ECLI:NL:TNORDHA:2015:22 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-54

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2015:22
Datum uitspraak: 15-07-2015
Datum publicatie: 24-07-2015
Zaaknummer(s): 14-54
Onderwerp: Registergoed
Beslissingen: Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie:   De notaris heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt. Klager verzoekt de voorzitter van de Kamer om een onderzoek te gelasten naar de gang van zaken voor en tijdens het passeren van de akte van levering.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 15 juli 2015 inzake de klacht onder nummer 14-54 van:

Mr. [P], officier van justitie bij het Parket Den Haag, Afdeling Opsporing en Vervolging, Team 3,

hierna ook te noemen: klager of het OM,

tegen

mr. [notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: de notaris,

advocaat mr. C.A.M.J. Raymakers te Amsterdam.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

·         de klacht, met bijlagen, ingekomen op 20 augustus 2014,

·         het antwoord van de notaris, met bijlagen,

·         de repliek,

·         de dupliek,

·         mail notaris van 13 mei 2015,

·         brief advocaat van de notaris van 21 mei 2015.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Daarbij waren aanwezig klager en de notaris bijgestaan door advocaat mr. C.A.M.J. Raymakers. Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt met daaraan de door beide partijen overgelegde pleitnotities met aanvullend stuk van klager gehecht.

De feiten

Klager heeft het volgende feitencomplex gesteld.

In september 2010 is in opdracht van klager een strafrechtelijk onderzoek (destijds onder de naam [D], op 18 februari 2011 voortgezet onder de naam [B] gestart naar de verdachte [E] (hierna te noemen: E) al dan niet samen met zijn echtgenote. Het onderzoek richtte zich op hypotheekfraude, oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen met behulp van strolieden door diverse vastgoed-en banktransacties. De strolieden zijn veelal familieleden van [E], maar ook andere personen die [E] in de loop der tijd heeft leren kennen.

In januari 2012 zijn [E] en zijn echtgenote aangehouden in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. In het onderzoek zou, aldus klager, zijn opgevallen dat de onroerende zaken veelal uit eigen middelen werden gefinancierd, welke eigen middelen werden overgemaakt vanuit bankrekeningen op naam van de strolieden. [E] en zijn echtgenote beschikten over notariële volmachten, waarin – kort gezegd – was vastgelegd dat [E] of meestal zijn echtgenote gemachtigd waren om voor de volmachtgever alle denkbare rechtshandelingen te verrichten.  

In het onderzoek zijn de bankrekeningen die op naam stonden van de aan klager bekende strolieden en de talloze vastgoedtransacties die over deze bankrekeningen zijn gelopen grondig onderzocht. Van diverse bij- en afschrijvingen op die bankrekeningen kon in eerste instantie niet worden achterhaald met welke vastgoedtransactie de overboekingen te maken hadden. Deze onduidelijkheden waren grond voor klager voor het versturen van in totaal 21 vorderingen krachtens artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) naar diverse notariskantoren. Het betrof vorderingen om informatie te verkrijgen over het geldverkeer dat over de derdengeldenrekeningen van de notarissen is gelopen. Door de antwoorden die de notarissen hebben gegeven op de vele vragen kwamen een aantal zaken aan het licht.

Op 21 september 2010 is de [adres en woonplaats] geleverd aan de heer [V] (hierna: V) en daarbij werd een hypotheek gevestigd. De betaling van € 110.092,- was afkomstig van de bankrekening op naam van mevrouw  [W] (hierna: [W]).

In zijn antwoord op de vragen ex artikel 126 nd WvSv heeft de notaris het volgende geantwoord: “Voordien heeft (Kamer:) het notariskantoor kopie ontvangen van een schriftelijke leningovereenkomst tussen genoemde heer [V] en genoemde mevrouw [W], heeft laatstgenoemde zich vervoegd tot het notariskantoor, zich aldaar gelegitimeerd en de herkomst van deze gelden naar tevredenheid van het notariskantoor toegelicht”.

