ECLI:NL:TNORDHA:2015:4 Kamer voor het notariaat Den Haag 13-60

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2015:4
Datum uitspraak: 14-01-2015
Datum publicatie: 04-02-2015
Zaaknummer(s): 13-60
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De notaris wordt verweten dat het voor hem op 15 september 2010 onmogelijk moet zijn geweest om vast te stellen wat de wil van erflaatster met betrekking tot haar nalatenschap was.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 14 januari 2015 inzake de klacht onder nummer 13-60 van:

[klaagster],

hierna ook te noemen: klaagster,

advocaat mr. M.E. Franke te Voorburg,

tegen

mr. [notaris],

notaris te [vestigingsplaats], thans oud-notaris,

hierna ook te noemen: de notaris,

advocaat mr. L. Kruitwagen te Amsterdam.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

·         de klacht, met bijlagen, ingekomen per e-mail op 1 november 2013,

·         het antwoord van de notaris, met bijlagen,

·         de repliek van klaagster, met bijlagen,

·         de dupliek van de notaris, met bijlage,

·         e-mail van de notaris d.d. 20 augustus 2014 met een gezondheidsverklaring,

·         aanvullende brief van klaagster d.d. 2 december 2014, met bijlagen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 december 2014. Daarbij waren aanwezig namens klaagster [A] en mevrouw [B] bijgestaan door mr. M.E. Franke en mr. L. Kruitwagen en mr. C.J.J.C. Arnouts namens de notaris. Wegens gezondheidsredenen was de notaris niet in staat bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.

Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt met daaraan in afschrift gehecht de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van klaagster en de notaris.

De feiten

Mevrouw [C] (hierna te noemen: erflaatster) heeft op 29 april 1986 een testament gemaakt, gepasseerd door mr. . [D] (hierna te noemen: notaris [D]), notaris te [vestigingsplaats]. Op 8 juli 1994 heeft notaris mr.[E], notaris te [vestigingsplaats], een testament van erflaatster gepasseerd. Dit testament was door notaris [D] geredigeerd. Omdat notaris [D] in dit testament werd benoemd tot executeur, is het testament door notaris [E] gepasseerd.

Erflaatster is in 2004 getroffen door een beroerte. Daarna heeft zij nog diverse (kleinere) herseninfarcten gehad. Erflaatster is door de beroerte halfzijdig verlamd geraakt, leed aan afasie, was slechtziend en slechthorend. Erflaatster was niet meer in staat zelfstandig te wonen en verbleef in verpleeghuis [naam] in [vestigingsplaats]. Vanaf 2006, toen haar gezondheid verder verslechterde is erflaatster verhuisd naar de gesloten afdeling van verpleeghuis [naam] in [vestgingsplaats].

In april 2008 is notaris [D] benaderd door de achterneef van erflaatster, de heer [X] (hierna te noemen: de neef), met de mededeling dat erflaatster voornemens was haar testament te herzien. Vervolgens heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen erflaatster, notaris [D] en een medewerker van zijn kantoor. Aan het eind van dit gesprek heeft notaris [D] geconstateerd dat het onmogelijk was om de bedoeling van klaagster te achterhalen. Notaris [D] heeft toen zijn dienst geweigerd.

Bij beschikking van 5 maart 2010 van de kantonrechter te Rotterdam is het vermogen van erflaatster gedeeltelijk onder bewind gesteld. Het bewind is ingesteld, omdat het appartement dat aan erflaatster en haar zusters toebehoorde, moest worden verkocht. Tot bewindvoerder is aangesteld de neef. In deze beschikking staat  het volgende:

“(…) Gebleken is dat de rechthebbende als gevolg van haar lichamelijke toestand niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen. Zij is in 2004 getroffen door een beroerte, waardoor zij mondeling noch schriftelijk, haar wil kan uiten. Wel kan rechthebbende op gesloten vragen middels hoofdgebaren haar wil kenbaar maken. (…)”.

Op 15 september 2010 heeft de notaris het laatste testament van erflaatster gepasseerd. Uit dit testament blijkt dat erflaatster niet in staat was om een handtekening te zetten. Erflaatster heeft in dit testament haar neef en zijn echtgenote benoemd tot erfgenamen. Erflaatster was niet terminaal ziek en het was niet voorzienbaar dat zij op (zeer) korte termijn zou overlijden. Erflaatster is later op die dag overleden.    

