen over een vermogen bestaande uit twee woningen te [woonplaats], het maatschapsaandeel van klaagster (logopediste) en de waarde van de maatschap/praktijk van erflater (chirurg).

Erflater heeft verder dertien lijfrente-, kapitaal- en levensverzekeringen. Bij vier polissen, te weten bij Aegon, twee bij Nationale Nederlanden en bij ASR is er een andere begunstigde dan klaagster.

De begunstigden van de polis van Aegon zijn de erfgenamen van erflater. De begunstiging van de ASR polis en bij de polis van € 12.194,57 bij Nationale Nederlanden was als volgt: 1. verzekeringnemer, 2. echtgenote/geregistreerd partner, 3. kinderen van verzekeringnemer, 4. erfgenamen van verzekeringnemer. Bij de andere polis van Nationale Nederlanden was klaagster ([naam klaagster] met naam genoemd) de begunstigde.

Op 8 december 2012 is erflater overleden.

De afwikkeling van de nalatenschap wordt door de notarissen verzorgd. Op 12 november 2013 is de notariële akte van verdeling gepasseerd. Daarmee is de afwikkeling van de nalatenschap ten einde gebracht.

De klacht en het verweer van de notarissen
Klaagster verwijt de notaris dat hij klaagster en erflater onvoldoende heeft geïnformeerd toen zij hem om advies hadden gevraagd op het moment dat zij wisten dat erflater ernstig ziek was en er rekening mee moest worden gehouden dat hij binnen afzienbare tijd zou komen te overlijden. De notaris heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de achtergronden van klaagster en erflater, voordat hij tot advies van keuzetestamenten kwam en hij heeft hen onvoldoende geïnformeerd over de mogelijke gevolgen daarvan. De notaris heeft volstaan met het wijzigen van hun testamenten in keuzetestamenten. Op de vraag of het wellicht voor de afwikkeling van de nalatenschap eenvoudiger zou zijn indien zij zouden trouwen, werd door de notaris geantwoord dat dat niet nodig was. Na het tekenen van de testamenten waren klaagster en erflater in de veronderstelling dat alles met betrekking tot de nalatenschap goed geregeld was en zij zich geen zorgen meer hoefden maken. Dit bleek helaas niet het geval. Vanwege het keuzetestament van erflater, waarin klaagster voor 1/100e deel als erfgenaam is benoemd en de kinderen voor het overige deel, keerde Aegon het lijfrentekapitaal voor slechts 1/100e deel uit aan klaagster en het restant aan de kinderen. Dit was uitdrukkelijk niet de bedoeling van erflater. Bij de uitkering van het lijfrentekapitaal bij ASR wilde ASR helemaal niet uitkeren, omdat zij niet geregistreerd partner of gehuwd waren. Alles kwam ten goede aan de kinderen. Bij de polis van € 12.194,57 van Nationale Nederlanden hetzelfde verhaal. Klaagster is zich ervan bewust dat de wijze van uitkering wordt bepaald door de afspraken die daarover zijn gemaakt met de betreffende verzekeraars. Nu klaagster en erflater echter zich hebben gewend tot de notaris om dit te bespreken, zodat alle zaken met betrekking tot de nalatenschap goed geregeld zouden zijn, mag van een redelijk handelend notaris verwacht worden dat hij zich verdiept in de achtergronden van zijn cliënten en daarbij cliënten erop wijst dat de lijfrentepolissen nog moeten worden ingezien. Nu de notaris dit niet heeft gedaan, is klaagster benadeeld. Klaagster heeft bij repliek gesteld dat zij en erflater nimmer hebben verkondigd dat hun vermogen rond de € 1.200.000,- bedraagt.
Verder wordt de notarissen verweten dat zij onzorgvuldig te werk zijn gegaan bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. De afwikkeling is te traag verlopen en de notarissen hebben zich niet aan de gemaakte afspraken gehouden. Door de notarissen was toegezegd dat klaagster een stappenplan zou krijgen. Door middel van afstandsverklaringen en toestemming van de kantonrechter (in verband met een minderjarige dochter) zouden de uitkeringen van het lijfrentekapitaal alsnog bij klaagster terechtkomen. Klaagster heeft tot op heden geen stappenplan mogen ontvangen.

De notarissen hebben het volgende aangevoerd. Tijdens het gesprek op 19 oktober 2011 met de kandidaat-notaris hebben klaagster en erflater gevraagd of het testament “schoonfamilieproof” was. Zij hebben gemeld dat hun gezamenlijk vermogen ongeveer € 1.200.000,- bedroeg. Gezien het vermogen wordt geadviseerd om een keuzetestament op te stellen. De voordelen zijn: klaagster kan de nalatenschap zelf afwikkelen, klaagster kan zelf (door gebruikmaking van het keuzelegaat) kiezen hoeveel vermogen aan de kinderen wordt overgedragen, klaagster kan de hoogte van de rente bepalen en klaagster behoudt de vrije keuze met betrekking tot alle goederen van de nalatenschap. Met de toenmalige vrijstelling erfbelasting van € 603.000,- voor klaagster, zou het verschuldigd zijn van erfbelasting voorkomen kunnen worden. Dit in tegenstelling tot het oude testament (kinderen € 33.000,- erfbelasting verschuldigd). Klaagster heeft tijdens de bespreking geïnformeerd naar de voordelen van een huwelijk. Enkel en alleen met het oog op de positie van de langstlevende zagen de notarissen geen aanleiding om het aangaan van een huwelijk te adviseren. Tijdens het passeren op 19 december 2011 heeft de notaris nogmaals naar de opbouw van het vermogen geïnformeerd. Erflater en klaagster hebben toen gemeld dat het vermogen hoofdzakelijk bestaat uit de twee woningen en de twee maatschapsaandelen. Daarnaast zouden er levensverzekeringen zijn, waarmee de hypotheekschuld op de woningen zou worden afgelost. Uit de overgelegde gespreksnotitie blijkt dat de notarissen hebben geadviseerd om de begunstiging van de verzekeringen te (laten) controleren. Aangezien de polissen naar opgave van klaagster en erflater een geringe waarde hebben ten opzichte van het vermogen, ging de zorg van erflater en klaagster hier niet naar uit.

