ECLI:NL:TNORDHA:2015:21 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-53

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2015:21
Datum uitspraak: 15-07-2015
Datum publicatie: 24-07-2015
Zaaknummer(s): 14-53
Onderwerp: Registergoed
Beslissingen: Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie:   De notaris heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt. Klager verzoekt de voorzitter van de Kamer om een onderzoek te gelasten naar de gang van zaken voor en tijdens het passeren van de akten van levering en hypotheek.  

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 15 juli 2015 inzake de klacht onder nummer 14-53 van:

Mr. [P], officier van justitie bij het Parket Den Haag, Afdeling Opsporing en Vervolging, Team 3,

hierna ook te noemen: klager of het OM,

tegen

mr. [A],

oud-notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: de notaris,

advocaat mr. J.T.C. Leliveld te Den Haag.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

·         de klacht, met bijlagen, ingekomen op 20 augustus 2014,

·         het antwoord van de notaris,

·         aanvullende brief van de advocaat van de notaris van 23 oktober 2014,

·         de repliek,

·         de dupliek,

·         de brief van de advocaat van de notaris aan klager van 28 november 2014,

·         de mail van klager van 11 mei 2015,

·         een viertal e-mails van klager van 15 mei 2015,

·         de fax van de advocaat van de notaris van 22 mei 2015,

·         de reactie van de secretaris van 26 mei 2015 op die fax.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 mei 2015. Daarbij waren aanwezig klager en de notaris bijgestaan door advocaat mr. J.T.C. Leliveld. Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt met daaraan de door beide partijen overgelegde pleitnotities gehecht.

De feiten

Klager heeft het volgende feitencomplex gesteld:

in september 2010 is in opdracht van klager een strafrechtelijk onderzoek (destijds onder de naam [D], op 18 februari 2011 voortgezet onder de naam [B]) gestart naar de verdachte [E] (hierna te noemen: E) al dan niet samen met zijn echtgenote. Het onderzoek richtte zich op hypotheekfraude, oplichting, valsheid in geschrifte en witwassen met behulp van strolieden door diverse vastgoed-en banktransacties. De strolieden zijn veelal familieleden van [E], maar ook andere personen die [E] in de loop der tijd heeft leren kennen.

In januari 2012 zijn [E] en zijn echtgenote aangehouden in het kader van het strafrechtelijk onderzoek. In het onderzoek zou, aldus klager, zijn opgevallen dat de onroerende zaken veelal uit eigen middelen werden gefinancierd, welke eigen middelen werden overgemaakt vanuit bankrekeningen op naam van de strolieden. [E] en zijn echtgenote beschikten over notariële volmachten, waarin – kort gezegd – was vastgelegd dat [E] of meestal zijn echtgenote gemachtigd waren om voor de volmachtgever alle denkbare rechtshandelingen te verrichten.  

In het onderzoek zijn de bankrekeningen die op naam stonden van de aan klager bekende strolieden en de talloze vastgoedtransacties die over deze bankrekeningen zijn gelopen grondig onderzocht. Van diverse bij- en afschrijvingen op die bankrekeningen kon in eerste instantie niet worden achterhaald met welke vastgoedtransactie de overboekingen te maken hadden. Deze onduidelijkheden waren grond voor klager voor het versturen van in totaal 21 vorderingen krachtens artikel 126nd van het Wetboek van Strafvordering (WvSv) naar diverse notariskantoren. Het betrof vorderingen om informatie te verkrijgen over het geldverkeer dat over de derdengeldenrekeningen van de notarissen is gelopen.

Op 16 maart 2012 zijn vorderingen gedaan aan het notariskantoor [X] te [vestigingsplaats] met betrekking tot onder andere de levering op 13 april 2007 van een woning aan de [adres en woonplaats]. Op 26 maart 2012 heeft mr. [Y] als bewaarder van het protocol van de oud-notaris daarop gereageerd en onder meer het volgende geschreven: “De dossiers waarop uw vorderingen betrekking hebben, zijn behandeld door mr. [Z], destijds notaris te [vestigingsplaats]. (…) Als bewaarder van haar protocol en dossiers heb ik getracht aan de hand van dossiers zo goed mogelijk antwoord te geven op uw vorderingen.”

