ECLI:NL:TNORARL:2016:13 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2015/174

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2016:13
Datum uitspraak: 15-04-2016
Datum publicatie: 03-06-2016
Zaaknummer(s): AL/2015/174
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:   Erfeniskwestie. De broer van klager heeft bij de notaris een testament laten opmaken. In het testament zijn een Hervormde Gemeente en een Protestantse Gemeente als erfgenamen benoemd. Klager verwijt de notaris zich niet ervan te hebben vergewist dat zijn broer tot het opmaken van het testament in staat was. Volgens klager was zijn broer op dat moment door medische en psychologische oorzaken niet in staat zijn wil naar behoren te bepalen en te uiten. De kamer overweegt dat de notaris genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat voor hem geen reden aanwezig was te veronderstellen dat de erflater tot het maken van een uiterste wil onbekwaam was. Klager heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat er feiten of omstandigheden bij de notaris bekend waren of konden zijn, die de notaris hadden moeten nopen nader onderzoek te doen naar de geestesgesteldheid van de erflater. Klacht ongegrond. 

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: AL/2015/174

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van

(…),

wonende te (…),

klager,

gemachtigde: mr. (…) te (…),

tegen

mr. (…),

notaris te (…).

Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      een brief van 1 december 2015, met bijlagen, van klager

-      een brief van 19 januari 2016 van de notaris.

1.2 De klacht is behandeld ter openbare zitting van de kamer van 11 maart 2016. Ter zitting zijn verschenen klager, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de notaris. Allen hebben het woord gevoerd, de gemachtigde van klager aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota.

2. De feiten

2.1 Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en op basis van de overgelegde stukken, gaat de kamer uit van de volgende feiten.

2.2 (…) (verder te noemen: A.) was de jongere broer van klager.

2.3 De ouders van klager en A. hadden een boerderij. Klager en A. waren elf respectievelijk acht jaar toen hun vader overleed. Zij zijn op de boerderij verder

grootgebracht door hun moeder (verder te noemen: moeder).

2.4 Klager is na zijn huwelijk op de boerderij blijven wonen. A. en zijn moeder zijn  samen elders in een woning gaan wonen.

2.5 Uit het huwelijk van klager is in 1992 een zoon, B., geboren. De echtgenote van klager is vroegtijdig overleden.

2.6 In 2003 is moeder naar een verzorgingstehuis gegaan. A. is in de woning (van moeder) blijven wonen.

2.7 Op 14 juli 2004 is ten overstaan van de notaris het testament van moeder gepasseerd. Krachtens dit testament zijn klager en A. voor gelijke delen erfgenaam van moeder. Daarnaast is aan klager gelegateerd de vordering van moeder op klager inzake de bedrijfsovername indertijd en is aan A. gelegateerd moeders (aandeel in de) woning die zij met A. heeft bewoond. Moeder is in 2011 overleden.

2.8 Op 21 september 2007 is ten overstaan van de notaris het testament van A. gepasseerd. Hij heeft als erfgenamen benoemd:

- de Hervormde gemeente te (Q), voor een derde gedeelte van zijn nalatenschap, met daarbij het verzoek de nalatenschap te besteden aan het onderhoud van het kerkgebouw te (Q);

- de Protestantse Gemeente te (X), voor twee derde gedeelte van zijn nalatenschap, met daarbij het verzoek de nalatenschap gelijkelijk te besteden aan het onderhoud van het kerkgebouw te (Y) en het onderhoud aan het kerkgebouw te (Z).

Daarnaast heeft A. aan klager en zijn zoon B., gezamenlijk en voor gelijke delen, gelegateerd zijn inboedel en zijn (aandeel in) onroerende zaken. 

