ECLI:NL:TNORARL:2026:16 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden C/05/455514 / KL RK 25-114

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2026:16
Datum uitspraak: 04-03-2026
Datum publicatie: 08-10-2026
Zaaknummer(s): C/05/455514 / KL RK 25-114
Onderwerp: Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap
Beslissingen: Verzet ongegrond
Inhoudsindicatie: Nu de nalatenschap in overeenstemming met de testamenten van erflater is afgewikkeld en klager geen boedelgemachtigde meer is, acht de kamer het door klager aangevoerde niet voldoende voor het aannemen van een redelijk belang van klager bij zijn klacht. Ook het door klager benoemde belang van aangifte levert naar het oordeel van de kamer onvoldoende grond op voor het aannemen van een redelijk belang. Niets staat er immers aan in de weg voor klager om (alsnog) aangifte te doen. Voor zover klager met zijn verwijzing naar een (niet nader gespecificeerd) maatschappelijk belang meent een algemeen belang bij zijn klacht te hebben, overweegt de kamer dat dit eveneens onvoldoende is voor het aannemen van een redelijk belang. Dit zou de zekere begrenzing die artikel 99 lid 1 Wna beoogt aan te brengen in de kring van klachtgerechtigden illusoir maken. De kamer komt zodoende tot het oordeel dat de voorzittersbeslissing de klacht van klager terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaart in verband met gebrek aan redelijk belang en in stand moet blijven. Het verzet is ongegrond.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: C/05/455514 / KL RK 25-114

beslissing van de kamer voor het notariaat

op het verzet van

[klager],

wonende te [woonplaats],

klager

tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 25 juli 2025 (C/05/450435 / KL RK 25-61)

op de klacht van klager tegen

[naam],

kandidaat-notaris te [plaats]

gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo.

Partijen worden hierna respectievelijk klager en de kandidaat-notaris genoemd.                                                                                                  

1. Het verloop van de procedure

1.1 Voor het verloop van de procedure tot aan voornoemde beslissing van de voorzitter van 25 juli 2025 (hierna: de voorzittersbeslissing) verwijst de kamer naar hetgeen daarin dienaangaande is overwogen.

1.2 Op 7 augustus 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de voorzittersbeslissing. Klager heeft de gronden van zijn verzet in zijn verzetschrift, met bijlage, toegelicht.

1.3 Het verzet is behandeld ter zitting van 31 oktober 2025. Daarbij is klager (digitaal) verschenen.

2. De feiten

2.1 Voor de feiten gaat de kamer uit van hetgeen in de voorzittersbeslissing is overwogen, met uitzondering van de feiten onder 2.3, 2.4, 2.5, 2.7 en 2.11 van de voorzittersbeslissing. Door klager zijn bezwaren ingebracht tegen de bewoordingen van de feiten onder 2.3, 2.4, 2.5 en 2.11. De kamer zal deze feiten, alsmede de feiten onder 2.7 (in verband met de leesbaarheid en de samenhang met de feiten onder 2.11), herformuleren. De overige feiten zijn hieronder integraal uit de voorzittersbeslissing overgenomen:

“De voorzitter verwijst voor de feiten naar wat de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van het Gerechtshof Amsterdam heeft vastgesteld in haar beslissing van 25 juni 2024 met kenmerk 200.336.931/01 NOT. Deze feiten zijn door partijen niet betwist, zodat de voorzitter ook van deze feiten uitgaat.

Samengevat en waar nodig aangevuld met feiten die in deze procedure zijn komen vast te staan, zijn de feiten als volgt.

2.1. Erflater is overleden op 24 juli 2020. Klager is zijn neef en heeft vanaf 2012 gefungeerd als zijn bewindvoerder.

2.2. Bij testamenten die zijn gepasseerd op 7 april 1983 en 26 juli 1984 heeft erflater twee stichtingen tot zijn enige erfgenamen benoemd, te weten de stichting [A] en de stichting [B].

2.3. Bij akte van 4 oktober 1990 is de naam van stichting [A] gewijzigd in stichting [C].

2.4. Op 9 augustus 2020 heeft de kandidaat-notaris met klager gesproken over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Tijdens dat gesprek heeft de kandidaat-notaris aan klager voorgesteld dat hij als (beperkt) boedelgevolmachtigde zou optreden.