Uit de antwoorden bleek onder meer het volgende. Op 13 april 2007 heeft de notaris een akte van levering gepasseerd van een woning aan de [adres en woonplaats] aan [V] (hierna: V). [V] werd daarbij vertegenwoordigd door [W] (hierna: [W]) op grond van een notariële volmacht. Bij deze levering werd ook een hypotheekrecht gevestigd. Hypotheeknemer was de heer [G] (hierna: [G]). Het recht van hypotheek werd gevestigd voor een bedrag van € 135.000,-. Het betrof een geldlening van € 85.469,- tegen 5% rente. De geldlening diende na vijf jaar te zijn terugbetaald. Het geld op de derdenrekening werd betaald via de bankrekening van [W].

De klacht en het verweer van de notaris

De informatie betreffende de notaris is klager pas volledig bekend geworden, nadat antwoord was gegeven op de vragen die in de vordering ex artikel 126nd WvSv waren gesteld, zodat de klacht tijdig is ingediend. Bij de levering op 13 april 2007 klopte het GBA-adres van [V], maar twee weken later is hij naar het buitenland vertrokken. Het GBA-adres van [W] leek niet te kloppen. [W] heeft nooit gewoond op dat adres, zo heeft hij ook verklaard. In alle onderzoeken komt steeds terug dat de persoon in kwestie in werkelijkheid niet op het adres woonde, maar daar wel stond ingeschreven.

Bij de hypotheekakte was het in de GBA vermelde adres niet het woonadres van [G]. De gevolmachtigde [W] betaalde de woning van zijn eigen rekening, maar er werd een hypotheek gevestigd waarbij [G] aan [V] geld heeft geleend. De notaris heeft geen contact gehad met [V], maar wel met [E]. Volgens [G] is hij door de notaris apart genomen en zou hij alles in opdracht van [E] hebben gedaan. [G] kon geen antwoord geven op de vragen van de notaris, maar toch zijn de akten gepasseerd. De notaris heeft niet gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt.

Klager verzoekt de voorzitter van de Kamer om een onderzoek te gelasten naar de gang van zaken voor en tijdens het passeren van de akten van levering en hypotheek.

De notaris heeft het volgende aangevoerd. Klager dient niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn klacht. Het strafrechtelijk onderzoek is aangevangen in september 2010. Uit de “globale schets onderzoek” blijkt dat de verdenkingen vanaf aanvang helder waren en dat deze niet zijn gewijzigd. In het vroege voorjaar van 2011 vond, zo blijkt uit het dossier, strafrechtelijk onderzoek plaats naar de betreffende levering. De betrokkenheid van de notaris was toen bekend. Er zijn voldoende redenen om aan te nemen dat klager reeds meer dan drie jaar voor de datum van indienen van de klacht op 20 augustus 2014 op de hoogte was van het handelen/nalaten van de notaris. Dat klager wellicht nog niet alles wist doet daar niet aan af. Klager dient aannemelijk te maken dat hij niet eerder dan drie jaar voor het indienen van de klacht op de hoogte was. De notaris is hierdoor ernstig in haar belang geschaad.

De oud-notaris is niet betrokken geweest bij de beantwoording van de vragen die zijn gesteld in het kader van de vorderingen ex artikel 126nd WvSv. De notaris wordt verweten dat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de adresgegevens van de bij de transactie betrokken cliënten en dat de betaling van de koopsom niet via de rekening van de hypotheekvertrekker is gegaan, maar via de rekening van de gemachtigde. Wat betreft het eerste verwijt had de notaris geen reden tot twijfelen aan de door betrokkenen opgegeven informatie. Nadere regelgeving hoe om te gaan met het ontbreken van een GBA-adres ontbrak in 2007 (en is pas sinds 2008 ontwikkeld). Wat betreft het tweede verwijt wordt allereerst aangevoerd dat de hypotheek alleen onvoldoende bijzonderheden opleverde om extra actie te ondernemen. De terugbetaalperiode van vijf jaar was inderdaad kort, maar hoeft niet direct te leiden tot het geven van extra aandacht aan een dossier. Wel is het bijzonder dat de koopsom via de rekening van de gemachtigde werd betaald. Uit het dossier kan niet worden afgeleid of dit is onderkend en zo ja, op welke manier hier aandacht aan had moeten worden besteed. De vastlegging in het dossier had op dit punt beter gemoeten, maar is onvoldoende om te komen tot een gegrondverklaring van de klacht.

