ECLI:NL:TNORDHA:2015:23 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-56

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2015:23
Datum uitspraak: 15-07-2015
Datum publicatie: 24-07-2015
Zaaknummer(s): 14-56
Onderwerp: Registergoed
Beslissingen: Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie:   De notaris heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt. Klager verzoekt de voorzitter van de Kamer om een onderzoek te gelasten naar de gang van zaken voor en tijdens het passeren van de akten van levering en hypotheek.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 15 juli 2015 inzake de klacht onder nummer 14-56 van:

Mr. [P], officier van justitie bij het Parket Den Haag, Afdeling Opsporing en Vervolging, Team 3,

hierna ook te noemen: klager of het OM,

tegen

mr. [naam],

oud-notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: de notaris,

advocaat mr. G.L. Maaldrink te Den Haag.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

·         de klacht, met bijlagen, ingekomen op 20 augustus 2014,

·         het antwoord van de notaris, met bijlage,

·         de repliek,

·         de dupliek, met bijlagen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Daarbij waren aanwezig klager en de notaris bijgestaan door advocaat mr. G.L. Maaldrink. Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt met daaraan de door beide partijen overgelegde pleitnotities gehecht.

De feiten

Klager heeft het volgende feitencomplex gesteld.

In september 2010 is in opdracht van klager een strafrechtelijk onderzoek (destijds onder de naam [D], op 18 februari 2011 voortgezet onder de naam [B]) gestart naar de verdachte [E] (hierna te noemen: E) al dan niet samen met zijn echtgenote. Het onderzoek richtte zich op hypotheekfraude, oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen met behulp van strolieden door diverse vastgoed-en banktransacties. De strolieden zijn veelal familieleden van [E], maar ook andere personen die [E] in de loop der tijd heeft leren kennen.

In januari 2012 zijn [E] en zijn echtgenote aangehouden in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. In het onderzoek zou, aldus klager, zijn opgevallen dat de onroerende zaken veelal uit eigen middelen werden gefinancierd, welke eigen middelen werden overgemaakt vanuit bankrekeningen op naam van de strolieden. [E] en zijn echtgenote beschikten over notariële volmachten, waarin – kort gezegd – was vastgelegd dat [E] of meestal zijn echtgenote gemachtigd waren om voor de volmachtgever alle denkbare rechtshandelingen te verrichten.  

In het onderzoek zijn de bankrekeningen die op naam stonden van de aan klager bekende strolieden en de talloze vastgoedtransacties die over deze bankrekeningen zijn gelopen grondig onderzocht. Van diverse bij- en afschrijvingen op die bankrekeningen kon in eerste instantie niet worden achterhaald met welke vastgoedtransactie de overboekingen te maken hadden. Deze onduidelijkheden waren grond voor klager voor het versturen van in totaal 21 vorderingen krachtens artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) naar diverse notariskantoren. Het betrof vorderingen om informatie te verkrijgen over het geldverkeer dat over de derdengeldenrekeningen van de notarissen is gelopen.

In de loop van 2012 heeft klager nader gekeken naar een transactie die de notaris heeft gepasseerd. Het gaat om de levering op 1 oktober 2010 van een woning aan [adres en woonplaats] aan [A] (hierna: [A]). De betaling van de koopsom werd voldaan vanaf particuliere bankrekeningen van drie verschillende natuurlijke personen die niet bij de transactie betrokken waren en zonder vestiging van een hypotheekrecht. Het was de bedoeling dat [A] de woning meteen zou doorleveren. De notaris heeft ministerie geweigerd met betrekking tot het passeren van de B-C transactie en heeft op 5 oktober 2010 een MOT-melding gedaan, omdat zij niet kon vaststellen of de identiteit van [A] op de juiste wijze was vastgesteld.

Op 2 mei 2011 heeft de notaris een hypotheekakte opgesteld waarbij [A] het recht van hypotheek betreffende de [adres] verleend heeft aan [X]. [X] was niet één van de drie personen van wiens bankrekening de koopsom voor de transactie van 1 oktober 2010 afkomstig was. [A] was bij het passeren van de hypotheekakte zelf aanwezig. Enige tijd later is [A] failliet verklaard.

