ECLI:NL:TNORARL:2015:30 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2015/117 en 118

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2015:30
Datum uitspraak: 27-03-2015
Datum publicatie: 14-09-2015
Zaaknummer(s): AL/2015/117 en 118
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Registergoed
Beslissingen: Klacht gegrond met waarschuwing
Inhoudsindicatie:   Medewerking notaris aan (voorbereiden) verkoop en levering van landgoed door executeur nalatenschap tuchtrechtelijk niet verwijtbaar, doorbetalen van de verkoopopbrengst aan de aan de (inmiddels geschorste) executeur tuchtrechtelijk wel verwijtbaar.  

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT

ARNHEM-LEEUWARDEN                              

Kenmerk: AL/2014/117, 118

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van

[A] en [B]

wonende respectievelijk te […] en […]

gemachtigde: mr. H.L. Thiescheffer,

advocaat te […]

tegen

1) mr. [C]

notaris te […]

en

2) en mr. [D]

notaris te […]

Partijen worden hierna verder aangeduid als klagers enerzijds en notaris [C] dan wel notaris [D] de notaris(sen) anderzijds.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de brief van klagers met bijlagen van 15 september 2014 ingekomen bij de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (hierna: de kamer) op

18 september 2014;

- de brieven van de notaris(sen) met bijlagen van 14 oktober 2014 ingekomen bij de kamer op 15 oktober 2014.

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 4 februari 2015 behandeld. Partijen zijn in persoon verschenen. Klagers hebben zich doen bijstaan door hun gemachtigde. Namens klagers zijn pleitaantekeningen overgelegd. Deze zijn aan de notaris ter beschikking gesteld en toegevoegd aan het dossier.

2. De feiten

2.1 Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en op basis van de daarbij overgelegde stukken, gaat de kamer uit van de volgende feiten.

2.2 Op 18 januari 2012 is overleden de heer [E] (hierna: erflater). Erflater heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt; daarbij zijn kinderen - in deze procedure de klagers -  tot zijn erfgenamen benoemd.

2.3 Aan mevrouw [F] heeft erflater in zijn testament het zuivere vruchtgebruik van de nalatenschap gelegateerd, waaronder begrepen het levenslange recht om op het door haar en erflater bewoonde landgoed […] te […] (hierna: het landgoed) te blijven wonen. Tevens heeft erflater mevrouw [F] aangewezen als executeur van zijn nalatenschap.

Mevrouw [F] (hierna: executeur) heeft deze benoeming aanvaard. Haar zoon, de heer [G], heeft zij voor wat betreft haar werkzaamheden als executeur als gevolmachtigde benoemd.

2.4 Bij brief van 3 december 2012 heeft notaris [C] klagers laten weten dat de executeur zich onder druk gezet voelde door het feit dat klagers hun aandeel in de nalatenschap van hun moeder opeisten. Tevens heeft de notaris klagers laten weten dat zich een koper voor het landgoed had aangediend.

Om deze reden heeft de notaris klagers gevraagd een keuze te maken tussen de volgende mogelijkheden. Ofwel de executeur als vruchtgebruiker uit te kopen, waarna klagers als erfgenamen zelf zouden kunnen beslissen het landgoed al dan niet te verkopen dan wel akkoord te gaan met de door de executeur voorgenomen verkoop van het landgoed.

2.5 Klagers hebben notaris [C] daarop middels de e-mailberichten van

6 december 2012 laten weten het voorstel met betrekking tot de uitkoop af te wijzen, maar hebben niet gereageerd op het verzoek van de notaris om een keuze te maken tussen de hierboven genoemde brief van 3 december 2012 beschreven mogelijkheden.

2.6 Bij e-mailbericht van 8 december 2012 heeft  notaris [C] klagers onder meer bericht als volgt:

“Wellicht ten overvloede meld ik u beiden dat de executeur, krachtens het testament van erflater, over de keuze en te gelde making van de door haar beheerde goederen van de nalatenschap niet in overleg behoeft te treden met de erfgenamen en dat ook hun toestemming niet is vereist.