2.9 A. is op 13 maart 2014 overleden.

3. De klacht

3.1 Klager stelt het volgende. A. was elektromonteur. In zijn vrije tijd werkte hij graag op de boerderij van klager. Dat was anders op de dagen rond de verjaardag van B. op 20 september. Dan kwam de schoonfamilie van klager uit Friesland. Deze beschouwde A. als buitenlanders. Hij verkondigde dan dat hij een hekel had aan buitenlanders en aan kerkgangers. Het was of hij rond 20 september in een soort depressie kwam. In 1987 raakte A. halfzijdig verlamd en werd hij opgenomen in het ziekenhuis. Er volgde een langdurige behandeling en revalidatie. In 1989 was er een nieuwe opname in verband met een herhaalde halfzijdige verlamming. Tussen 1990 en 1992 werd A. langdurig behandeld in een instelling. Hij kreeg toen de diagnose MS met cerebrale werking. Toen A. ging inzien dat hij niet meer beter zou worden, werd hij zorgmijdend. Langzamerhand veranderde hij van karakter. Na in 2006 volledig arbeidsongeschikt te zijn verklaard vereenzaamde A.. Hij ontwikkelde een verstoord dag- en nachtritme en raakte geïsoleerd. 's Zondags zat A. op een stoel voor het raam en riep verwensingen naar kerkgangers, aan wie hij een hekel scheen te hebben. Met regelmaat was bij hem sprake van euforie en een verminderd verantwoordelijkheidsbesef. A. was zeer vatbaar voor suggesties. Klager en B. traden in deze periode op als zijn mantelzorgers. Klager haalde voor A. geld van de bank en regelde zijn financiën. Klager wist dat A. een testament had gemaakt, maar kende de inhoud daarvan niet. Aan derden heeft A. steeds verklaard dat B. als enige alles zou erven. A. was niet gedoopt, niet kerkelijk opgevoed, kerkte niet en liet zich – na de verandering van zijn persoonlijkheid – denigrerend uit over buitenlanders en kerkgangers. Het is niet voorstelbaar dat hij kerkgemeenten heeft willen begunstigen.

A. verkeerde op het moment van het opmaken van zijn testament door medische en psychologische oorzaken, persoonlijkheids- c.q. karakterproblematiek in een toestand waarin hij niet meer in staat was zijn wil naar behoren te bepalen en te uiten.

De notaris had zich ervan behoren te vergewissen of A. inderdaad in staat was zijn wil te bepalen en deze kenbaar te maken. Uit niets blijkt – zeker niet in de korte tijd tussen het opmaken en het tekenen van het testament – dat bij de notaris enige twijfel is gerezen, dat geheel ten onrechte. Dit is verwijtbaar.

3.2 Daarnaast voert klager nog het volgende aan. Ten tijde van het opmaken van het testament was het kerkgebouw te Y. al een aantal jaren overgegaan naar een stichting, zodat de kerkgemeente niet meer in de positie verkeerde iets aan het onderhoud van de kerk te doen. De beide andere kerken zijn kort na 2007 aan de stichting overgedragen.

De notaris had recherchewerk moeten verrichten, waaruit hem dan was gebleken dat de kerkgemeente het verzoek in het testament niet zou kunnen honoreren. De notaris had er ook rekening mee moeten houden dat er een grote kans bestond dat na het passeren van het testament een of beide andere kerkgebouwen zouden worden overgedragen, zodat dan het verzoek in het testament ook niet meer kon worden gehonoreerd.

De notaris had de desbetreffende bepaling in het testament bovendien anders moeten redigeren, omdat een verzoek te vrijblijvend is en A. de beide kerkgenootschappen niet heeft willen begunstigen. Het gaat in dit geval om grote bedragen van meer dan € 500.000,-.

3.3 De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer zal de klacht tegen de notaris aan de hand van deze maatstaf beoordelen.

4.2 De kamer stelt het volgende voorop. Klager heeft ter zitting verklaard dat, voor zover hij in zijn klachtschrift bezwaren heeft geuit tegen de handelwijze van de notaris bij het opstellen en passeren van het testament van moeder, die bezwaren niet als klacht moeten worden aangemerkt, maar als toelichting op zijn grieven inzake het testament van A.. De kamer stelt vast dat klager zijn klacht wat betreft het testament van moeder niet handhaaft.

4.3 Klager verwijt de notaris, kort gezegd, dat hij heeft nagelaten de wilsbekwaamheid van A. te verifiëren bij het op schrift stellen en verlijden van diens testament.