De klacht en het verweer van de notaris

Het feit dat er een MOT-melding was gedaan door de notaris brengt niet mee dat klager in die periode enig inzicht had kunnen krijgen in de geldstroom van de notaris. Daar was geen wettelijke basis voor en zonder beginpunt betreffende de wijze van financiering was het onmogelijk om bij banken rekeninggegevens op te vragen van bankrekeningen. Pas na het binnenkomen van de gegevens van de notaris (naar aanleiding van de vordering ex artikel 126nd WvSv) gecombineerd met andere gegevens in het onderzoeksdossier [B] werd duidelijk dat de notaris in deze transactie zich mogelijk niet heeft gedragen als een behoorlijk notaris. De klacht is tijdig ingediend.

Sinds 1 januari 2013 is het belanghebbendenbegrip verruimd. Daarbij verhoudt zich niet dat van de betreffende belanghebbende verwacht kan worden dat direct nader onderzoek wordt verricht naar een MOT-melding. De ontvankelijkheid dient beoordeeld te worden naar het moment waarop een klager ook daadwerkelijk kan onderbouwen dat en op grond waarvan bepaalde zaken niet goed zijn gegaan. Klager stelt dat het doen van een MOT-melding de notaris achteraf niet vrijwaart, indien de notaris voorafgaand aan de transactie, gelet op diverse subjectieve indicatoren, zijn/haar diensten had moeten weigeren.

De MOT-melding betrof de B-C levering. In de MOT-melding wordt niet gesproken over feiten en omstandigheden betreffende de A-B levering en de financiering daarvan. Nu de betalingen van de koopsom afkomstig waren van drie verschillende bankrekeningen van drie verschillende personen die niet bij de transactie betrokken waren, had de notaris nader onderzoek moeten verrichten. Er zijn volgens klager te veel vragen onbeantwoord gebleven. Vragen die de notaris had moeten stellen aan [A] en de overige personen die betrokken waren bij de transactie aan de zijde van koper. Daarna heeft de notaris in 2011 een hypotheekakte gepasseerd waarbij [A] het recht van eerste hypotheek verleende aan [X] die ten tijde van het passeren stond ingeschreven op het adres van het onderpand. Opvallend was dat [A] geen bron van inkomsten had en zwakbegaafd was (zoals blijkt uit een psychiatrisch onderzoek). De notaris heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt.

Klager verzoekt de voorzitter van de Kamer om een onderzoek te gelasten naar de gang van zaken voor en tijdens het passeren van de akten van levering en hypotheek.

De notaris heeft het volgende aangevoerd. Klager dient niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht. De notaris heeft op 5 oktober 2010 de MOT-melding gedaan en derhalve is tegelijkertijd de vervaltermijn gaan lopen. De notaris had in verband met de betalingen van drie verschillende bankrekeningen gevraagd om de diverse geldleningsovereenkomsten. Toen zij die op 5 oktober 2010 nog steeds niet had ontvangen, heeft zij een MOT-melding gedaan. Op grond van artikel 19 van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering terrorisme (Wwft) dient de notaris gevrijwaard te worden voor straf-, civiel-, en tuchtrechtelijke aansprakelijkheid. Er is alleen geen recht op vrijwaring indien er sprake was van ernstige schuld aan de zijde van de notaris. Daarvan was hier echter geen sprake. Bij de hypotheekakte heeft de notaris niet klachtwaardig gehandeld. In 2010 was dienstweigering alleen mogelijk bij redelijke overtuiging dat de verlangde werkzaamheid zou leiden tot een ongeoorloofd doel. Pas vanaf 1 januari 2013 is dat een “redelijke overtuiging of vermoeden” geworden. Het vestigen van een enkele hypotheek zoals in 2011 het geval was, was in 2011 een niet Wwft plichtige transactie. Het was geen reden tot dienstweigering. [A] was blijkens een schriftelijke schuldbekentenis (die hij heeft overgelegd aan de notaris) geld schuldig aan [X]. De notaris had de indruk dat [A] wist wat hij deed. Zij heeft geen aanleiding gehad om te twijfelen aan zijn wilsbekwaamheid.

De notaris was niet betrokken bij het opstellen en ondertekenen van de koopovereenkomst van de woning aan de [adres] voor € 77.000,-.

De beoordeling

De ontvankelijkheid - belanghebbende

Klager heeft gesteld dat hij in het kader van het algemeen belang de klacht heeft ingediend.

Nu de klacht is ingediend na 1 januari 2013 dient de vraag of klager belanghebbende is te worden getoetst aan het sindsdien geldende belanghebbendenbegrip, ook nu het gaat om handelen van de notaris in 2007.