Nu u beiden niet akkoord gaat met de voorstellen van mevrouw [F] en haar zoon, de heer [G] , en bovendien ook niet inhoudelijk hierop reageert, noch met tegenvoorstellen komt, achten zij zich vrij om te handelen zoals een goed executeur betaamt , waarbij u verder zult begrijpen dat zij, teneinde te kunnen voldoen aan de schulden van de nalatenschap, wel gedwongen zijn (mede) over te gaan tot verkoop van de woning van erflater. “

2.7 Bij brief van 23 april 2013 heeft notaris [C] klagers laten weten dat

de voorgenomen verkoop van het landgoed inmiddels had geresulteerd in een verkoopovereenkomst, ondertekend op 23 april 2013. Vormerkung van deze overeenkomst heeft eveneens op 23 april 2013 plaatsgevonden.

2.8 Bij brief van 26 april 2013 heeft mr. [H], advocaat te […], namens klagers notaris [C] bericht dat klagers zich op het standpunt stelden dat de executeur niet tot verkoop van het landgoed bevoegd was. Zij geeft aan ervan uit te gaan dat notaris [C] geen medewerking aan de overdracht van het landgoed zal verlenen.

2.9 Klagers hebben notaris [C] op 1 mei 2013 om 09:52 uur in kennis gesteld van het feit dat zij de Kantonrechter te Assen hebben verzocht als voorlopige voorziening de executeur in haar functie te schorsen. Bij beslissing van dezelfde dag heeft de kantonrechter de schorsing uitgesproken. Nadien heeft de executeur haar functie/taak neergelegd.

2.10 Op 1 mei 2013 om 10:45 uur heeft notaris [D] de akte van levering met betrekking tot het landgoed gepasseerd.

2.11 Op 1 mei 2013 om 16:10 uur zijn de notarissen in kennis gesteld van de schorsing van de executeur.

2.12 Notaris [C] heeft het met de verkoop gemoeide bedrag (na aftrek van de hypotheekschuld) aan de (op dat moment geschorste) executeur doorbetaald.

2.13 Klagers hebben hoger beroep aangetekend tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, waarbij een door hen tegen de kopers van het landgoed ingestelde vordering is afgewezen.

2.14 De executeur heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, waarin beslist is dat zij schadeplichtig jegens klagers is.

3. De standpunten

De procedure betreft de volgende klachten/klachtonderdelen.

3.1 Klachtonderdeel a)

Klagers stellen zich op het standpunt dat de notarissen niet aan de voorbereiding van de eigendomsoverdracht van het landgoed door de executeur hadden mogen meewerken vanwege het feit dat klagers (als erfgenamen) het niet met de verkoop/overdracht  eens waren.

Klachtonderdeel b)

Om de redenen genoemd in klachtonderdeel a) hadden de notarissen evenmin op 1 mei 2013 mogen overgaan tot het passeren van de akte van levering van het landgoed. Dit geldt te meer, nu zij op de hoogte waren van het door klagers ingediende verzoek tot schorsing van de executeur.

Klachtonderdeel c)

Op de gronden omschreven in de klachtonderdelen a) en b) en op grond van het voor de notarissen bekende althans kenbare feit dat de executeur op 1 mei 2015 door een uitspraak van de kantonrechter geschorst is, hadden de notarissen dienen af te zien van doorbetaling van de verkoopopbrengst aan de executeur.

3.2 De notarissen hebben de klacht op alle onderdelen gemotiveerd betwist en stellen zich op het standpunt dat klagers niet in hun klacht ontvangen kunnen worden dan wel dat de klacht ongegrond moet worden verklaard.

3.3 De overige door klagers en de notaris(sen) ter onderbouwing van hun standpunt gestelde feiten en omstandigheden, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, komen hierna aan de orde.

4. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

4.2 Omdat het verweer van de notarissen enerzijds is dat de klachten niet ontvankelijk zijn en anderzijds dat de klachten niet gegrond zijn, wordt hierna bij de beoordeling van de klachtonderdelen steeds een onderscheid gemaakt tussen deze beide onderdelen van het verweer.

4.3 Klachtonderdeel a)

Ontvankelijkheid

Klagers hebben deze klacht gericht tegen beide notarissen. Ter zitting is evenwel komen vast te staan dat bij het opstellen van de koopovereenkomst en de verdere voorbereiding van de eigendomsoverdracht van het landgoed uitsluitend notaris [C] betrokken is geweest.

