ECLI:NL:TNORARL:2015:4 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2014/55

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2015:4
Datum uitspraak: 07-01-2015
Datum publicatie: 24-02-2015
Zaaknummer(s): AL/2014/55
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie:   De notaris heeft de geheimhoudingsplicht, waarop hij zich in de klachtprocedures heeft beroepen, niet geschonden in de civiele procedure bij de rechtbank. Voor zover het gaat om de gevraagde informatie is van belang dat het voor de rechtspraak geldende beginsel  van ne bis in idem, ook van toepassing is binnen het notariële tuchtrecht.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN                              

Kenmerk: AL/2014/55

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van

[A],

wonende te […],

en

[B],

wonende te […]

tegen

[C],

notaris te […],

gemachtigde: mr. V.J.N. van Oijen, advocaat te Haarlem.

Partijen worden hierna klager, klaagster dan wel klagers en notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      de klacht, met bijlagen, van 10 april 2014;

-      een brief van de notaris, met bijlagen, van 28 mei 2014.

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 17 december 2014 behandeld. Klager is in persoon en als gemachtigde van klaagster verschenen. De notaris is eveneens in persoon verschenen, tezamen met zijn gemachtigde.

2. De feiten

2.1 Gelet op hetgeen klagers en de notaris over en weer hebben aangevoerd en op basis van de daarbij overgelegde stukken en de behandeling ter zitting, gaat de kamer uit van de volgende feiten.

2.2 Klagers en hun twee zussen (hierna aangeduid als zussen c.q. zussen van klager(s) zijn de kinderen van de heer [D] (hierna: vader) en mevrouw [E] (hierna: moeder).

2.3 Moeder is overleden op 1 augustus 1994. Vanwege het door moeder gemaakte langstlevende-testament, waarbij de nalatenschap geheel aan vader is toebedeeld, kregen de vier kinderen, klagers en hun zussen, ieder een vordering op vader ter grootte van hun erfdeel (€ 23.642,20).

2.4 Op 18 februari 2008 is voor de notaris een akte van schulderkenning bij wijze van schenking gepasseerd, waarbij door vader aan ieder van de kinderen een genoemd bedrag schuldig is erkend.

2.5 Op 6 januari 2010 is voor de notaris een akte houdende geldleningsovereenkomst gepasseerd ten aanzien van een geldlening ad € 350.000,00, die de zussen van klagers aan vader hebben verstrekt.

2.6 Op dezelfde dag is voor de notaris een hypotheekakte verleden, waarbij vader aan de  zussen van klagers zekerheid heeft verstrekt ten bedrage van € 750.000,00, zulks in verband met de betaling van hun erfdeel van de moeder, de schenkingen en genoemde geldlening.

2.7 Vader heeft op 28 januari 2010 een testament gemaakt, waarbij hij klagers heeft onterfd. De zussen van klagers zijn erfgenaam van vader. Vader is overleden op 6 juli 2011.

2.8 Klagers hebben op 27 januari 2012 een klacht tegen de notaris ingediend bij de toenmalige Kamer van Toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem. Die klacht bestaat, kort samengevat, uit de volgende onderdelen:

 a. klagers zijn niet geïnformeerd over de hypotheekakte en de wijziging van het testament;

 b. de notaris heeft niet te goeder trouw gehandeld omdat vanwege de hypotheekakte het erfdeel van moeder feitelijk niet meer aan klagers kon worden voldaan;

 c. vader was in 2010 niet (voldoende) wilsbekwaam;

 d. de boedelbeschrijving van vader is incompleet.

2.9 Op die ingediende klacht heeft de Kamer van Toezicht op 10 juli 2012 een beslissing gegeven. De Kamer van Toezicht heeft de klachten ongegrond c.q. niet ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing hebben klagers hoger beroep aangetekend. De beslissing van het Gerechtshof Amsterdam is van 25 juni 2013.

2.10 De beslissing van het Gerechtshof is in de onderhavige klachtprocedure door klagers in afschrift overgelegd. Vanwege de eerdere klachtprocedure en het appel beschikken partijen over de beslissing van de Kamer van Toezicht van 10 juli 2012, alsmede over een afschrift van het proces-verbaal van het verhandelde ter openbare zitting van de Kamer van Toezicht te Arnhem op 22 mei 2012. De kamer beschikt ambtshalve over genoemde beslissing en genoemd proces-verbaal.