Artikel 99, eerste lid van de Wet op het notarisambt (Wna) bepaalt, voor zover hier van belang, dat klachten kunnen worden ingediend door “een ieder met enig redelijk belang”.

De tot 1 januari 2013 geldende Wna kende een dergelijke bepaling niet. De Memorie van Toelichting op het huidige artikel 99 lid 1 (MvT II, 32 250, nr. 3, p. 26-27) vermeldt: “Uit de wetsgeschiedenis (…) van het huidige (oude, kamer) artikel 99 Wna blijkt reeds dat zowel de KNB als het Bureau een tuchtrechtrechtelijke klacht kunnen indienen, evenals bijvoorbeeld collega-notarissen. In de voorgestelde herziene tekst van het eerste lid wordt geëxpliciteerd dat de kring van degenen die een tuchtrechtelijke klacht kunnen indienen bestaat uit een ieder die enig redelijk belang heeft bij de indiening van een klacht. Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep.” De kamer is van oordeel dat het gestelde algemene belang, kennelijk inhoudende het bestrijden van het witwaspraktijken via de notaris, voldoende grond zijn om als belanghebbende te worden aangemerkt. Klager kan in zoverre dan ook worden ontvangen in zijn klacht.

De ontvankelijkheid – vervaltermijn

Artikel 99 lid 15 Wna bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven heeft kennisgenomen. Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis [Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12] als volgt verwoord:

“[...] De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. [...]”

Hieruit volgt dat deze vervaltermijn een aanvang neemt zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een notaris, en dus niet op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat zodanig handelen of nalaten klachtwaardig is. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het aan klager bekend worden van het handelen van de notaris enerzijds en het bekend worden van diens nalaten anderzijds. Van een handelen van de notaris blijkt in het algemeen op enige wijze naar buiten zoals in de vorm van een gegeven advies of in de vorm van een akte. Ook van het nalaten van een notaris zal moeten blijken. Hiervan kan sprake zijn indien de gevolgen van dat nalaten zichtbaar worden of indien op enige andere wijze dat nalaten bekend wordt. Een redelijke uitleg van artikel 99 lid 15 Wna brengt met zich dat de vervaltermijn ingeval van een nalaten begint te lopen zodra van dat nalaten op enige wijze aan klager blijkt.

Vaststaat dat de notaris de MOT-melding heeft gedaan op 5 oktober 2010. De notaris heeft aangevoerd dat de MOT-melding niet alleen de B-C transactie betrof, maar ook de A-B transactie, nu de notaris nog steeds niet beschikte over de door haar gewenste bewijsstukken met betrekking tot de leningsovereenkomsten die aan het fourneren van de koopsom ten grondslag lagen. Nu dit door klager niet meer is weersproken moet van de juistheid daarvan worden uitgegaan. Gelet op de MOT-melding van 5 oktober 2010 moet het ervoor worden gehouden dat klager, die immers deel uitmaakt van het Openbaar Ministerie, op deze datum op de hoogte is geraakt van die MOT-melding en daarmee van het handelen/nalaten van de notaris. De Kamer is van oordeel dat vanaf dat moment de vervaltermijn is gaan lopen voor wat betreft de akte van levering van oktober 2010. Voor wat betreft de hypotheekakte van mei 2011 had de notaris op 5 oktober 2010 logischerwijs geen MOT-melding kunnen doen. De vervaltermijn voor de hypotheekakte is in mei 2011 gaan lopen. De klacht is bij de Kamer ingediend op 20 augustus 2014 en dus nadat de vervaltermijn van drie jaren verstreken was. De Kamer is daarom van oordeel dat klager niet kan worden ontvangen in zijn klacht voor zowel de akte van levering van oktober 2010 als de hypotheekakte van mei 2011.

Nu klager niet ontvankelijk is in zijn klacht komt de Kamer aan een verdere inhoudelijke behandeling van de klacht niet toe.

Het verweer van de notaris dat zij door het doen van een prompte MOT-melding gedisculpeerd is voor tuchtrechtelijke vervolging kan, gezien het oordeel over de niet-ontvankelijkheid in verband met de verjaring, wat er ook zij van de opmerkingen van klager daaromtrent, onbesproken blijven.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.L. den Os-Brand, voorzitter, R.R. Roukema, F. Hoppel, P.H.B. Gorsira en E.S. Voskamp en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.