Voor zover dit klachtonderdeel (a) zich richt tegen notaris [D], kunnen klagers daarom niet in hun klacht ontvangen worden.

Voor zover dit klachtonderdeel zich richt tegen notaris [C] wordt overwogen als volgt.

Inhoudelijk

Dit klachtonderdeel is gebaseerd op het - op zich zelf juiste -  uitgangspunt dat een notaris niet mag meewerken aan eigendomsoverdracht door een beschikkingsonbevoegde.

In casu treft deze klacht geen doel, omdat de executeur bevoegd was over het landgoed te beschikken. Klagers hebben in hun mailbericht aan notaris [C] van

27 november 2012 onder de passiva van de nalatenschap  het hen toekomende deel van de nalatenschap van hun moeder € 72.622,= opgegeven, zodat voor de executeur wel degelijk een noodzaak tot te gelde making (vgl. artikel 4:147 BW) aanwezig was. Dit geldt te meer nu in de overgelegde stukken meermaals is opgemerkt dat klagers hun erfdeel in de nalatenschap van hun moeder hebben opgeëist, hetgeen door klagers niet is weersproken.

Daarna heeft notaris [C] in zijn brief aan klagers van 3 december 2012 aangegeven dat de executeur zich op het standpunt stelde dat zij met het oog op de voldoening van de schulden van de nalatenschap bevoegd was om het landgoed als bestanddeel van deze nalatenschap te gelde te maken, met andere woorden te verkopen. Middels deze brief heeft notaris [C] klagers tevens op de hoogte gesteld van het feit dat zich een koper voor het landgoed had aangediend en  klagers in de gelegenheid gesteld de executeur “uit de nalatenschap uit te kopen”.

Klagers hebben daarop middels de e-mailberichten van hun toenmalige belangenbehartigers van 6 december 2012 laten weten het voorstel met betrekking tot de uitkoop af te wijzen, maar hebben verder niet gereageerd op de bij brief van 3 december 2012 voorgelegde keuze. Ook hebben klagers niet gereageerd toen notaris [C] deze zienswijze bij brief van 8 december 2012 bevestigde zoals hierboven aangehaald onder 2.5. De executeur ging er derhalve vanuit en kon er ook vanuit gaan dat klagers aanspraak maakten op het erfdeel uit de nalatenschap van hun moeder.

Eerst toen notaris [C] hen bij brief van 23 april 2013 informeerde dat het landgoed verkocht was, hebben klagers in hun brief van 26 april 2013 aan notaris [C] laten weten dat zij zich op het standpunt stelden dat de executeur niet tot verkoop van het landgoed bevoegd was, omdat er geen noodzaak tot het gelde maken van het landgoed bestond.

Dit bezwaar van klagers tegen de verkoop is echter, gelet op het feit dat klagers al veel eerder daarvan op de hoogte waren, te laat gemaakt en is niet in overeenstemming met eerdere aanspraken. Notaris [C] kan dan ook niet verweten worden dat hij hierin geen aanleiding heeft gezien om niet mee te werken aan de overeengekomen eigendomsoverdracht.

De kamer acht verder van belang dat notaris [C] in de tekst van de koopovereenkomst aandacht heeft willen schenken aan de bestaande verschillen van inzicht tussen de executeur en klagers. Uit de clausule opgenomen onder artikel 2 punt d van deze overeenkomst volgt  dat notaris [C] hiervoor in de koopovereenkomst een voorziening heeft opgenomen. Verder acht de kamer het zorgvuldig dat notaris [C], zoals uit het voorgaande volgt, klagers telkens wel onmiddellijk van (voorgenomen) acties van de executeur in kennis heeft gesteld.

De handelwijze van notaris [C] terzake de koopovereenkomst/levering van het landgoed is voldoende zorgvuldig geweest. De klacht dient daarom op dit onderdeel ongegrond te worden verklaard.

