ECLI:NL:TNORARL:2015:27 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2015/08

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2015:27
Datum uitspraak: 07-07-2015
Datum publicatie: 18-08-2015
Zaaknummer(s): AL/2015/08
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Te laat. Niet-ontvankelijk. De omstandigheid dat klaagster destijds mogelijk geen aandacht heeft besteed aan de betekenis van het finaal verrekenbeding en/of het niet heeft begrepen wat het finaal verrekenbeding inhield, neemt immers niet weg dat zij daar destijds, alvorens ermee in te stemmen, naar had kunnen vragen, dan wel nadien tegen opname van het beding kunnen protesteren. Van dergelijke vragen en/of protest is echter niet gebleken, terwijl als onweersproken is komen vast te staan dat het concept van de akte huwelijkse voorwaarden destijds voorafgaand aan het passeren aan klaagster en haar destijds aanstaande echtgenoot is toegezonden. Uit het voorgaande volgt dat klaagster voor wat betreft de klachtonderdelen a) en b) niet tijdig gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een klacht in te dienen in de zin van de Wna. Feiten of omstandigheden op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn te achten, zijn niet gesteld en niet gebleken.  Klaagster kan daarom niet worden ontvangen in de klachtonderdelen a) en b).  

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT   ARNHEM-LEEUWARDEN                              

Kenmerk: AL/2015/08

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van

[…],

wonende te […],

tegen

[…],

notaris te […],

gemachtigde: mr. M.A. van der Pool.

Partijen worden verder aangeduid als klaagster en de notaris.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-        De brief van klaagster van 15 januari 2015;

-        de brief van de notaris van 20 februari 2015.

De klacht is behandeld ter zitting van 22 mei 2015. Klaagster is in persoon verschenen, vergezeld van haar echtgenoot. Klaagster heeft een pleitnota overgelegd en dienovereenkomstig het woord gevoerd. De notaris is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M.A. van der Pool.

2. De feiten

2.1 Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 17 oktober 2012 is het huwelijk van klaagster en haar ex-echtgenoot door echtscheiding ontbonden. Op het huwelijksgoederenregime waren huwelijkse voorwaarden van toepassing.

2.2 De akte waarin de onder 2.1 bedoelde huwelijkse voorwaarden zijn beschreven, is op

10 juni 2002 bij de notaris gepasseerd.

2.3 De akte huwelijksvoorwaarden van 10 juni 2002 bepaalt in artikel 11, voor zover hier van belang:

            “AFREKENING BIJ HET EINDE VAN HET HUWELIJK

            Artikel 11.

            1.         In geval het huwelijk wordt ontbonden of tussen de echtgenoten scheiding van             tafel en bed wordt uitgesproken, heeft iedere echtgenoot, dan wel de langstlevende             echtgenoot het recht om te vorderen dat wordt afgerekend alsof de echtgenoten in             algehele gemeenschap van goederen waren gehuwd.

            Van die afrekening is uitgesloten:

            a.         hetgeen iedere echtgenoot door erfopvolging, making of schenking heeft             verkregen of hetgeen daarvoor door zaaksvervanging in de plaats is getreden met de             vruchten van een en ander;

            b          hetgeen op de staat van aanbreng is vermeld of hetgeen daarvoor door             zaaksvervanging in de plaats is getreden met de vruchten van een en ander;

            c          alle activa en passiva die behoren tot een onderneming welke een echtgenoot in             de vorm van een eenmanszaak, dan wel in de vorm van een vennootschap onder firma             dan wel in de vorm van een besloten vennootschap, danwel in de vorm van een             naamloze vennootschap uitoefent of de geldswaarde daarvan, ook al heeft de             ondernemende echtgenoot reserves en dergelijke gekweekt die redelijkerwijs als             opgepotte winst of niet uitgekeerd dividend moet worden aangemerkt.

            (…)”.

3. Het standpunt

3.1 Klaagster stelt zich op het standpunt dat de notaris onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opstellen van de tussen haar en haar ex-echtgenoot overeengekomen huwelijkse voorwaarden.

Gelet op het klaagschrift en de daarop ter zitting door (de gemachtigde van) klaagster gegeven toelichting zijn de verschillende klachtonderdelen, met instemming van laatstgenoemden, vastgesteld als volgt.