Op 4 juni 2012 heeft mevrouw [Y] (vrijwilligster klaagster) de volgende verklaring opgesteld:

“(…)

De laatste maanden als ik vertelde dat ik de H.Communie kwam brengen keek ze me wat glazig aan, het leek alsof zij niet meer begreep wat dit betekende.

(…)

met haar ja knikken bedoelde ze ook wel nee en andersom en de begrippen tijd/later/straks leken voor haar vreemd te zijn.

(…)

Omdat ik zeker wist, uit de eerste contacten, dat ze het bijzonder op prijs stelde dat ik de H.Communie kwam brengen, ben ik dit zolang mogelijk blijven doen, maar zelf kon mevrouw [C] dit echt  niet meer vragen.

(…)”.

Op 7 juni 2012 heeft pastoor [A] het volgende verklaard:

“(…)

Gedurende heel haar leven is mevrouw een trouw en bijzonder meelevend lid geweest van [naam klaagster en vestigingsplaats], waarvan ik reeds twintig jaar pastoor ben en in die hoedanigheid regelmatig contact had met mevrouw [C] en haar beide zusters.

Nadat mevrouw [C] enige beroertes had gehad, was communicatie vrijwel niet meer mogelijk. Ik heb geen idee hoe haar geestelijke gesteldheid was, want zij kon zich amper uiten. De enige manier waarop zij zich min of meer duidelijk kon uiten was door heftig ja knikken of nee schudden als haar een eenvoudige vraag gesteld werd, die met ja of nee te beantwoorden was. Het was niet duidelijk in hoeverre zij de vraag dan ook had begrepen.

(…)”

In de hoedanigheid van executeur heeft notaris [D] in 2012 tegen de notaris een klacht ingediend bij de Kamer van Toezicht te [plaatsnaam]. Bij beslissing van 8 november 2012 is notaris [D] niet ontvankelijk verklaard. Bij beslissing van het Hof te Amsterdam van 30 juli 2013 is de bestreden beslissing van de Kamer bevestigd. In de beslissing van het Hof staat het volgende:

“(…)

4.3.2. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft klager – in het kader van de ontvankelijkheid – benadrukt dat hij in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair, daartoe aangewezen in het voorlaatste testament van erflaatster, de belangen van alle erfgenamen uit het voorlaatste testament, en met name het belang van de [klaagster] te [vestigingsplaats], vertegenwoordigt. In ieder geval treedt klager als gemachtigde op van voornoemde [klaagster]. Klager heeft op vragen van het hof verklaard dat hij in eerste instantie impliciet voor alle erfgenamen optrad en thans expliciet namens voornoemde parochie optreedt.

(…)

5.3. Klager heeft zich ter zitting in hoger beroep nog op het standpunt gesteld namens de [klaagster] te [vestingsplaats], erfgenaam in het voorlaatste testament, op te treden. Nog daargelaten of het in een notariële tuchtprocedure mogelijk is de hoedanigheid waarin een partij in eerste aanleg is opgetreden in hoger beroep te wijzigen, klager heeft dit standpunt naar het oordeel van het hof te laat in deze procedure, namelijk eerst bij faxbrief van 15 mei 2013, aangevoerd. Van die door klager gestelde machtiging is overigens niet gebleken.

(…)”.

De klacht

Klaagster stelt in het voorlaatste testament van erflaatster benoemd te zijn tot erfgenaam. Dit had erflaatster mondeling aan klaagster meegedeeld. De notaris wordt verweten dat het voor hem op 15 september 2010 onmogelijk moet zijn geweest om vast te stellen wat de wil van erflaatster met betrekking tot haar nalatenschap was. Erflaatster kon onmogelijk zelfstandig aangeven wat zij met betrekking tot haar nalatenschap wenste. De notaris heeft het “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening” (hierna: Stappenplan) niet correct gevolgd. De notaris had nader onderzoek moeten verrichten naar de wilsbekwaamheid van erflaatster. De notaris was niet de huisnotaris van de familie. Notaris [D] was de huisnotaris van erflaatster en haar zusters. De notaris wist niets van de familiegeschiedenis of de ziektegeschiedenis van erflaatster. Ook kende de notaris de inhoud van voorgaande testamenten niet, zodat hij erflaatster niet heeft kunnen vragen waarom zij bepaalde zaken anders wilde regelen. De neef heeft ook notaris [D] benaderd. Notaris [D] heeft zijn dienst geweigerd.

