ECLI:NL:TNORDHA:2014:19 Kamer voor het notariaat Den Haag 13-74
| ECLI: | ECLI:NL:TNORDHA:2014:19 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 21-05-2014 |
| Datum publicatie: | 21-06-2014 |
| Zaaknummer(s): | 13-74 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht |
| Beslissingen: | |
| Inhoudsindicatie: | Klagers betwijfelen of de notaris bij het passeren van het testament van erflater op 21 oktober 2013 zorgvuldig en integer heeft gehandeld. |
Kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag
Beslissing d.d. 21 mei 2014 inzake de klacht onder nummer 13-74 van:
[klager],
en
[klaagster],
hierna tezamen te noemen: klagers,
tegen
mr. [notaris],
notaris te [vestigingsplaats],
hierna te noemen: de notaris.
De procedure
De Kamer heeft kennisgenomen van:
· de klacht van 10 november 2013, met bijlage, ingekomen op 12 november 2013,
· het antwoord van de notaris,
· de repliek van klagers,
· de dupliek van de notaris.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 april 2014. Daarbij waren aanwezig klagers en de notaris bijgestaan door haar medewerker, tevens zuster, mr. [X] en kantoorgenoot mr. [Y].
Van het verhandelde is procesverbaal opgemaakt.
De feiten
Tussen klagers en hun buren, de heer en mevrouw [Z], is in de loop der jaren een nauwe (quasi-familie) band ontstaan. Klagers waren in de ogen van hun buren de kinderen die zij nooit hebben gehad. Klagers hadden een sleutel van het huis van de buren. Klagers hebben het huis en de tuin van hun buren verbouwd. Zo’n tien jaar geleden vroegen de buren aan klagers of zij hun huis wilden erven. Vervolgens ging de gezondheid van de buurman en buurvrouw achteruit en hebben klagers de zorg voor hen op zich genomen. Op 4 oktober 2013 is de buurvrouw overleden. Op 21 oktober 2013 heeft de buurman een testament gemaakt, dat door de notaris is gepasseerd. Op 23 oktober 2013 is de buurman (hierna te noemen: erflater) overleden.
De klacht en het verweer van de notaris
Klagers betwijfelen of de notaris bij het passeren van het testament van erflater op 21 oktober 2013 zorgvuldig en integer heeft gehandeld. Zij vragen zich af hoe het mogelijk is dat iemand die al twee weken in shock verkeerde, omdat zijn vrouw twee weken daarvoor overleden was, zijn hele testament heeft gewijzigd terwijl hij zelf stervende was en aan de morfine zat.
Na het overlijden van erflater kregen klagers tot hun verbijstering van een neef van erflater te horen dat zij krachtens het testament van 21 oktober 2013 samen een legaat hadden gekregen van € 25.000,-. De neef was tot enig erfgenaam en executeur benoemd. Deze neef had echter nauwelijks contact met erflater. Klagers zijn kapot van verdriet. Samen hadden zij een legaat gekregen van € 25.000,-, in plaats van dat zij, zoals zij dachten, het huis hadden geërfd.
De notaris heeft aangevoerd dat aan het tekenen van het testament een heel proces voorafgegaan is. Op 18 oktober 2013 heeft in het ziekenhuis waar erflater verbleef, een uitgebreide bespreking plaatsgevonden tussen erflater en een van de juristen van het kantoor van de notaris, mevrouw mr. [notaris]. Bij dit gesprek waren geen derden aanwezig. Op 21 oktober 2013 is door het ziekenhuis telefonisch contact opgenomen met het kantoor van de notaris om een tijdstip af te stemmen om het testament te tekenen, zodat het ziekenhuis daarna met de (verdere) medicatie kon beginnen. De notaris is vervolgens diezelfde dag met twee getuigen naar het ziekenhuis gegaan. De notaris heeft toen, alleen in aanwezigheid van de twee getuigen, uitgebreid met erflater gesproken om zich ervan de overtuigen dat erflater in staat was zijn wil te bepalen, deze wil
ook uit te spreken en of de inhoud van het testament overeenkomstig de wil van erflater was. Dit is de notaris zonder enige twijfel gebleken. Daarna is het testament in zijn geheel voorgelezen en door alle aanwezigen getekend. De notaris heeft al het mogelijke gedaan om uitvoering te geven aan de laatste wil van erflater.