Klachtonderdeel a)

Klaagster verwijt de notaris dat de door hem opgestelde huwelijkse voorwaarden een zogenaamd finaal verrekenbeding bevatten. Dit beding (zie hierboven onder 2.3) brengt mee dat aan het einde van het huwelijk alsnog afgerekend dient te worden alsof partijen in gemeenschap van goederen gehuwd geweest zijn. Klaagster wordt hierdoor geconfronteerd met draagplichtigheid voor de helft van de door haar echtgenoot aangegane schulden, terwijl klaagster dit met de huwelijkse voorwaarden nu juist had willen voorkomen. Klaagster heeft destijds ook met zoveel woorden kenbaar gemaakt aan de notaris, dat zij haar vermogen veilig wenste te stellen en niet mede aansprakelijk wenste te worden voor de schulden van haar (thans ex-) echtgenoot.

Klachtonderdeel b)

Klaagster verwijt de notaris dat hij partijen voorafgaand aan het passeren van de akte van huwelijksvoorwaarden niet duidelijk op het finaal verrekenbeding en de daaruit voortvloeiende consequenties gewezen heeft.

Klachtonderdeel c)

Klaagster verwijt de notaris dat hij achteraf is teruggekomen is op hetgeen hij in zijn brief van

3 februari 2012 heeft gesteld.

3.2 De notaris heeft de klachten van klaagster gemotiveerd betwist. De notaris stelt zich op het standpunt dat de klacht van klaagster ongegrond dient te worden verklaard.

3.3 De (overige) door klaagster en door de notaris ter onderbouwing van hun standpunt gestelde feiten en omstandigheden, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, komen hierna aan de orde.

4. De beoordeling

4.1 Artikel 99 lid 15 van de Wet op het Notarisambt (Wna) bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

De kamer begrijpt klaagster wanneer zij stelt dat zij zich pas in de loop van haar echtscheidingsprocedure heeft gerealiseerd wat de consequentie was van het finaal verrekenbeding dat onderdeel uitmaakte van haar huwelijkse voorwaarden.

Dit neemt echter niet weg dat klaagster vanaf het moment waarop de huwelijkse voorwaarden werden opgesteld of in ieder geval vanaf het moment waarop de desbetreffende akte werd gepasseerd, bekend was met het finaal verrekenbeding, of in ieder geval daarvan kennis heeft kunnen nemen. Vanaf dit tijdstip had klaagster bovendien op de hoogte kunnen zijn van het feit dat bij ontbinding van het huwelijk zou worden afgerekend alsof partijen in gemeenschap van goederen gehuwd geweest waren.

Uit het voorgaande volgt dat de termijn voor indiening van de klachtonderdelen a) en b) op het moment van passeren van de akte huwelijkse voorwaarden (10 juni 2002) is gaan lopen. De klacht van klaagster is op 15 januari 2015, dus buiten de termijn van drie jaar van artikel 99 lid 15 Wna, derhalve te laat ingediend.

De omstandigheid dat klaagster destijds mogelijk geen aandacht heeft besteed aan de betekenis van het finaal verrekenbeding en/of het niet heeft begrepen wat het finaal verrekenbeding inhield, neemt immers niet weg dat zij daar destijds, alvorens ermee in te stemmen, naar had kunnen vragen, dan wel nadien tegen opname van het beding kunnen protesteren.

Van dergelijke vragen en/of protest is echter niet gebleken, terwijl als onweersproken is komen vast te staan dat het concept van de akte huwelijkse voorwaarden destijds voorafgaand aan het passeren aan klaagster en haar destijds aanstaande echtgenoot is toegezonden.

Uit het voorgaande volgt dat klaagster voor wat betreft de klachtonderdelen a) en b) niet tijdig gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een klacht in te dienen in de zin van de Wna. Feiten of omstandigheden op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn te achten, zijn niet gesteld en niet gebleken.  Klaagster kan daarom niet worden ontvangen in de klachtonderdelen a) en b).

Ten aanzien van klachtonderdeel c) overweegt de kamer dat klaagster deze klachtgrond eerst ter zitting heeft opgeworpen. De notaris heeft derhalve niet de tijd gehad een reactie op dit aspect van de zaak voor te bereiden. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt hier mee dat de kamer dit aspect van de zaak hier verder buiten beschouwing laat en klaagster ook in dit onderdeel van haar klacht niet ontvangt.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat:

Verklaart klaagster niet-ontvankelijk in alle onderdelen (a, b en c) van haar klacht.

Deze beslissing is gegeven door mr. L.A. van Son, voorzitter van de kamer en

mrs. C.J.M. Hendriks, A.W. Drijver, J.T.J. Heijstek en H. Quispel en en door mr. M.J. Blaisse, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Derksen, secretaris, uitgesproken in het openbaar

op 7 juli 2015,

de secretaris,                                                             de  voorzitter.

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam. Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.