Het Stappenplan geeft voorbeelden van indicatoren die aanleiding geven om te twijfelen aan de geestesgesteldheid van een cliënt. De volgende indicatoren zijn van toepassing:

1. het vermogen van erflaatster was gedeeltelijk onder bewind gesteld bij beschikking van 5 maart 2010;

2. erflaatster was 89 jaar;

3. erflaatster kon na haar beroerte in 2004 niet meer haar eigen administratie voeren;

4. sinds 2004 verbleef erflaatster in een verpleeghuis. Vanaf  2006 woonde erflaatster op een gesloten afdeling van een verpleeghuis. Zij was niet in staat  haar eigen rolstoel te bedienen. De notaris heeft erflaatster op de gesloten afdeling van het verpleeghuis bezocht;

5. sinds 2004 was erflaatster volledig afhankelijk van anderen. Zij kon niet meer spreken, lezen of schrijven en was niet tot inhoudelijk communiceren in staat;

6. het verzoek tot het opstellen van het testament kwam van de neef. Erflaatster was zelf niet in staat een dergelijk verzoek te formuleren. Initiatiefnemer was de neef die tezamen met zijn echtgenote tot enig erfgenaam is benoemd;

7. gezien het feit dat erflaatster zich niet in woord of geschrift kon uitdrukken, kunnen de instructies onmogelijk door erflaatster zijn vastgelegd;

8. in het voorgaande testament had erflaatster onder andere klaagster benoemd tot erfgenaam, waren er legaten opgenomen ten bate van haar zusters en kerkelijke (goede) doelen en had zij bepaald dat tegen een stipendium tot haar zielenrust gedurende één jaar na het overlijden wekelijks een mis in de kerk van klaagster zou worden gelezen. Haar twee zusters hadden een bijna identiek testament gemaakt. Het testament van 2010 week volledig af van de voorgaande testamenten en de testamenten van haar zusters;

9. het verzoek om een testament op te maken was slechts enkele dagen voor het passeren gedaan.

10. een testament verdient extra aandacht.

Het verweer van de notaris

Klaagster stelt in het voorlaatste testament benoemd te zijn tot erfgenaam. De notaris is dit testament niet bekend en betwist om die reden dat klaagster tot erfgenaam benoemd is. Klaagster dient op grond van artikel 99 lid 15 van de Wet op het notarisambt (Wna) niet ontvankelijk te worden verklaard. Notaris [D] heeft op 20 september 2010 contact opgenomen met de notaris inzake (de afwikkeling van) het testament van 15 september 2010. De advocaat van klaagster trad in de tuchtprocedure van notaris [D] op als zijn gemachtigde.

Het feit dat mensen op leeftijd kwetsbaar zijn, wil nog niet zeggen dat zij handelingsonbekwaam zijn. Begin september is de notaris door de neef gebeld met het verzoek om een bezoek te brengen aan erflaatster voor een testament. Naar aanleiding van dat telefoontje heeft de notaris op 8 september 2010 erflaatster bezocht. Tijdens dit bezoek was de neef ook aanwezig, zij het op de achtergrond. De neef heeft zich enkel met het gesprek tussen erflaatster en de notaris bemoeid ten behoeve van praktische zaken, zoals het tonen van het paspoort van erflaatster. De neef heeft geen enkel aandeel gehad in het gesprek tussen de notaris en erflaatster. Erflaatster was zich niet eens bewust van de aanwezigheid van de neef. De neef bleef onopgemerkt.