2.5. Op 11 augustus 2020 heeft de kandidaat-notaris het handelsregister geraadpleegd om de gegevens van de in de testamenten van erflater genoemde goede doelen te achterhalen.

2.6. Op 31 augustus 2020 heeft de kandidaat-notaris vervolgens aan beide stichtingen een volmacht beneficiaire aanvaarding verzonden. Deze verzoeken zijn echter kruislings in de verkeerde enveloppen gestopt.

2.7. Op 3 september 2020 heeft de bestuurder van stichting [B], de heer [D] (hierna: [D]), de volmacht beneficiaire aanvaarding als zijnde bestuurder van stichting “(nieuwe) [A]” ondertekend, terwijl hij hiertoe niet bevoegd was. Daarna heeft hij de volmacht retour aan de kandidaat-notaris gestuurd. Na een rappel van het notariskantoor is op 15 oktober 2020 ook de volmacht beneficiaire aanvaarding van stichting [B] door [D] ondertekend en daarna retour ontvangen. Op 16 oktober 2020 heeft de kandidaat-notaris de volmachten aan de Rechtbank Midden-Nederland (hierna: de rechtbank) gestuurd, waarna de rechtbank op 20 oktober 2020 de akte van beneficiaire aanvaarding heeft opgemaakt.

2.8. Bij e-mail van 23 maart 2021 heeft klager de kandidaat notaris geschreven: “Aangezien er geen voortgang in de afhandeling van de nalatenschap van mijn oom zit, heb ik contact opgenomen met de erven stg. [B] en enige dagen later met stg. [C], waar de rechten van de tweede erve stg [A] voor zover ik weet rusten. Van stg. [C] heb ik inmiddels vernomen dat er tot nu toe geen enkel contact heeft plaatsgevonden (…) er moet dus een misverstand bestaan (…)”.

2.9. Op 30 maart 2021 heeft klager aan notaris [E], collega van de kandidaat-notaris, zijn klachten over de afhandeling van het dossier door de kandidaat-notaris geuit. Klager schrijft: “Na recent gemaakt contact en overleg met [D] van stichting [B] die bedeeld is in de nalatenschap, kwam naar voren dat de rechten van de tweede erve zo goed als zeker bij de stichting [C] zouden rusten, aangezien er een naamsverandering heeft plaatsgevonden. (…) Deze stichting is nog niet benaderd in verband met de nalatenschap. Ogenschijnlijk is er een andere stichting ten onrechte bedeeld. Dat zou de in 1994 opgerichte stichting, met dezelfde naam als de in de erfenis bedeelde [A] kunnen zijn (…)”. Bij zijn e-mail heeft klager als bijlage de akte van 4 oktober 1990 (naamswijziging stichting [A]) meegestuurd.

2.10. Bij e-mail van 30 maart 2021 heeft de kandidaat-notaris de mail van klager beantwoord met: “Het spijt me oprecht voor de ontstane verwarring en we gaan aan de slag om dit snel in orde te maken. De naam van de stichting kwam in het handelsregister naar boven en wij waren er vanuit gegaan dat dit de juiste erfgename was. Inmiddels blijkt dat de ‘oude’ stichting een naamwijziging heeft ondergaan. Mijn collega mevrouw [naam collega] zal aan [medewerker stichting [C] de verklaring van beneficiaire aanvaarding toesturen. Deze ontvangen wij graag door de daartoe bevoegde persoon ondertekend retour, waarna we voor snelle indiening (en opvolging) bij de Rechtbank zullen zorgdragen (…)”.

2.11. Op 23 april 2021 heeft de rechtbank de akte van beneficiaire aanvaarding (ten behoeve van stichting [C]) opgemaakt. Vervolgens heeft de kandidaat-notaris (als waarnemer van notaris [E]) op 25 mei 2021 de verklaring van erfrecht afgegeven.

De nalatenschap van erflater is afgewikkeld en alleen de juiste erfgenamen hebben hun deel ontvangen.”

3. De beoordeling van het verzet

3.1 Tijdigheid van het verzet

3.1.1 Voordat wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van het verzet, moet eerst worden vastgesteld of klager in het verzet kan worden ontvangen.