4.4 Klachtonderdeel b)

Ontvankelijkheid

Ook dit klachtonderdeel is gericht tegen beide notarissen. Ter zitting is evenwel vastgesteld dat het notaris [D] is geweest die de akte van levering van 1 mei 2013 gepasseerd heeft. Notaris [C] was op 1 mei 2013 afwezig.

Dit brengt mee dat klagers, voor zover dit klachtonderdeel zich richt tegen notaris [C], in dit klachtonderdeel niet ontvangen kunnen worden.

Voor zover klagers stellen dat notaris [D] niet had mogen overgaan tot het passeren van de akte van 1 mei 2013 betreffende de levering van het landgoed overweegt de kamer als volgt.

Inhoudelijk

Uit het voorgaande volgt reeds dat notaris [D] er van uit mocht gaan dat met betrekking tot het landgoed een geldige koopovereenkomst gesloten was door een beschikkingsbevoegde executeur, die op grond daarvan tot leveren verplicht was.

Notaris [D] heeft aangevoerd dat hij op het moment van het passeren van de akte (1 mei 2013, 10:45 uur) niet op de hoogte was van het door klagers ingediende verzoek tot schorsing van de executeur. Een goede informatievoorziening binnen het kantoor van de notaris had bekendheid met dit bericht wellicht kunnen bewerkstelligen, doch is verder niet van belang, omdat de kamer het passeren van de akte niet tuchtrechtelijk verwijtbaar acht. Zoals hiervoor al is overwogen, was sprake van een geldige koopovereenkomst en was de executeur beschikkingsbevoegd. Verkoopster en kopers wensten de overdracht. Derhalve was de notaris ondanks de aankondiging van het ingediende schorsingsverzoek gerechtigd zo niet verplicht de akte van levering te passeren. Een en ander brengt de kamer tot de conclusie dat notaris [D] tuchtrechtrechtelijk niet verweten kan worden de akte van levering van

1 mei 2013 gepasseerd te hebben.

Dit klachtonderdeel treft daarom geen doel.

4.5 Klachtonderdeel c)

Ontvankelijkheid

Ook dit klachtonderdeel is gericht tegen beide notarissen. Ter zitting is evenwel komen vast te staan dat notaris [D] na het passeren van de leveringsakte verder geen bemoeienis heeft gehad met de afhandeling van de zaak en dat het notaris [C] is geweest die de verkoopopbrengst heeft doorbetaald.

Dit betekent dat klagers, voor zover dit onderdeel van de klacht is gericht tegen notaris [D] niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Voor zover de klacht op dit punt is gericht tegen notaris [C] wordt overwogen als volgt.

Inhoudelijk

Vaststaat dat de beschikking tot schorsing van de executeur bij het notariskantoor is ingekomen op 1 mei 2013, om 16.10 uur.

Met klagers moet geoordeeld worden dat de notaris geacht moet worden vanaf 1 mei 2013 van de schorsing van de executeur op de hoogte te zijn geweest of dat redelijkerwijze had behoren te zijn en om die reden had behoren af te zien van doorbetaling van (het restant van) de verkoopopbrengst aan de geschorste executeur. De omstandigheid dat de schorsingsbeslissing niet expliciet uitvoerbaar bij voorraad is verklaard brengt hierin geen verandering; immers notaris [C] had alleen al op grond van de schorsingsbeschikking rekening moeten houden met de mogelijkheid dat de (voormalig) executeur uiteindelijk geen (volledige) aanspraak op uitbetaling van de (restant)verkoopopbrengst zou blijken te hebben. In afwachting van duidelijkheid op dat punt had notaris [C] bedoeld bedrag in depot dienen te houden op zijn derdengeldenrekening.

De klacht wordt daarom op dit onderdeel gegrond geoordeeld en terzake wordt het opleggen van de maatregel van waarschuwing aan notaris [C] passend en geboden geacht.

5. Beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:

- verklaart de klachtonderdelen a) en b): deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond;

- verklaart klachtonderdeel c): deels niet-ontvankelijk en deels gegrond en legt terzake aan notaris [C] de maatregel van waarschuwing op.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, voorzitter van de kamer en mrs. L.A. van Son, E.J.M. Kerpen, W.J. Hordijk, H. Quispel, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Derksen, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2015.

De secretaris,                                                                                 De voorzitter,

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam. Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.