Tijdens het bezoek is de notaris op ongeveer 20 centimeter afstand gaan zitten van erflaatster en heeft hij uitgebreid de tijd genomen om af te tasten of zij wilsbekwaam was. De notaris zocht allereerst naar een manier om te communiceren met erflaatster. Dit bleek het stellen van gesloten vragen te zijn waarop erflaatster kon reageren door ja of nee te knikken. De notaris stelde tussendoor strikvragen, maar de antwoorden van erflaatster bleken consistent. Pas nadat de notaris ervan overtuigd was dat erflaatster bij haar volle verstand was, haar wil aan hem kenbaar kon maken (zij het weliswaar stapje voor stapje) en duidelijk was dat erflaatster de wens had haar testament te wijzigen, ging de notaris over tot het stellen van vragen met betrekking tot de inhoud van het beoogde testament. De notaris stelde strikvragen en vragen in de omgekeerde volgorde. De beantwoording van erflaatster bleef consistent. De notaris tastte de wil van erflaatster nauwkeurig af door diverse instellingen en personen op te sommen die zij als begunstigde op zou kunnen nemen. Uiteindelijk bleven de neef en zijn echtgenote over. De notaris heeft het Stappenplan gevolgd. De notaris heeft erflaatster onder vier ogen gesproken (de neef bleef onopgemerkt). Het enige wat de notaris niet in overeenstemming met het Stappenplan kon doen was het stellen van open vragen. Dit was onmogelijk. Na afloop van het bezoek aan erflaatster heeft de notaris zo snel als mogelijk een concepttestament opgesteld en aan erflaatster gestuurd. Op 15 september 2010 heeft de notaris het testament gepasseerd in het bijzijn van twee getuigen (secretaresses van het notariskantoor). De beide getuigen en de notaris waren ervan overtuigd dat erflaatster voldoende wilsbekwaam was. Er bestond voor de notaris geen aanleiding om te weigeren het testament te passeren. Er bestaat een groot verschil tussen gedeeltelijke onderbewindstellling en wils(on)bekwaamheid. Als iemand zijn vermogensrechtelijke belangen niet kan behartigen, betekent dat nog niet dat iemand haar wil ten aanzien van de nalatenschap niet duidelijk kan maken. Ten tijde van het passeren van het testament bestond nog niet de mogelijkheid om een arts te raadplegen (pas vanaf 19 januari 2012). Op 14 juni 2013 is het kantoor van de notaris failliet verklaard. De notaris kan derhalve niet meer beschikken over het besprekingsverslag van 15 september 2010 met erflaatster.

Mocht de Kamer aannemen dat de notaris had moeten twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster, dan voert de notaris subsidiair aan dat wanneer een notaris gerede twijfel heeft over de wils(on)bekwaamheid van diegene wiens testament hij gaat passeren, van de notaris desondanks verwacht mag worden dat hij overgaat tot het passeren van het testament. Deze opvatting vindt aanhang in de literatuur. Een gepasseerd testament kan achteraf vernietigd worden door de rechter, terwijl een niet gepasseerd testament nimmer gecorrigeerd kan worden.

De beoordeling van de ontvankelijkheid – belang?

Artikel 99, eerste lid van de Wet op het notarisambt (Wna) bepaalt, voor zover hier van belang, dat klachten kunnen worden ingediend door “een ieder met enig redelijk belang”.

De tot 1 januari 2013 geldende Wna kende een dergelijke bepaling niet. Onder het oude recht werd voor de beoordeling van de vraag wie een klacht kon indienen aansluiting gezocht bij artikel 49 Wna, dat bepaalt aan wie afschrift van een akte kan worden verstrekt door de notaris. Voorts gold volgens tuchtrechtelijke jurisprudentie dat degene die zodanig bij het in een klacht gewraakte doen en/of nalaten van een notaris betrokken was, dat hij als belanghebbende bij een uitspraak over een klacht kon worden aangemerkt, in die klacht kon worden ontvangen. Bij de beantwoording van de vraag of iemand een zodanige belanghebbende was, speelde een rol in hoeverre deze door het handelen of nalaten van een notaris zodanig in zijn eigen belang kon worden getroffen dat deze daarin behoorde te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken was geweest bij het onderwerp dat in de klachtprocedure werd behandeld, dat daarin een belang was gelegen om in die procedure te verschijnen. Uit de wetsgeschiedenis van het tot 1 januari 2013 geldende artikel 99 Wna bleek verder dat zowel de KNB als het Bureau Financieel Toezicht een tuchtrechtelijke klacht konden indienen, evenals, bijvoorbeeld, collega-notarissen. Blijkens de Memorie van Toelichting op het huidige artikel 99 lid 1 is in de herziene tekst van het eerste lid geëxpliciteerd dat de kring van degenen die een tuchtrechtelijke klacht kunnen indienen bestaat uit een ieder die enig redelijk belang heeft bij de indiening van een klacht. Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met het taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep.

