ECLI:NL:TNORDHA:2014:33 Kamer voor het notariaat Den Haag 14-67

ECLI: ECLI:NL:TNORDHA:2014:33
Datum uitspraak: 05-11-2014
Datum publicatie: 20-11-2014
Zaaknummer(s): 14-67
Onderwerp: Overig
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: De notaris heeft een herzieningsverzoek ingediend tegen een beslissing van de Kamer.

Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag

Beslissing van 5 november 2014 op het verzoek van mr. [X], kandidaat-notaris te [vestigingsplaats], voorheen notaris te [vestigingsplaats], tot herziening van de beslissing van de Kamer van 18 december 2013, waarbij de beslissing van mr. M.G.L. den Os-Brand, plaatsvervangend voorzitter van de Kamer, tot schorsing op de voet van het gestelde in artikel 106 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna), werd bekrachtigd van:

mr. [X],

hierna ook te noemen: notaris,

advocaat mr. G.L. Maaldrink te Den Haag.

Procesgang

1. Bij beslissing van 20 november 2013 - die aan deze beslissing is gehecht en wordt geacht hierin te zijn overgenomen -  heeft de plaatsvervangend voorzitter bij wijze van ordemaatregel, ingevolge artikel 106 lid 1 Wna, de notaris geschorst met ingang van 21 november 2013 om 00.00 uur en haar verboden om in haar protocol ambtelijke werkzaamheden uit te voeren, tot het moment waarop zij aan haar in de beslissing genoemde verzekeringsplicht had voldaan.

2. In een e-mail van de heer W.J. Geselschap van de KNB van 21 november 2013 om 13.21

uur stond het volgende vermeld:

“Geachte mevrouw [X],

Zojuist ontving ik via onze verzekeringsmakelaar het bericht dat uw aanvraag om

gedekt te worden tegen beroepsaansprakelijkheid onder de KNB verzekering — bij

hoge uitzondering - alsnog is geaccepteerd. U bent derhalve alsnog gedekt onder de

verzekeringen waarvan de KNB verzekeringsnemer is en zal hiervoor op korte termijn

een nota ontvangen. Ik heb de secretaris van de kamer voor het notariaat inmiddels

(ook) telefonisch geïnformeerd over deze ontwikkeling. Voor de volledigheid kopieer ik

ook mevrouw Bleeker van het Bft in, bij dit mailbericht.

Met vriendelijke groet,

Willem Geselschap”.

3. Nu is aangetoond dat de notaris heeft voldaan aan haar verzekeringsplicht is de schorsing bij beslissing van mr. M.G.L den Os-Brand op 21 november 2013, met ingang van 22 november 2013 te 0.00 uur, opgeheven.

4. Ingevolge artikel 106 jo 27 lid 1, tweede volzin Wna, diende de Kamer de opgelegde maatregel van 20 november 2013 binnen vier weken te bekrachtigen. Nu er verder geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gebleken welke grond zouden geven voor het niet bekrachtigen van de schorsing, heeft de Kamer met overneming van de overwegingen van de beslissing d.d. 20 november 2013 deze beslissing bekrachtigd op 18 december 2013. De notaris heeft geen hoger beroep ingesteld.

5. Op 10 juni 2014 is bij de Kamer een verzoek van de notaris ingekomen, met bijlagen, strekkende tot herziening van bovengenoemde beslissing tot bekrachtiging van de Kamer.

6. Het herzieningsverzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van de Kamer van 8 oktober 2014. Aanwezig waren de notaris en haar advocaat mr. G.L. Maaldrink. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is door de notaris, bij brief van 19 september 2014, ingekomen op 23 september 2014, nog een aantal producties in het geding gebracht.

Ontvankelijkheid van het herzieningsverzoek

De Kamer dient allereerst de vraag te beantwoorden of het herzieningsverzoek ontvankelijk is.

Als uitgangspunt geldt dat de Wna geen bepalingen kent op grond waarvan herziening van een ingevolge deze wet door de tuchtrechter gegeven onherroepelijke beslissing kan worden verzocht.