3.1.2 Op grond van artikel 99 lid 15 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) kan klager binnen veertien dagen na de dag van verzending van het afschrift van de voorzittersbeslissing schriftelijk verzet instellen tegen de voorzittersbeslissing. Klager dient hierbij gemotiveerd aan te geven met welke overwegingen van de voorzitter hij zich niet kan verenigen.

3.1.3 Het afschrift van de voorzittersbeslissing is op 25 juli 2025 per e-mail aan klager verzonden. Dit betekent dat de termijn van artikel 99 lid 15 Wna op 26 juli 2025 is aangevangen. Het verzetschrift van klager is op 7 augustus 2025 door de kamer ontvangen, derhalve binnen de wettelijke termijn van veertien dagen. Klager kan dan ook in zijn verzet worden ontvangen.

3.2 Gronden van de voorzittersbeslissing

3.2.1 Het verzet richt zich tegen de voorzittersbeslissing waarbij de klacht van klager kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard in verband met gebrek aan redelijk belang van klager bij zijn klacht, onder verwijzing naar artikel 99 lid 1 Wna. De voorzitter heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat over het handelen van de kandidaat-notaris bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater al op 22 december 2023 door de kamer is beslist (hierna: de eerdere tuchtprocedure). Daarbij kreeg de kandidaat-notaris de maatregel van waarschuwing opgelegd. Deze beslissing is in hoger beroep bevestigd. De voorzitter is daarom van oordeel dat over het handelen van de kandidaat-notaris niet (meer) kan en behoeft te worden geoordeeld. Daarnaast is de nalatenschap inmiddels correct afgerond en hebben de erfgenamen hieruit hun deel ontvangen. De voorzitter overweegt dat niet gesteld of gebleken is wat het belang van klager nog is bij het opnieuw indienen van een klacht over de gang van zaken bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater en dat dan ook niet kan worden vastgesteld dat klager op enige wijze in zijn belangen is geschaad. Het feit dat klager in februari 2024 voorheen onbekende stukken van de rechtbank ontvangen heeft, doet daar volgens de voorzitter niet aan af.

3.3 Het standpunt van klager

3.3.1 Klager is het oneens met de voorzittersbeslissing, op de volgende gronden – voor zover hier van belang. Hij stelt zich op het standpunt weliswaar buiten de nalatenschap van erflater te staan en geen direct betrokkene te zijn maar wel belang te hebben bij de uitvoering van de nalatenschap. Hij bewaakt immers de laatste wil van erflater (wijlen zijn oom), omdat de kandidaat-notaris dit heeft nagelaten. Als bijkomend belang noemt klager het belang van aangifte. Ook refereert hij aan een zeker maatschappelijk belang.

3.3.2 Daarnaast betwist klager dat het in deze procedure gaat om dezelfde klacht als in de eerdere tuchtprocedure. Tijdens de zitting van de kamer in die eerdere procedure is aan de kandidaat-notaris maar één vraag gesteld omtrent de aantijgingen en die vraag is niet beantwoord. Bovendien waren de stukken uit het boedelregister toen nog niet door klager ontvangen en was er daardoor ook geen significant bewijs. Het gaat volgens klager daarom om een onvolledige beslissing. De achtergehouden fraude is onbehandeld gebleven. Door de voorzitter van de notaris- en de gerechtsdeurwaarderskamer van het Gerechtshof Amsterdam is volgens klager ook de toezegging gedaan dat de zaak in zijn geheel opnieuw bekeken zou worden, als klager zijn klachten opnieuw zou indienen.

3.3.3 Tot slot stelt klager zich op het standpunt dat hij voldoet aan het gestelde in artikel 99 lid 21 Wna betreffende de vervaltermijn. De klachten zijn sinds 2021 onophoudelijk aan de orde geweest. Pas met de ontvangst van de bewijsstukken van de rechtbank in februari 2024 is klager daadwerkelijk op de hoogte geraakt van de onrechtmatigheden.