De kamer overweegt dat bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dient te gelden dat iedereen aan wie op grond van de wet de bekwaamheid daartoe niet is ontzegd, bij testament uiterste wilsbeschikkingen kan maken. Een notaris dient daaraan in beginsel zijn ministerie te verlenen en moet op verlangen van een testateur doen wat is vereist om diens uiterste wilsbeschikkingen in een testament vast te leggen. Zoals bij elke akte moet de notaris de wilsbekwaamheid van de betrokkene beoordelen. Het komt daarbij in eerste instantie aan op de eigen waarneming van de notaris, die daarvoor een redelijke beoordelingsvrijheid toekomt. Bij gerede twijfel aan de wilsbekwaamheid is in het algemeen  verder onderzoek aangewezen, zoals ook volgt uit het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening van de KNB.

4.4 De notaris heeft aangevoerd op 18 september 2007 uitgebreid te hebben gesproken met A. over zijn uiterste wil. De medische situatie die klager beschrijft, heeft de notaris naar zijn zeggen niet geconstateerd. Volgens de notaris wist A. precies wat hij wilde opnemen in zijn testament. Hij kon zich goed uiten tijdens het gesprek en tijdens het passeren van het testament en zijn gedachtegang was nimmer onsamenhangend, aldus de notaris. Ook bestond er geen vermoeden dat A. werd beïnvloed. Er was naar de mening van de notaris geen aanleiding te twijfelen aan het vermogen van A. een uiterste wil te maken. Daarom bestond er voor de notaris ook geen enkele reden het Stappenplan toe te passen. De indicatoren genoemd in het Stappenplan waren overigens niet op A. van toepassing. De notaris wist dat A. aan de ziekte MS leed, maar uit informatie die de notaris had ingewonnen, onder andere via de website van de Hersenstichting, was hem gebleken dat die ziekte niet de wilsbekwaamheid aantastte, maar met name lichamelijke gevolgen had.  

4.5 De kamer is van oordeel dat de notaris genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat voor hem geen reden aanwezig was te veronderstellen dat A. tot het maken van een uiterste wil onbekwaam was. Anders dan klager stelt is niet komen vast te staan dat de notaris heeft moeten twijfelen aan de wilsbekwaamheid van A.. Klager heeft niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat er feiten of omstandigheden bij de notaris bekend waren of konden zijn, die de notaris hadden moeten nopen nader onderzoek te doen naar de geestesgesteldheid van A.. Niet gebleken is dat de notaris met de – hiervoor onder 3.1 geschetste – voorvallen en ontboezemingen, voor zover al juist, bekend was. Dat de ziekte MS A. heeft belemmerd zijn wil te bepalen bij het opmaken van het testament, is niet komen vast te staan.

4.6 Overeenkomstig de wil van A. heeft de notaris in het testament opgenomen een verzoek aan de erfgenamen (de protestantse gemeenten) om de nalatenschap te besteden aan het onderhoud van met name genoemde kerkgebouwen. Naar zeggen van de notaris heeft A. uitdrukkelijk te kennen gegeven in dit geval geen last te willen opleggen aan de erfgenamen. De wens van A. is dus geweest dat de erfgenamen in beginsel vrij dienden te zijn de nalatenschap te benutten zoals zij goeddachten. Gelet op deze omstandigheden is de kamer van oordeel dat de notaris A. er niet op heeft hoeven te wijzen dat de kerkgebouwen (te zijner tijd) niet meer in het bezit van de protestantse gemeenten (zouden) zijn of dat de notaris naar de mogelijkheid onderzoek had behoren te doen.

4.7 Uit het voorgaande volgt de klacht geen doelt treft en dus ongegrond moet worden verklaard.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. D.T. Boks, voorzitter, H. Quispel, E.J. Oostrik, L.P. Oostveen-ter Braak, C.J.M. Hendriks, leden, en in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. Oor, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 15 april 2016.

de secretaris                                                                                                 de voorzitter

Tegen deze beslissing van de kamer van toezicht kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam. Postadres: postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.