De klacht en het verweer van de notaris

Klager heeft het volgende aangevoerd. De informatie betreffende de notaris is klager pas volledig bekend geworden, nadat antwoord was gegeven op de vragen die in de vordering ex artikel 126 nd WvSv waren gesteld, zodat de klacht tijdig is ingediend. De betaling op 15 september 2010 was afkomstig van de bankrekening van [W]. Op opgevraagde beelden bij de bank van 19 november 2010 (bijna een maand na de levering) is een persoon te zien die lijkt op [W]. Op dat moment is ze dus vermoedelijk in Nederland. Of [W] ook al in september 2010 in Nederland was, is klager onbekend. In het antwoord van de notaris in maart 2012 op de vragen ex artikel 126 nd WvSv wordt gesteld dat [W] ten kantore uitleg heeft gegeven over de betaling ten behoeve van [V]. Zelf verklaarde [W] dat ze van al deze zaken niks weet en verwijst naar [E] en zijn echtgenote. Deze laatstgenoemde personen waren er, zoals blijkt uit de beelden van de bank, in november 2010 ook bij. [V] verklaart dat hij samen met de dochter van [E] naar het notariskantoor is gegaan om uitleg te geven. Zij zou het woord hebben gevoerd. [V] zelf zou er niks van hebben begrepen. [V] heeft dus verklaard dat niet [W], maar een heel ander persoon bij de notaris is verschenen om uitleg te verschaffen. [W] heeft verklaard dat zij enkel in 2008 in Nederland is geweest. Het is dus de vraag of [W] daadwerkelijk bij de notaris is verschenen en op welke wijze zij dan in staat zou zijn geweest antwoord te geven op de vragen van de notaris. [W] en [V] hadden beiden niet de financiële mogelijkheden om elkaar grote bedragen te lenen, zo blijkt uit de verklaringen. De notaris heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt.

Klager verzoekt de voorzitter van de Kamer om een onderzoek te gelasten naar de gang van zaken voor en tijdens het passeren van de akte van levering.

De notaris heeft het volgende aangevoerd. Klager dient niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht. Het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen in september 2010. In het proces-verbaal van verdenkingen van 30 november 2010 wordt verwezen naar “feit 5 witwassen”. Er staat het volgende: “Op 22 november 2010 verschenen er bij de ABN AMRO bank twee personen zijnde de mevrouw en heer [Y] en [E]. Beide personen gaven de opdracht het bedrag van 153.000 van de rekening van mevrouw [W] over te boeken op de rekening van de notaris. Dit werd als verdacht ervaren door de medewerker van ABN AMRO en zij schakelde de beveiliging in. Uit onderzoek op de rekening van mevrouw [W] en een gesprek met mevrouw [W] bleek dat er diverse ‘vreemde zaken’ hadden plaats gevonden”. Hieruit blijkt dat de opsporingsambtenaar, q.q. onder leiding van de officier van justitie, dan al boven op de feiten zit. De klacht is binnengekomen op 20 augustus 2014, zodat klager niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht.

Verder dient een klager gelet op artikel 99 Wna belanghebbende te zijn. Er zal gekeken moeten worden naar de concrete omstandigheden van het geval. Het lijkt er echter zeer op dat het klager niet te doen is om een tuchtrechtelijke beoordeling, maar om informatieverstrekking. Klager schrijft ook: “Al die informatie valt onder de geheimhoudingsplicht van de notaris en kan niet door mij opgevraagd worden, maar is in mijn ogen wel van belang om na te gaan of de notaris wel of niet voldoende zorg heeft betracht in richting van de heer [V] en het openbare belang in het algemeen om witwassen te voorkomen.” En klager schrijft: “Die vraag kan slechts beantwoord worden met meer kennis van wat tussen de notaris en de cliënten is gewisseld. Om die reden heb ik verzocht dat er een nader onderzoek wordt ingesteld”.

Inhoudelijk heeft de notaris het volgende aangevoerd. [V] en zijn makelaar van [A] zijn op 15 september 2010 op het notariskantoor geweest op afspraak met de dossierbehandelaar. [V] heeft toen een volmacht verstrekt aan iedere medewerker van het notariskantoor. [V] heeft gezegd dat de koopsom betaald zou worden door [W]. De behandelaar van het dossier heeft vervolgens gevraagd aan te tonen wat de grondslag was van deze financiering. [V] toonde een originele schuldbekentenis die niet door het notariskantoor was opgesteld. De behandelaar heeft aan [W] gevraagd hoe het voor haar mogelijk was om een dergelijk bedrag uit te lenen. [W] legde een staat van verdeling uit juni 2010 over waaruit bleek dat aan haar een bedrag was toegedeeld dat deze financiële transactie mogelijk maakte. Aan de notariële zorgplicht is dus voldaan. Het verwijt dat de notaris onzorgvuldig zou hebben gehandeld klopt niet. De naam [E] is niet geconstateerd tijdens de behandeling van het dossier.