Vast staat dat klaagster geen partij is geweest bij de akte (het testament) uit 2010 waartegen zij ageert. Klaagster beschikt niet over een afschrift van dit testament. Erflaatster heeft klaagster mondeling gemeld dat zij haar in het voorlaatste testament van erflaatster uit 1994 tot erfgenaam heeft benoemd. Over een afschrift van dit testament beschikt zowel klaagster als de notaris niet. Klaagster was bij het opstellen van het testament in 1994 ten nauwste betrokken. Met klaagster en haar twee zusters werd overlegd op welke wijze geregeld zou kunnen worden dat na het overlijden wekelijks de mis gelezen zou worden en tegen welk stipendium. Daarnaast bespraken de zusters met klaagster welke (kerkelijke) goede doelen zij in hun testament zouden opnemen. Notaris [D] heeft de testamenten van de zusters opgesteld. Hij kon de testamenten echter niet zelf passeren, omdat hijzelf in het testament werd benoemd tot executeur. De testamenten van de drie zusters kenden een eenvormige structuur. Uit het door klaagster overgelegde testament van zuster [Z], dat is

gepasseerd op 8 juli 1994, blijkt onder andere dat klaagster is benoemd tot erfgenaam. Uit een afschrift uit het Centraal Testamentenregister blijkt dat erflaatster, zoals hiervoor weergegeven onder de feiten, ook op 8 juli 1994 een testament heeft gemaakt. Alles overwegend acht de Kamer het aannemelijk dat de zusters gelijkluidende testamenten hebben gemaakt en erflaatster in het (voorlaatste) testament in 1994 klaagster had benoemd tot erfgenaam. De conclusie is derhalve dat klaagster een redelijk belang heeft bij het indienen van deze klacht.

De beoordeling van de ontvankelijkheid – vervaltermijn?

De kamer dient vervolgens in te gaan op de ontvankelijkheid van klaagster in het licht van het bepaalde in artikel 99, lid 15 Wna. Dit artikel bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven heeft kennisgenomen. Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis [Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12] als volgt verwoord:

“[...] De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. [...]”

Hieruit volgt dat deze vervaltermijn een aanvang neemt zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een notaris, en dus niet op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat zodanig handelen of nalaten klachtwaardig is. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het aan klager bekend worden van het handelen van de notaris enerzijds en het bekend worden van diens nalaten anderzijds. Van een handelen van de notaris blijkt in het algemeen op enige wijze naar buiten zoals in de vorm van een gegeven advies of in de vorm van een akte. Ook van het nalaten van een notaris zal moeten blijken. Hiervan kan sprake zijn indien de gevolgen van dat nalaten zichtbaar worden of indien op enige andere wijze dat nalaten bekend wordt. Een redelijke uitleg van artikel 99 lid 15 Wna brengt met zich dat de vervaltermijn ingeval van een nalaten begint te lopen zodra van dat nalaten op enige wijze aan klager blijkt.

De notaris heeft aangevoerd dat vaststaat dat notaris [D] nauw betrokken was bij het opstellen van het testament van erflaatster in 1994. Notaris [D] was een actief lid van klaagster. Hij was van (ongeveer) 1981 tot 2000 lid van het [….bestuur]. Kort na het overlijden van erflaatster raakte notaris [D] daarvan op de hoogte. Nu notaris [D] nauw verbonden was met klaagster, kan die wetenschap klaagster  verweten worden. De Kamer volgt de notaris in die opvatting niet. Er zijn geen concrete feiten naar voren gekomen waaruit blijkt dat klaagster reeds in 2010 bekend is geworden met de inhoud van het laatste testament van erflaatster. De pastoor heeft op 7 juni 2012 een verklaring afgelegd ten behoeve van de tuchtprocedure die notaris [D] in de hoedanigheid van executeur had aangespannen tegen de notaris. In mei 2013 is in de notulen van de vergadering van het kerkbestuur opgenomen dat notaris [D] contact heeft gehad met de pastoor over het aanvechten van het testament van erflaatster. Gezien het voorgaande is de Kamer van oordeel dat de vervaltermijn niet eerder is gaan lopen dan op 7 juni 2012. Klaagster kan derhalve ontvangen worden in haar klacht. De Kamer komt toe aan een inhoudelijke behandeling.