2.11 Klagers hebben de notaris aansprakelijk gesteld voor door hen geleden schade en hem in rechte betrokken in een civiele procedure. De comparitie van partijen in die procedure door de rechtbank Gelderland heeft plaatsgevonden op 1 april 2014. In die procedure is door de rechtbank vonnis gewezen op 14 mei 2014. Een afschrift van het vonnis is door de notaris overgelegd. De vorderingen van klagers zijn afgewezen. Door klager [A] is hoger beroep ingesteld.

3. De standpunten

3.1 De klacht valt uiteen in de volgende onderdelen.

a.       De notaris heeft zijn geheimhoudingsplicht geschonden door in de civiele procedure vrijelijk te citeren uit zijn “eigen” dossier. Klagers wijzen er op dat de notaris zich in de eerdere klachtprocedure beriep op zijn geheimhoudingsplicht, maar in de civiele procedure stukken uit het dossier van vader gebruikte. Klagers merken op dat indien de geheimhouding kon en mocht worden opgeheven, zij willen beschikken over het hele dossier.

b.      Volgens klagers heeft de notaris in de eerdere klachtprocedure bij de Kamer van Toezicht onwaarheden geuit c.q. valse verklaringen afgelegd. Klagers geven aan dat zij de notaris in die procedure hebben verweten dat hij optrad als Estate-planner voor hun twee zussen. Volgens klagers heeft de notaris dat  voor de Kamer van Toezicht ontkend, terwijl in hoger beroep voor het Gerechtshof Amsterdam door de notaris is toegegeven dat hij als Estate-planner optrad. Aldus heeft de notaris volgens klagers in de procedure voor de Kamer van Toezicht onwaarheid gesproken.

c.       Voor het overige verwijten klagers de notaris wederom dat hij hen onvoldoende informatie heeft verstrekt. Klagers menen dat zij hieromtrent wederom kunnen klagen vanwege het handelen door de notaris ter zake van de geheimhouding.

3.2 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

4.2 De kamer zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen en overweegt als volgt.

4.3 Het verweer van de notaris dat klagers in alle onderdelen van de klacht niet‑ontvankelijk zouden zijn, omdat sprake is van verjaring dan wel omdat over de klacht al eerder is beslist (ne bis in idem), volgt de kamer slechts ten dele. Immers, de onderdelen a en b zien op (mogelijke) uitingen van de notaris en zijn handelen in de procedures die in 2012 en 2014 aanhangig waren. Over de klachten is dan ook niet eerder geklaagd. Evenmin is in de klacht van 10 april 2014 de verjaringstermijn van artikel 99, lid 15, Wna overschreden.

De vraag of klagers in klachtonderdeel c kunnen worden ontvangen, zal de kamer onder 4.13 beantwoorden.

Klachtonderdeel a. De geheimhouding.

4.4 Ter zake van de geheimhouding stellen klagers zich op het standpunt dat de notaris zijn geheimhoudingsplicht, waarop hij zich in de klachtprocedures heeft beroepen, heeft geschonden in de civiele procedure bij de rechtbank. De kamer overweegt hieromtrent als volgt.

4.5 De kamer onderscheidt een verplichting tot geheimhouding met betrekking tot het verlijden van het testament en de motieven van vader die aan het testament ten grondslag lagen en geheimhouding met betrekking tot het verlijden van de hypotheekakte waarbij de zussen van klagers partij waren.

4.6 Met betrekking tot de motieven die aan het testament van vader ten grondslag lagen is de kamer met de notaris van oordeel dat alleen de erflater -vader -  belanghebbende is. Jegens de erflater heeft de notaris geheimhouding te betrachten, hetgeen overigens niet wegneemt dat een schending van deze verplichting grond voor het indienen van een klacht kan vormen. De kamer is echter van oordeel dat niet gesteld of gebleken is dat de notaris zijn verplichting tot geheimhouding ten aanzien van (de motieven voor) het testament van vader geschonden heeft.