De notaris benadrukt dat hij zijn notariële praktijk elke dag naar eer en geweten, onafhankelijk, onpartijdig en integer uitoefent. Notarissen zijn opgeleid als notarieel jurist en niet als opsporingsambtenaar.

De beoordeling

De ontvankelijkheid - belanghebbende

Klager heeft gesteld dat hij in het kader van het algemeen belang de klacht heeft ingediend.

Nu de klacht is ingediend na 1 januari 2013 dient de vraag of klager belanghebbende is te worden getoetst aan het sindsdien geldende belanghebbendenbegrip , ook nu het gaat om handelen van de notaris in 2007.

Artikel 99, eerste lid van de Wet op het notarisambt (Wna) bepaalt, voor zover hier van belang, dat klachten kunnen worden ingediend door “een ieder met enig redelijk belang”.

De tot 1 januari 2013 geldende Wna kende een dergelijke bepaling niet. De Memorie van Toelichting op het huidige artikel 99 lid 1 (MvT II, 32 250, nr. 3, p. 26-27) vermeldt: “Uit de wetsgeschiedenis (…) van het huidige (oude, kamer) artikel 99 Wna blijkt reeds dat zowel de KNB als het Bureau een tuchtrechtrechtelijke klacht kunnen indienen, evenals bijvoorbeeld collega-notarissen. In de voorgestelde herziene tekst van het eerste lid wordt geëxpliciteerd dat de kring van degenen die een tuchtrechtelijke klacht kunnen indienen bestaat uit een ieder die enig redelijk belang heeft bij de indiening van een klacht. Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep.” De kamer is van oordeel dat het gestelde algemene belang, kennelijk inhoudende het bestrijden van het witwaspraktijken via de notaris, voldoende grond is om als belanghebbende te worden aangemerkt. Klager kan in zoverre dan ook worden ontvangen in zijn klacht.

De ontvankelijkheid – vervaltermijn

Artikel 99 lid 15 Wna bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven heeft kennisgenomen. Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis [Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12] als volgt verwoord:

“[...] De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. [...]”

Hieruit volgt dat deze vervaltermijn een aanvang neemt zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een notaris, en dus niet op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat zodanig handelen of nalaten klachtwaardig is. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het aan klager bekend worden van het handelen van de notaris enerzijds en het bekend worden van diens nalaten anderzijds. Van een handelen van de notaris blijkt in het algemeen op enige wijze naar buiten zoals in de vorm van een gegeven advies of in de vorm van een akte. Ook van het nalaten van een notaris zal moeten blijken. Hiervan kan sprake zijn indien de gevolgen van dat nalaten zichtbaar worden of indien op enige andere wijze dat nalaten bekend wordt. Een redelijke uitleg van artikel 99 lid 15 Wna brengt met zich dat de vervaltermijn ingeval van een nalaten begint te lopen zodra van dat nalaten op enige wijze aan klager blijkt.

Het strafrechtelijk onderzoek naar de desbetreffende verdachten is gestart in september 2010, in welk verband het onderzoek naar de onderhavige levering en geldverstrekking (en financieringen) vervolgens is gestart in het vroege voorjaar van 2011. De Kamer is van oordeel dat op dat moment – voorjaar 2011 – de vervaltermijn is gaan lopen. Aangenomen moet worden dat klager vanaf dat moment op de hoogte was van het handelen van de notaris. Dat klager pas later, nadat het kantoor van de notaris antwoord had gegeven op de vorderingen krachtens artikel 126nd WvSv en nadat diverse getuigen waren gehoord, kon onderbouwen op grond waarvan bepaalde zaken in zijn ogen niet goed waren gegaan, maakt dat niet anders. De klacht is bij de Kamer ingediend op 20 augustus 2014 en dus nadat de vervaltermijn van drie jaren verstreken was. Klager kan daarom niet worden ontvangen in zijn klacht.

Nu klager niet ontvankelijk is in zijn klacht komt de Kamer aan een verdere inhoudelijke behandeling van de klacht niet toe.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.L. den Os-Brand, voorzitter, R.R. Roukema, F. Hoppel, P.H.B. Gorsira en E.S. Voskamp en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.