3.4 De norm

3.4.1 Artikel 99 lid 11 Wna bepaalt dat de voorzitter de klacht na een summier onderzoek terstond bij een met redenen omklede beslissing kan afwijzen, indien zij van oordeel is dat deze kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond is, of van onvoldoende gewicht. In verzet moet getoetst worden of deze beslissing op goede gronden gegeven is. Als de kamer oordeelt dat het verzet gegrond is, vervalt de voorzittersbeslissing en neemt de kamer de klacht overeenkomstig artikel 99 lid 20 Wna in verdere behandeling.

3.5 Toetsing

3.5.1 De kamer ziet aanleiding om de verschillende onderdelen van de klacht van klager zoals die zijn weergegeven in de voorzittersbeslissing, als volgt te herformuleren:

I. de kandidaat-notaris heeft het dwingende bewijs van de dubbele identiteitsfraude achtergehouden. Deze dubbele identiteitsfraude had betrekking op een van de twee volmachten bij de eerste ingeschreven akte van beneficiaire aanvaarding van 20 oktober 2020; de volmacht van de niet-gerechtigde stichting “(nieuwe) [A]” was immers getekend door een bestuur dat niet gerechtigd was namens deze stichting te tekenen;

II. de kandidaat-notaris heeft het bestaan van de herstelakte van 20 oktober 2020, die het dwingende bewijs bevatte dat de fraude geëscaleerd was, verzwegen;

III. de kandidaat-notaris gaf meerdere keren (valselijk) als feit aan dat de bestuurder van stichting [B]ook de bestuurder van stichting “(nieuwe) [A]” zou zijn;

IV. de kandidaat-notaris fingeerde dat ze op basis van de tot dan toe ingeschreven akte(n) van beneficiaire aanvaarding, waaronder feitelijk ook de verzwegen herstelakte van 20 oktober 2020, nog steeds in staat was een verklaring van erfrecht op te stellen en misbruikte covid en de lockdowns als excuus voor de vertraging;

V. de kandidaat-notaris insinueerde dat ze pas eind maart 2021 op de hoogte was van het feit dat stichting “(nieuwe) [A]” in 1994 was opgericht, terwijl ze er voor 2 november 2020 al van op de hoogte raakte dat stichting “(nieuwe) [A]” niet gerechtigd was; zij liet deze stichting immers destijds al schrappen uit de akte van beneficiaire aanvaarding;

VI. de kandidaat-notaris suggereerde dat er in 2021 een herstelakte was opgemaakt om de akte van beneficiaire aanvaarding te corrigeren, hetgeen met de door klager uit het boedelregister ontvangen documenten in strijd is;

VII. de kandidaat-notaris verzweeg dat notaris [F], die niet betrokken was bij de eerste akte van beneficiaire aanvaarding en de herstelakte van 20 oktober 2020, zich op 27 mei 2021 liet registreren bij de rechtbank als de bij de nalatenschap van erflater betrokken notaris, terwijl de verklaring van erfrecht (25 mei 2021) door de kandidaat-notaris onder het protocol van notaris [E] was opgemaakt. Tijdens de mondelinge behandeling van het hoger beroep van de eerdere tuchtprocedure (16 mei 2024) gaf de kandidaat-notaris bovendien aan dat de inschrijving van notaris [F] weer was aangepast, hetgeen volgens klager gezien de bindende vastlegging niet mogelijk is;

VIII. de kandidaat-notaris heeft de frauderende bestuurder [D] in bescherming genomen en heeft getracht rechtsvervolging van identiteitsfraude te voorkomen. Zij heeft de belangen van klager ondergeschikt gemaakt aan haar eigen belang en aan het belang van [D], om haar fouten, nalatigheden en de manier waarop zij door [D] gemanipuleerd is, te verhullen.