Erflater was al een aantal jaren cliënt van het notariskantoor. De overtuiging van klagers dat zij in eerdere testamenten erfgenamen of begunstigden zouden zijn, anders dan uit het laatste testament blijkt, is niet gebaseerd op de notaris bekende feiten of zich in het dossier bevindende stukken.
Volgens de notaris ontbreekt het belang van klagers voor het indienen van deze klacht.
De beoordeling van de ontvankelijkheid
Artikel 99, eerste lid van de Wet op het notarisambt (Wna) bepaalt, voor zover hier van belang, dat klachten kunnen worden ingediend door “een ieder met enig redelijk belang”.
Vast staat dat klagers geen partij zijn geweest bij de akte waartegen zij ageren. Klagers hebben echter onweersproken gesteld dat zij een nauwe (quasi-familie)band met erflater en zijn echtgenote hadden en vast is komen te staan dat klagers samen een legaat krijgen van € 25.000,-, terwijl zij stellen dat dit naar hun overtuiging een veel grotere making was geweest en dat zij dus door dit laatste testament benadeeld zijn. Het (indirect en/of afgeleid) belang van klagers is naar het oordeel van de Kamer daarmee voldoende vast komen te staan. Klagers kunnen ontvangen worden in hun klacht. De Kamer komt derhalve toe aan een verdere inhoudelijke behandeling van de klacht.
De beoordeling van de klacht
Ter beoordeling van de Kamer staat of de notaris heeft gehandeld in strijd met de tuchtnorm als geformuleerd in artikel 93 van de Wet op het notarisambt (Wna). Een notaris is aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die hij als notaris behoort te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve hij optreedt, alsmede ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt.
De Kamer overweegt het volgende. Klagers twijfelen aan de integriteit en zorgvuldigheid van de notaris bij het passeren van het testament van erflater in oktober 2013. Zoals is vermeld in het “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening” dient een notaris eerst indien er aanleiding bestaat om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van een cliënt, diens geestesgesteldheid nader te onderzoeken. De notaris heeft aangevoerd dat zij geen enkele reden had om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflater. Klagers hebben daar tegenover op geen enkele wijze aannemelijk kunnen maken dat erflater wilsonbekwaam was ten tijde van het opstellen en passeren van het testament. Uit de omstandigheid dat erflater tijdens een bezoek van klagers in de middag van 21 oktober 2013 nauwelijks aanspreekbaar was, volgt niet, althans niet zonder meer, dat erflater eerder die dag zijn wil niet heeft kunnen bepalen en uiten, op de wijze zoals de notaris heeft aangevoerd. Verder is niet komen vast te staan dat klagers in een eerder testament van erflater en/of zijn echtgenote benoemd waren tot erfgenamen of begunstigden. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de notaris aangevoerd dat zij vanwege haar geheimhoudingsplicht niet veel kan loslaten over de totstandkoming van de inhoud van het testament. Ten opzichte van het eerdere testament waren er een paar aanpassingen. In plaats van goede doelen moest de neef benoemd worden tot enig erfgenaam en executeur. De goede doelen (anbi’s) die eerst erfgenaam waren onder de last de neef een legaat uit te keren, werden hierbij dan nu de legatarissen. De neef was op grond van een eerder levenstestament van erflater al gevolmachtigde, zodat de benoeming van de neef tot executeur en de omwisseling van erfgenaam en legatarissen voor de notaris niet tot extra oplettendheid had moeten dwingen. De Kamer acht het verweer van de notaris steekhoudend. De Kamer acht de klacht derhalve ongegrond.
De beslissing
De Kamer voornoemd:
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. M.G.L. den Os-Brand, voorzitter, A.F.L. Geerdes, F. Hoppel, J.P. van Loon en R.B. van der Horst en in tegenwoordigheid van de secretaris, mr. F.S. Pietersma-Smit, in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2014.
Kopie van deze beslissing wordt bij aangetekende brief aan partijen gezonden. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam, binnen dertig dagen na de dagtekening van genoemde brief.