De beoordeling

De ontvankelijkheid - belanghebbende

Klager heeft gesteld dat hij in het kader van het algemeen belang de klacht heeft ingediend.

Nu de klacht is ingediend na 1 januari 2013 dient de vraag of klager belanghebbende is te worden getoetst aan het sindsdien geldende belanghebbendenbegrip, ook nu het gaat om handelen van de notaris in 2007.

Artikel 99, eerste lid van de Wet op het notarisambt (Wna) bepaalt, voor zover hier van belang, dat klachten kunnen worden ingediend door “een ieder met enig redelijk belang”.

De tot 1 januari 2013 geldende Wna kende een dergelijke bepaling niet. De Memorie van Toelichting op het huidige artikel 99 lid 1 (MvT II, 32 250, nr. 3, p. 26-27) vermeldt: “Uit de wetsgeschiedenis (…) van het huidige (oude, kamer) artikel 99 Wna blijkt reeds dat zowel de KNB als het Bureau een tuchtrechtrechtelijke klacht kunnen indienen, evenals bijvoorbeeld collega-notarissen. In de voorgestelde herziene tekst van het eerste lid wordt geëxpliciteerd dat de kring van degenen die een tuchtrechtelijke klacht kunnen indienen bestaat uit een ieder die enig redelijk belang heeft bij de indiening van een klacht. Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en -regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep.” De kamer is van oordeel dat het gestelde algemene belang, kennelijk inhoudende het bestrijden van het witwaspraktijken via de notaris, voldoende grond is om als belanghebbende te worden aangemerkt. Klager kan in zoverre dan ook worden ontvangen in zijn klacht.

De ontvankelijkheid – vervaltermijn

Artikel 99 lid 15 Wna bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven heeft kennisgenomen. Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis [Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12] als volgt verwoord:

“[...] De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. [...]”

Hieruit volgt dat deze vervaltermijn een aanvang neemt zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een notaris, en dus niet op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat zodanig handelen of nalaten klachtwaardig is. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het aan klager bekend worden van het handelen van de notaris enerzijds en het bekend worden van diens nalaten anderzijds. Van een handelen van de notaris blijkt in het algemeen op enige wijze naar buiten zoals in de vorm van een gegeven advies of in de vorm van een akte. Ook van het nalaten van een notaris zal moeten blijken. Hiervan kan sprake zijn indien de gevolgen van dat nalaten zichtbaar worden of indien op enige andere wijze dat nalaten bekend wordt. Een redelijke uitleg van artikel 99 lid 15 Wna brengt met zich dat de vervaltermijn ingeval van een nalaten begint te lopen zodra van dat nalaten op enige wijze aan klager blijkt.

Het strafrechtelijk onderzoek naar de desbetreffende verdachten is gestart in september 2010, in welk verband het onderzoek naar de onderhavige levering en geldverstrekking (en financieringen) vervolgens is gestart in het vroege voorjaar van 2011. De Kamer is van oordeel dat op dat moment – voorjaar 2011 – de vervaltermijn is gaan lopen. Aangenomen moet worden dat klager vanaf dat moment op de hoogte was van het handelen van de notaris. Dat klager pas later, nadat het voormalige kantoor van de notaris antwoord had gegeven op de vorderingen krachtens artikel 126nd WvSv en nadat diverse getuigen waren gehoord, kon onderbouwen op grond waarvan bepaalde zaken in zijn ogen niet goed waren gegaan, maakt dat niet anders. De klacht is bij de Kamer ingediend op 20 augustus 2014 en dus nadat de vervaltermijn van drie jaren verstreken was. Klager kan daarom niet worden ontvangen in zijn klacht.

Nu klager niet ontvankelijk is in zijn klacht komt de Kamer aan een verdere inhoudelijke behandeling van de klacht niet toe.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart klager niet ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.L. den Os-Brand, voorzitter, R.R. Roukema, F. Hoppel, P.H.B. Gorsira en E.S. Voskamp en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 15 juli 2015.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.