4.7 Voor zover het de hypotheekakte betreft acht de kamer van belang dat klagers de notaris aansprakelijk hebben gesteld voor de schade die zij door het verlijden van de hypotheekakte lijden, omdat hun vorderingen op de nalatenschap van vader door de bevoorrechte positie van de zussen als hypotheeknemers niet uit de (opbrengst van) de nalatenschap voldaan kunnen worden. Deze aansprakelijkheidstelling noopte de notaris zich in de civiele procedure te verweren en zijn verweer met bescheiden te onderbouwen. Om die reden heeft de notaris in de civiele procedure de correspondentie met vader, waarin hij vader gewezen heeft op de gevolgen die de hypotheekverlening voor klagers had overgelegd. De kamer is niet anders gebleken dan dat de notaris in dit verband alleen de van belang zijnde zakelijke correspondentie en gespreksaantekeningen heeft overgelegd dan wel daaruit heeft geciteerd. Dit handelen acht de kamer niet klachtwaardig maar geboden door de positie waarin klagers de notaris door hem in rechte te betrekken hebben gebracht. Immers, de notaris moest zich kunnen verweren. Het komt de kamer voor dat de notaris in het voeren van dit verweer prudent is geweest althans niet is gebleken dat de notaris onnodige/ overbodige informatie ter onderbouwing van zijn verweer aan de rechtbank heeft verstrekt. De kamer verklaart dit klachtonderdeel dan ook ongegrond.

4.8 Voor zover klagers aanvoeren dat zij, vanwege het verweer van de notaris in de civiele procedure, thans de beschikking zouden moeten hebben over het hele dossier, ligt het niet op de weg van de kamer, die slechts oordeelt over bij haar ingediende klachten, over deze aanspraak te beslissen.

Klachtonderdeel b. Onjuiste verklaringen

4.9 Voor zover klagers de notaris verwijten dat hij onwaarheden heeft gesproken tijdens de zitting van de Kamer van Toezicht op 22 mei 2012 overweegt de kamer het volgende.

4.10 De kamer stelt op basis van de klachtbrief en de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam van 25 juni 2013, alsmede op basis van het verhandelde ter zitting van 17 december 2014 (zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van deze zitting) vast, dat het klagers kennelijk niet zozeer om het woord Estate-planner gaat, maar om het feit dat de notaris – volgens klagers – geadviseerd  heeft over de lening van de zussen van klagers aan vader en de daarvoor te stellen zekerheid in de vorm van een hypotheekverlening door vader. Voor deze constructie gebruiken klagers het woord Estate-planning. Zo zou de notaris de advisering (of Estate-planning) tegenover het Gerechtshof hebben toegegeven, terwijl hij dat bij de Kamer van Toezicht ontkende.

4.11 De kamer volgt klagers niet in het verwijt dat de notaris onwaarheden zou hebben gesproken, omdat zij geen onwaarheden heeft kunnen vaststellen. De kamer heeft ambtshalve kennisgenomen van het onder 2.10 genoemde proces-verbaal van 22 mei 2012 en de beslissing van de Kamer van Toezicht van 10 juli 2012. Uit het daarin vermelde blijkt niet dat de notaris verklaard heeft geen Estate-planner dan wel adviseur van de zussen ter zake van de lening te zijn geweest. Daarbij vormt het feit dat de notaris aan het Gerechtshof desgevraagd verklaard heeft in aanwezigheid van de dochters het estateplanningsadvies gegeven te hebben (vgl. beslissing Gerechtshof onder 6.3.1.) een aanwijzing dat deze advisering (zoals ook het proces verbaal aantoont) bij de behandeling van de Kamer van Toezicht niet aan de orde is geweest. Ten slotte overweegt de kamer dat de notaris bij de behandeling van de klacht (nogmaals) heeft aangegeven niet bij de lening van de zussen aan vader betrokken te zijn geweest. De kamer zal dit onderdeel van de klacht eveneens ongegrond verklaren.

Klachtonderdeel c. Informatie verstrekken

4.12 Naar vaste rechtspraak wordt niet opnieuw over hetzelfde feit of dezelfde feiten geoordeeld waarover reeds bij definitieve uitspraak is beslist. Dit voor de rechtspraak geldende beginsel (ne bis in idem) is ook van toepassing binnen het notariële tuchtrecht.

4.13 Het verstrekken van informatie door de notaris aan klagers is in de voorgaande procedure aan de orde is geweest. De kamer is dan ook van oordeel dat klagers, voor zover zij de klacht dat de notaris onvoldoende informatie heeft verstrekt handhaven, in dit onderdeel van de klacht niet kunnen worden ontvangen.

Mitsdien wordt als volgt beslist:

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden;

-          verklaart klagers niet-ontvankelijk voor zover het gaat om onderdeel c;

-          verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, voorzitter, mr. M.C.J. Heessels, mr. J.T.J. Heijstek, A. Roesink-Kragt en mr. E.J. Oostrik, en in tegenwoordigheid van G.J. Doeleman, secretaris, door mr. R.J. Jue, plaatsvervangend voorzitter, uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2015.

De secretaris,                                                            De voorzitter,

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.

Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.