3.5.2 De kamer merkt op dat het merendeel van de hiervoor genoemde klachtonderdelen betrekking heeft op documenten uit het boedelregister. Hieruit bleek dat er bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater een foutief ondertekende volmacht beneficiaire aanvaarding bij de rechtbank was ingediend, die op 20 oktober 2020 middels een herstelakte werd ingetrokken. De betreffende documenten uit het boedelregister heeft klager in februari 2024 van de rechtbank ontvangen, naar aanleiding van een herhaaldelijk door hem daartoe gedaan verzoek. Gelet op de inhoud van de verschillende klachtonderdelen en van de rest van het klaagschrift, stelt de kamer vast dat klager klaagt over het achterhouden van het bewijs van de identiteitsfraude door de kandidaat-notaris, waardoor de dader niet vervolgd kon worden (klachtonderdeel VIII), en over het verhullen en verdraaien van feiten door de kandidaat-notaris in haar verweerschrift in de eerdere tuchtprocedure (klachtonderdelen I-VII). In de eerdere tuchtprocedure verweet klager de kandidaat-notaris, kort samengevat, dat ze bij de afwikkeling van de nalatenschap van erflater gebrekkig had gecommuniceerd, dat ze niet voortvarend had gehandeld en dat ze meer onderzoek had moeten doen naar de gerechtigde stichting. Het tegen deze verwijten gerichte verweerschrift is door de kandidaat-notaris op 15 mei 2023 bij de kamer ingediend (en op 22 mei 2023 door de kamer naar klager gestuurd).

3.5.3 In de voorzittersbeslissing is de voorzitter niet aan een inhoudelijke beoordeling van de onderhavige klacht van klager toegekomen, omdat zij van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk is in verband met gebrek aan redelijk belang van klager bij zijn klacht. De kamer verenigt zich met dit oordeel van de voorzitter en, zij het gedeeltelijk, met de gronden waarop dit oordeel berust. In deze verzetsprocedure zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die tot een ander oordeel leiden. Ter toelichting wordt het volgende overwogen.

3.5.4 In artikel 99 lid 1 Wna staat dat klachten tegen (kandidaat-) notarissen door een ieder met enig redelijk belang kunnen worden ingediend. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een rechtstreeks belang bij de klacht niet zonder meer is vereist. Ook een indirect of afgeleid belang kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure door de wetgever beoogd.

3.5.5 De kamer stelt voorop dat eventuele misslagen tijdens de afwikkeling van de nalatenschap van erflater door de kandidaat-notaris zijn hersteld. Uiteindelijk hebben de juiste erfgenamen immers hun deel uit de nalatenschap gekregen. Daar komt bij dat klager in zijn verzetschrift, ter onderbouwing van zijn belang, benadrukt dat hij buiten de nalatenschap van erflater staat en geen direct betrokkene is. Klager zou echter wel belang hebben bij de (juiste) afwikkeling van de nalatenschap, omdat hij de laatste wil van erflater bewaakt. Nu de nalatenschap in overeenstemming met de testamenten van erflater is afgewikkeld en klager geen boedelgemachtigde meer is, acht de kamer het vorenstaande door klager aangevoerde niet voldoende voor het aannemen van een redelijk belang van klager bij zijn klacht. Het feit dat de kandidaat-notaris bepaalde zaken in haar verweerschrift in de eerdere tuchtprocedure zou hebben verhuld en verdraaid, maakt dit niet anders. Ook het door klager benoemde belang van aangifte levert naar het oordeel van de kamer onvoldoende grond op voor het aannemen van een redelijk belang. Niets staat er immers aan in de weg voor klager om (alsnog) aangifte te doen. Voor zover klager met zijn verwijzing naar een (niet nader gespecificeerd) maatschappelijk belang meent een algemeen belang bij zijn klacht te hebben, overweegt de kamer dat dit eveneens onvoldoende is voor het aannemen van een redelijk belang. Dit zou de zekere begrenzing die artikel 99 lid 1 Wna beoogt aan te brengen in de kring van klachtgerechtigden illusoir maken, omdat het algemeen belang nu juist een ieder raakt (Gerechtshof Amsterdam 23 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:627).

3.5.6 De kamer komt zodoende tot het oordeel dat de voorzittersbeslissing de klacht van klager terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaart in verband met gebrek aan redelijk belang en in stand moet blijven.

3.5.7 Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

4. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

- verklaart het verzet tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van 25 juli 2025 ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. I.C.J.I.M. van Dorp, voorzitter, mr. M.J.C. van Leeuwen, mr. M.M.M. Oors, mr. C.G. Zijerveld en mr. V. Oostra, leden, en in tegenwoordigheid van mr. A.D. Meijer, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

De secretaris

 

De voorzitter

     
 

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.