De beoordeling van de klacht

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 Wna. Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. 

Vooropgesteld wordt dat het niet aan de Kamer is om een oordeel te geven over de wilsbekwaamheid van erflaatster. De Kamer dient zich te buigen over de vraag of de notaris voldoende zorgvuldigheid heeft betracht bij het passeren van het testament van erflaatster in 2010.  

De notaris heeft aangevoerd dat hij het Stappenplan heeft doorlopen. Dit Stappenplan biedt een toetsingskader aan notarissen die zich in voorkomende gevallen een oordeel moeten vormen over de wilsbekwaamheid van een cliënt ten behoeve van notariële dienstverlening. Eerst indien daartoe aanleiding bestaat, dient de wilsbekwaamheid van een cliënt uitgebreider te worden onderzocht. Op grond van de in het Stappenplan geformuleerde indicatoren, in samenhang gezien, moeten notarissen zich afvragen of er gerede twijfels bestaan over de wilsbekwaamheid van de cliënt voor de te nemen beslissing en of de indruk bestaat dat er sprake is van beïnvloeding door derden. Op verzoek van de neef heeft de notaris erflaatster bezocht op een gesloten afdeling van een verpleeghuis om te spreken over een testament. Het was de eerste ontmoeting tussen de notaris en erflaatster. Bij dit bezoek was ook de neef aanwezig. Weliswaar was volgens de notaris de neef op de achtergrond aanwezig en was erflaatster zich niet eens bewust van de aanwezigheid van de neef, doch, zelfs als dit laatste juist zou zijn, kan nog niet gezegd worden dat het gesprek met erflaatster onder vier ogen heeft plaatsgevonden. Met het stellen van open vragen kan volgens het Stappenplan de beslisvaardigheid worden vastgesteld. De notaris heeft zelf aangegeven dat erflaatster niet in staat was open vragen te beantwoorden. De aangewezen manier om te communiceren met erflaatster was volgens de notaris het stellen van gesloten vragen waarop erflaatster kon reageren door ja of nee te knikken. Zoals de notaris zelf aangeeft bleven uiteindelijk de neef en zijn echtgenote als erfgenamen van erflaatster over. Het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, had voor de notaris aanleiding moeten zijn nader onderzoek te verrichten naar de geestesgesteldheid van erflaatster. Weliswaar geldt er vanaf 19 januari 2012 een protocol, toch was het raadplegen van een arts ook vóór die datum reeds mogelijk en gebruikelijk, zij het dat je als notaris wel het risico liep dat de arts op grond van zijn geheimhouding niet wilde meewerken. De notaris had in onderhavig geval een arts moeten raadplegen die een psychiatrisch/ geriatrisch onderzoek zou kunnen uitvoeren ter verificatie. Dit heeft de notaris niet gedaan. Na het gesprek heeft de notaris het concept naar erflaatster gestuurd, wetende dat zij slechtziend en hulpbehoevend was. De zin in het testament “De comparante heeft verklaard tijdig voor het verlijden van deze akte een conceptakte te hebben ontvangen” mist in dit geval de betekenis die daaraan normaal gesproken kan worden toegekend.

Alles overwegend is de Kamer van oordeel dat de notaris tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht is gegrond.

De op te leggen maatregel

Er waren in onderhavige kwestie voldoende omstandigheden waardoor de notaris anders had moeten handelen. De Kamer is van oordeel dat het opleggen van de maatregel van berisping derhalve passend en geboden is.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht gegrond;

legt de notaris de maatregel van berisping op;

bepaalt dat de opgelegde maatregel, nadat tegen onderhavige beslissing geen rechtsmiddel meer openstaat, ten uitvoer zal worden gelegd op een nader te bepalen vergadering van de Kamer, waartoe de notaris per aangetekende brief zal worden opgeroepen door de secretaris.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. van Ham, voorzitter, O. van der Burg. L.G. Vollebregt, H.M. Kolster, en E.S. Voskamp, in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2015.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.