ECLI:NL:TNORDHA:2014:34 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-08

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2014:34
Datum uitspraak: 05-11-2014
Datum publicatie: 20-11-2014
Zaaknummer(s): 14-08
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Klaagster verwijt de notaris dat hij haar onvoldoende heeft gewezen op de consequenties van het tekenen van de akte houdende wijziging huwelijksvoorwaarden.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing d.d. 5 november 2014 inzake de klacht onder nummer 14-08 van:

[klaagster],

hierna ook te noemen: klaagster,

advocaat mr. J.C. Moree te Rotterdam,

tegen

[notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

hierna ook te noemen: de notaris,

advocaat mr. L.H. Rammeloo.

De procedure

De Kamer heeft kennisgenomen van:

·         de klacht, met bijlagen, per faxbericht en e-mail ingekomen op 14 februari 2014 en per brief ingekomen op 17 februari 2014,

·         het antwoord van de notaris, met bijlagen,

·         de repliek van klaagster, met bijlagen,

·         de dupliek van de notaris, met bijlage,

·         aanvullende producties van de notaris, ingekomen op 29 september 2014.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2014. Daarbij waren aanwezig klaagster bijgestaan door mr. J.C. Moree en de notaris bijgestaan door mr. L.H. Rammeloo.

Van het verhandelde is proces­verbaal opgemaakt met daaraan in afschrift gehecht de op de zitting overgelegde pleitaantekeningen van zowel klaagster als de notaris, alsmede de door klaagster op de zitting overgelegde aanvullende stukken.

De feiten

Klaagster was gehuwd met de heer [X] (hierna te noemen: man). Dit huwelijk is op 22 oktober 2013 ontbonden door inschrijving van de door de rechtbank Rotterdam op 7 oktober 2013 uitgesproken echtscheidingsbeschikking. Klaagster en de man waren gehuwd onder huwelijksvoorwaarden, gepasseerd op 9 mei 1996 door notaris mr. [Y] te [vestigingsplaats]. De huwelijksvoorwaarden hielden kortgezegd in uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met voorts regelingen omtrent de gerechtigheid tot goederen, bewijs, vergoedingen, bestuur, aansprakelijkheid, inkomen, kosten van de huishouding, premies van overlijdensrisicoverzekeringen, periodieke verrekening van inkomsten en pensioen.

Klaagster werkte tijdens het huwelijk parttime en zorgde voor de kinderen. De man was werkzaam in de verschillende vennootschappen, waarvan hij aandeelhouder was.

Bij akte houdende wijziging huwelijksvoorwaarden, verleden op 16 februari 2011 door de notaris, hebben klaagster en de man de huwelijksvoorwaarden gewijzigd.

De klacht en het verweer van de notaris

Klaagster verwijt de notaris dat hij haar onvoldoende heeft gewezen op de consequenties van het tekenen van de akte houdende wijziging huwelijksvoorwaarden. Klaagster heeft voor het passeren nimmer een concept met een begeleidende brief ontvangen en de notaris heeft tijdens het passeren klaagster ook niet gewezen op de gevolgen van het tekenen van de akte.

Bij het eerste gesprek met de notaris heeft de notaris volstaan met het aanhoren van de man. De notaris heeft verzuimd klaagster er toen op te wijzen dat de tweede akte van huwelijksvoorwaarden in belangrijke mate afweek van de eerste akte van huwelijksvoorwaarden en/of dat met name bij beëindiging van het huwelijk van verrekening wordt uitgesloten de waarde van de ondernemingen waarin de man werkzaam is en belangen heeft, terwijl klaagster van haar man had begrepen dat de wijziging van de huwelijksvoorwaarden geen wijziging bracht in haar rechten bij een toekomstige verdeling en dat het alleen ging om zakelijke risico’s (continuïteit van de ondernemingen) te vermijden.

Bij het tweede gesprek is de akte kort voorgelezen en is klaagster er evenmin op gewezen wat voor haar de consequenties waren van de gewijzigde huwelijksvoorwaarden.

In de loop van 2012 heeft de man klaagster meegedeeld dat zijn ondernemingen een waarde hadden van

€ 9.000.000,-, en dat hij voor 100% en 70% aandeelhouder was in verschillende ondernemingen.