Na het overlijden van erflater blijkt zijn nalatenschap in plaats van € 600.000,-, rond de € 60.000,- te bedragen. Het gevolg is dat de voordelen van het nieuwe testament nagenoeg komen te vervallen. In tegenstelling tot wat klaagster en erflater hadden gemeld gaat het niet om een viertal lijfrentepolissen, maar om dertien lijfrente-, kapitaal- en levensverzekeringen die een gezamenlijke waarde van € 514.662,55 vertegenwoordigen. Ten aanzien van de overige negen verzekeringen staat klaagster als begunstigde en heeft uitbetaling reeds plaatsgevonden.

Het was de bedoeling van erflater om de regie ten aanzien van zijn nalatenschap bij klaagster te brengen en niet bij zijn familie en/of de kinderen.

Bij de afwikkeling van de nalatenschap liet klaagster zich bijstaan door drie adviseurs ([F], (verzekeringstussenpersoon), [G] (fiscalist) en haar broer). De rol van de notarissen was ondergeschikt. De notarissen werd enkel om hun visie gevraagd naar aanleiding van advies van voornoemde deskundigen en zij beschikten daarbij niet over alle relevante stukken. De grootste vertraging is ontstaan doordat [F] had geadviseerd om de kinderen afstand te laten doen van hun aandeel in de verzekeringsuitkeringen. Alternatieve routes waren echter denkbaar geweest. De notarissen benadrukken dat er nimmer een toezegging is geweest voor het toesturen van een stappenplan. [Klaagster] zou zorgdragen voor een financieel overzicht. De nalatenschap is binnen een jaar afgerond, hetgeen naar de omstandigheden kijkend, niet buitenproportioneel is.

Er is geen sprake van enig tuchtrechtelijk laakbaar handelen.

De beoordeling van de klacht

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris en de kandidaat-notaris hebben gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Notarissen en kandidaat-notarissen zijn aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris en kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris en kandidaat-notaris niet betaamt.

Vast is komen te staan dat de notarissen de werkzaamheden in het dossier samen hebben uitgevoerd. Verder is de notaris eindverantwoordelijk voor handelingen van de kandidaat-notaris. De Kamer zal de klachten tegen beide notarissen tezamen beoordelen.

Voor zover de klacht ziet op de begunstiging van de lijfrentepolissen overweegt de Kamer als volgt. Het behoort tot de zorgplicht van een notaris om zijn dossier te onderbouwen met relevante stukken. De notaris heeft de gespreksnotitie van 19 december 2011 overgelegd waaruit blijkt dat hij klaagster en erflater heeft gemeld dat zij de begunstiging van de polissen moesten controleren. Klaagster betwist de echtheid van de betreffende notitie en stelt dat deze achteraf gefabriceerd is. In het kader van het verwijt van klaagster dat de notaris niet heeft voldaan aan zijn zorgplicht, is het aan klaagster om te bewijzen dat de betreffende notitie achteraf gefabriceerd is. Hierin is klaagster niet geslaagd. De enkele redenering dat een andere vermelding in de gespreksnotitie niet kan kloppen, is onvoldoende om de gehele notitie als “achteraf gefabriceerd” te waarderen. Dit klachtonderdeel is ongegrond.

Voor zover de klacht ziet op de afwikkeling van de nalatenschap overweegt de Kamer als volgt. Klaagster verwijt de notaris dat zij geen stappenplan heeft ontvangen, terwijl dat haar wel was toegezegd. Niet is komen vast te staan wat voor soort stappenplan klaagster bedoelt. Wellicht hebben klaagster en de notarissen elkaar niet goed begrepen. De nalatenschap is binnen een jaar afgewikkeld. Voor een nalatenschap met een minderjarige is het afwikkelen onder de gegeven omstandigheden binnen een jaar niet buitenproportioneel.

Wat betreft het handelen van de kandidaat-notaris merkt de Kamer op dat als onweersproken is komen vast te staan dat hij tijdens de bespreking van 3 juni 2013 niet op de hoogte was van alle details in het dossier. Zo vroeg hij of klaagster en erflater een samenlevingsovereenkomst hadden en of hij een financieel overzicht kon krijgen, dat al in het dossier zat. Nu de kern van de problematiek rondom de afwikkeling juist het feit was dat klaagster en erflater niet gehuwd waren, getuigt dit niet van een goede voorbereiding op de bespreking. Dit is onzorgvuldig.

De Kamer is echter van oordeel dat in de communicatie de grenzen van het toelaatbare niet zijn overschreden, zodat van een klachtwaardig handelen geen sprake is. De klacht is derhalve ongegrond.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht tegen beide notarissen op beide onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.J. Paris, voorzitter, A.F.L. Geerdes, R.J. Groenhof, H.M. Kolster en R.B. van der Horst, en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2015.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.