Naar vaste jurisprudentie (zie – onder meer – de beslissingen van de notariskamer van het Hof Amsterdam van 21 februari 2012 en 25 september 2012) acht het Hof herziening in het notarieel tuchtrecht, dat naar zijn aard ook burgerrechtelijke, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke elementen in zich heeft, in bijzondere gevallen, overeenkomstig de algemene beginselen van behoorlijk procesrecht, niettemin toelaatbaar.

De Kamer kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden beslissing herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij verzoeker vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. ingeval zij bij de tuchtrechter vóór de uitspraak bekend zouden zijn geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Deze vereisten zijn cumulatief.

Daarnaast geldt dat de beslissing in kracht van gewijsde moet zijn gegaan en voorts dat het verzoek tot herziening dient te worden gedaan binnen een redelijke termijn na het bekend worden bij verzoeker van de (nieuwe) feiten of omstandigheden, terwijl het verzoek eveneens zal moeten voldoen aan het bepaalde in artikel 107 lid 2 Wna.

De notaris stelt dat de notariskamer van het Hof te Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2014:1789) op 13 mei 2014 uitspraak heeft gedaan in een vergelijkbare zaak als de hare. In deze beslissing heeft het Hof de beslissing van de Kamer tot bekrachtiging van de schorsing van een dag vernietigd. Daarmee was de beslissing van de voorzitter tot schorsing van 20 november 2013 komen te vervallen. Op grond van het gelijkheidsbeginsel heeft de notaris het verzoek tot herziening ingediend.

De notaris heeft tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het BFT naast het verzoek tot het nemen van een ordemaatregel, bij de Kamer een klacht had ingediend. Toen echter bleek dat de schorsing was opgeheven, heeft het BFT de klacht tegen de notaris ingetrokken bij brief van 3 december 2013. In de beslissing van de Kamer tot bekrachtiging staat vermeld dat er verder geen feiten of omstandigheden waren gebleken welke grond zouden geven voor het niet bekrachtigen van de beslissing. Uit die formulering blijkt volgens de notaris dat de Kamer niet op de hoogte was van intrekking van de klacht door het BFT.

Verder heeft de notaris ter zitting aangevoerd dat nu pas bekend is dat zij nooit onverzekerd is geweest, omdat de KNB de premies altijd collectief voldoet. Er is alleen sprake geweest van een betalingsgeschil tussen de notaris en de KNB. De notaris heeft daarbij een beroep gedaan op een notitie mr. [Z] van [naam van een bureau] van 15 september 2014. Uit die notitie blijkt dat uit hoofde van de polis dekking aan alle notarissen was verleend (en dat de KNB ook de premie al aan de verzekeringspool had betaald), maar dat de KNB tegen de notaris deed alsof eerst sprake moest zijn van aanmelding en acceptatie bij de pool, terwijl uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst in de dekking al was voorzien.

De Kamer overweegt als volgt. In de beslissing van 20 november 2013 heeft de plaatsvervangend voorzitter de op dat moment bestaande feiten beoordeeld. De feiten stonden op die dag vast. In de beslissing van de Kamer van 18 december 2013 is zij van die bestaande feiten uitgegaan. De Kamer is van oordeel dat hetgeen door de notaris is aangevoerd geen feiten of omstandigheden opleveren zoals hierboven genoemd. Verder heeft de notaris de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen de bekrachtiging aan zich voorbij laten gaan en heeft zij de uitnodiging om gehoord te worden door de Kamer inzake de te nemen beslissing tot bekrachtiging niet geaccepteerd.

Wat betreft de notitie van [naam van een bureau] acht de Kamer de juistheid daarvan onvoldoende aannemelijk gemaakt. [naam van een bureau] geeft slechts een mening weer, met een subsidiaire variant, niet gesteund door producties van de zijde van de KNB. Integendeel, uit de geciteerde mail van de heer Geselschap volgt juist dat de notaris wel onverzekerd is geweest.

Wat er van het naar voren gebrachte zij, het betreffen geen feiten en omstandigheden op grond waarvan een beslissing kan worden herzien. Dit leidt ertoe dat de notaris niet kan worden ontvangen in haar klacht.

De beslissing

De Kamer voornoemd:

wijst het herzieningsverzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mrs. G.P. van Ham, voorzitter, A.F.L. Geerdes, F. Hoppel, J.P. van Loon en H.M. Kolster en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 5 november 2014.

Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH  Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.