De echtscheiding en de afwikkeling daarvan hebben klaagster dermate aangegrepen dat zij zich medio 2013 onder medische behandeling heeft moeten stellen en circa 8 weken opgenomen is geweest.

De notaris heeft het volgende aangevoerd. De klacht is op 14 februari 2014 bij de Kamer ingekomen. Het eerste contact met klaagster en haar man inzake wijziging huwelijksvoorwaarden is op 23 mei 2007 geweest. Klaagster dient derhalve niet ontvankelijk te worden verklaard, aangezien de vervaltermijn is verstreken. Alleen het handelen van de notaris na 14 februari 2011 kan worden beoordeeld. Na deze datum zijn slechts de akten houdende wijziging huwelijksvoorwaarden en de akte van verdeling gepasseerd.

Zoals gezegd is het eerste contact met klaagster en haar man in 2007 geweest. Uiteindelijk is de akte wijziging huwelijksvoorwaarden in 2011 getekend, zodat partijen ruim 3,5 jaar de tijd hebben gehad om zich voor te bereiden op de wijzigingen. In deze periode hebben klaagster en de man drie brieven (na de besprekingen op 19 juni 2007, 13 oktober 2010 en 16 februari 2011) met conceptakten van de notaris ontvangen. De notaris heeft drie uitvoerige besprekingen (van steeds een uur of meer) met partijen gevoerd. Tijdens deze besprekingen was klaagster actief betrokken. De notaris heeft klaagster bij die besprekingen leren kennen als iemand die wel degelijk voor haar belangen opkwam. Klaagster heeft nimmer laten blijken dat zij niet begreep wat er gewijzigd zou worden. De actieve inbreng van klaagster blijkt uit het feit dat zij:

- een uitgebreide specificatie van de aan haar toe te delen inboedel heeft aangeleverd;

- op 13 oktober 2010 het rekest voor de rechtbank heeft ondertekend;

- tijdens het passeren het doorhalen van de passage over periodieke verrekening in artikel 8 lid 3 van de akte tot wijziging huwelijksvoorwaarden bij renvooi heeft ondertekend.

Ook heeft klaagster – na voorlezing en Belehrung – de akte tot wijziging huwelijksvoorwaarden en de akte tot verdeling op 16 februari 2011 ondertekend.

Tegenover het schrappen van de periodieke verrekening stond een aantal – voor klaagster tot voordeel strekkende – regelingen, te weten:

1. de woning is aan klaagster toebedeeld, terwijl op grond van artikel 6 sub 1b. van de akte wijziging huwelijksvoorwaarden, de kosten van de gemeenschappelijke huishouding volledig ten laste van de man kwamen, inclusief de rente en aflossing van de hypotheek op de echtelijke woning;

2. de directe toedeling van de echtelijke woning aan klaagster tegen een al vastgestelde maximale waarde van

€ 420.000,- (totale hypotheekschuld) in de finale verrekening (artikel 8 lid 3 van de huwelijksvoorwaarden), zodat een eventueel hogere waarde bij de ontbinding van het huwelijk volledig zou toekomen aan klaagster;

3. de directe toedeling aan klaagster van alle inboedelgoederen;

4. de directe toedeling aan klaagster van de rechten uit hoofde van de bestaande levensverzekering;

5. klaagsters vordering op de man bij ontbinding van het huwelijk ter hoogte van het alsdan bestaande hypothecaire lening (tot een bedrag van € 210.000,-, ongeacht de te zijner tijd resterende hoogte van de hypothecaire lening);

6. de vordering bij echtscheiding die ten behoeve van klaagster is vastgesteld op € 30.000,- vanaf 1 januari 2011 elk jaar te verhogen met € 10.000,-.

Dit alles was bedoeld als compensatie voor eventueel in de toekomst mis te lopen verrekeningen van overgespaard inkomen, terwijl er op dat moment in alle huwelijksjaren daarvoor niets verrekend was. Daarbij merkt de notaris op dat het feit dat de waarde van de onderneming van de man niet in geval van echtscheiding bij de verrekening (partijen zouden dan afrekenen als ware er een huwelijksgemeenschap) betrokken zou worden, geen wijziging betekent ten opzichte van de situatie op grond van de oude huwelijksvoorwaarden. Immers toen was een volledige uitsluiting van elke gemeenschap overeengekomen zonder enige bepaling betreffende verrekening bij echtscheiding.

