ECLI:NL:TNORDHA:2015:3 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-24

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2015:3
Datum uitspraak: 14-01-2015
Datum publicatie: 04-02-2015
Zaaknummer(s): 14-24
Onderwerp: Registergoed
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Behandeling deels verzet en deels inhoudelijk.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing van 14 januari 2015 op het verzet tegen de beslissing van 6 augustus 2014 van de voorzitter van de Kamer als bedoeld in artikel 99 lid 5 van de Wet op het notarisambt inzake klachtonderdeel 1 in de klacht onder nummer 14-24 en beslissing in de klacht inzake klachtonderdeel 2 van:

[klager],

hierna ook te noemen: klager,

tegen

mr. [notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: de notaris.

De procedure

Bij verzetschrift van 12 augustus 2014, ingekomen op 13 augustus 2014, heeft klager verzet tegen de beslissing inzake klachtonderdeel 1 ingesteld. Het verzet is tijdig ingesteld.

De behandeling van het verzet en vervolgens de inhoudelijke behandeling van klachtonderdeel 2 heeft ter zitting van de Kamer plaatsgevonden op 10 december 2014. Hierbij zijn verschenen klager en zijn vriendin en de notaris. Van het verhandelde is proces-verbaal opgemaakt met daaraan in afschrift gehecht de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van klager.  

Het verzet

Klager handhaaft in het verzetschrift zijn klacht. Klager heeft tegen voormelde beslissing van de voorzitter als grief ingebracht dat zijn klacht gaat over het nalaten van de notaris zoals vermeld in artikel 99 lid 15 van de Wet op het notarisambt (Wna). Op 31 januari 2014 heeft klager een gesprek gehad met een andere notaris over de situatie waarin klager zich momenteel bevindt. Die notaris berichtte klager dat de notaris heeft verzuimd om in 2006 klager en zijn ex-echtgenote te adviseren om een bepaling in de akte op te nemen die erin zou voorzien dat klager bij een eventuele echtscheiding ontslagen zou worden uit de hoofdelijke aansprakelijkheid. Tot eind januari 2014 heeft klager nimmer getwijfeld aan de professionaliteit en deskundigheid van de notaris. De vervaltermijn neemt volgens klager een aanvang op 31 januari 2014 na het gesprek met de andere notaris.

De beoordeling van het verzet in klachtonderdeel 1

De Kamer verwijst voor de feiten en de inhoud van de klacht naar hetgeen terzake in de beslissing d.d. 6 augustus 2014 is overwogen.

Samengevat gaat het in het verzet over de vraag of de vervaltermijn (artikel 99 lid 15 Wna) is verstreken. De akte van levering en hypotheek zijn op 1 december 2006 gepasseerd. Uitgangspunt is dat de vervaltermijn een aanvang neemt zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten, en dus niet op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat zodanig handelen of nalaten klachtwaardig is. De vervaltermijn is volgens de voorzitter derhalve gaan lopen vanaf 1 december 2006.

Tegenover dit uitgangspunt en genoemde toelichting heeft klager onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Klagers gesprek met een andere notaris in januari 2014, waaruit klager opmaakt dat altijd geadviseerd wordt of werd om een bepaling als bedoeld op te nemen in de hypotheekakte of bij side-letter, geeft ook geen aanleiding om de vervaltermijn of de mogelijke kenbaarheid van het nalaten pas vanaf dat moment te laten ingaan, nog daargelaten de juistheid van een dergelijke opmerking. Een en ander leidt tot de conclusie dat klachtonderdeel 1 kennelijk niet ontvankelijk is.

Het verzet in klachtonderdeel 1 zal dan ook ongegrond verklaard worden.

Voor zover het klachtonderdeel 2 betreft komt de Kamer, zoals door de voorzitter in de beslissing van 6 augustus 2014 geoordeeld, toe aan een inhoudelijk behandeling.

De beoordeling van klachtonderdeel 2

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 van de Wet op het notarisambt (Wna). Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.

Voor klachtonderdeel 2 wordt verwezen naar hetgeen is vermeld in de beslissing van de voorzitter van 6 augustus 2014. De notaris wordt verweten dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door hetgeen hij heeft opgenomen in het gespreksverslag dat de notaris op 15 maart 2014 aan klager en zijn ex-echtgenote heeft gemaild. De notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat hetgeen hij in het gespreksverslag heeft opgenomen geen verslag was van hetgeen hij met klager heeft besproken, doch exact de woorden waren van de ex-echtgenote tijdens het gesprek met de notaris. De Kamer acht onvoldoende gesteld en aannemelijk geworden dat de notaris in het gesprek met klagers echtgenote informatie heeft gedeeld die alleen klager met de notaris heeft besproken en als zodanig onder zijn geheimhoudingsplicht valt. De Kamer acht dit klachtonderdeel ongegrond.

De beslissing

De Kamer voor het notariaat voormeld:

verklaart het verzet in klachtonderdeel 1. ongegrond;

verklaart klachtonderdeel 2. ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. van Ham, voorzitter, O. van der Burg, F. Hoppel, H.M. Kolster en E.S. Voskamp en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2015.

Kopie van deze beslissing wordt aan partijen gezonden.

Ingevolge artikel 99 lid 13 van de Wet op het notarisambt staat tegen deze beslissing op het verzet in klachtonderdeel 1. geen rechtsmiddel open.

Tegen deze beslissing inzake klachtonderdeel 2. staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.