Op 24 september 2014 heeft de man op verzoek van de notaris verklaard dat klaagster wel degelijk wist waarom zij de huwelijksvoorwaarden wijzigden en dat klaagster daar uitdrukkelijk mee heeft ingestemd.

Het argument van partijen om de huwelijksvoorwaarden te wijzigen is steeds het waarborgen van de continuïteit van de onderneming van de man geweest.

De beoordeling van de ontvankelijkheid

Hiervoor is artikel 99 lid 15 van de Wet op het notarisambt [Wna] van belang. Dit artikel bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven heeft kennisgenomen. Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis [Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12] als volgt verwoord:

“[...] De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. [...]”

Hieruit volgt dat deze vervaltermijn een aanvang neemt zodra een klager kennis draagt van het handelen of nalaten van een notaris, en dus niet op het moment dat een klager tot de opvatting komt dat zodanig handelen of nalaten klachtwaardig is. Daarbij moet onderscheid worden gemaakt tussen het aan klager bekend worden van het handelen van de notaris enerzijds en het bekend worden van diens nalaten anderzijds. Van een handelen van de notaris blijkt in het algemeen op enige wijze naar buiten zoals in de vorm van een gegeven advies of in de vorm van een akte. Ook van het nalaten van een notaris zal moeten blijken. Hiervan kan sprake zijn indien de gevolgen van dat nalaten zichtbaar worden of indien op enige andere wijze dat nalaten bekend wordt. Een redelijke uitleg van artikel 99 lid 15 Wna brengt met zich dat de vervaltermijn ingeval van een nalaten begint te lopen zodra van dat nalaten op enige wijze aan klager blijkt.

De Kamer is van oordeel dat in het onderhavige geval de vervaltermijn is gaan lopen vanaf 16 februari 2011, de dag dat de akte van wijziging huwelijkse voorwaarden voor de notaris is verleden, waarbij klaagster aanwezig was. Vanaf dat moment was klaagster op de hoogte van de gedraging waarover wordt geklaagd, althans werd zij dat geacht te zijn. De klacht is ingediend per e-mail en faxbericht op 14 februari 2014, vóór het verstreken zijn van de vervaltermijn van drie jaren. Klaagster kan worden ontvangen in haar klacht. De Kamer is verder van oordeel dat de werkzaamheden die aan het passeren van de akte vooraf zijn gegaan tot uitdrukking zijn gekomen in het passeren van de akte en uit dien hoofde vallen onder het gedrag waarover geklaagd kan worden (aangezien geklaagd is binnen de geldende termijn na het passeren van de akte). Ook voor die werkzaamheden geldt dat de termijn waarbinnen geklaagd dient te worden niet verstreken is. De Kamer komt toe aan een inhoudelijke behandeling van de klacht.

De beoordeling van de klacht

Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 van de Wet op het notarisambt (Wna). Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. 

In het kader van de Belehrung is de notaris gehouden om bij het passeren van de akte zich ervan te vergewissen dat de akte daadwerkelijk de wil van partijen weergeeft en dat partijen begrijpen wat de gevolgen van de neergelegde afspraken zijn. Vast is komen te staan dat klaagster driemaal aanwezig is geweest bij besprekingen met de man en de notaris over de wijziging van de huwelijksvoorwaarden en de akte van verdeling. Vervolgens zijn door de notaris driemaal concepten opgesteld vergezeld van een begeleidende brief. Deze concepten zijn naar de echtelijke woning van klaagster en de man verzonden, gericht aan beide partijen. Ook is vast komen te staan dat klaagster, zoals daarom verzocht door de notaris, een lijst met inboedelgoederen opgesteld heeft en het rekest voor de rechtbank heeft ondertekend. Op 16 februari 2011 heeft zij het renvooi in de akte tot wijziging huwelijksvoorwaarden geparafeerd en heeft zij de akte getekend. Alles overwegende heeft klaagster onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat de notaris niet zou hebben voldaan aan de Belehrung. De Kamer acht het verweer van de notaris steekhoudend. De klacht is derhalve ongegrond.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.J. Paris, voorzitter, A.F.L. Geerdes, F. Hoppel, J.P. van Loon en H.M. Kolster en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2014.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.