ECLI:NL:TNORARL:2015:25 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2015/11
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2015:25 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2015 |
| Datum publicatie: | 13-08-2015 |
| Zaaknummer(s): | AL/2015/11 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | De kamer stelt vast dat klager geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit is gebleken dat de notaris in gesprekken met derden zijn geheimhoudingsplicht jegens klager heeft geschonden. Hoewel het naar het oordeel van de kamer van meer prudentie had getuigd als de notaris had afgezien van het meezenden van de brief van het Openbaar Ministerie met zijn verweer, acht de kamer het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de notaris in het belang van zijn verdediging deze brief wel heeft overgelegd. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: AL/2015/11
Beslissing van de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op de klacht van
[A],
wonende te […],
klager,
tegen
[B],
notaris te […]
Partijen zullen verder als ‘klager’ en ‘de notaris’ worden aangeduid.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de brief met bijlagen van klager van 16 januari 2015, waarin de klacht tegen de notaris is neergelegd;
- de brief met bijlagen van de notaris van 27 januari 2015;
- de mondelinge behandeling van de klacht op 3 juni 2015, waarbij zijn verschenen klager en de notaris.
2. De feiten
2.1 Gelet op hetgeen klager en de notaris over en weer hebben aangevoerd en op basis van de daarbij overgelegde stukken en de behandeling ter zitting, gaat de kamer uit van de volgende feiten.
2.2 Op 30 mei 2013 is de heer [C] , vader van klager, overleden. Vader heeft bij testament over zijn nalatenschap beschikt en zijn echtgenote en zes zonen, onder wie klager, benoemd tot zijn erfgenamen. De echtgenote van vader is vooroverleden.
2.3 Twee broers van klager hebben de notaris verzocht een verklaring van erfrecht op te stellen inzake het overlijden van vader.
Op 12 juli 2013 heeft de notaris aan de broers meegedeeld dat één of meer erfgenamen bij nader inzien de nalatenschap toch niet (collectief) zuiver te willen aanvaarden, waardoor hij geen verklaring van erfrecht kon opmaken en zijn werkzaamheden in de nalatenschap heeft beëindigd.
2.4 De heer [D] , broer van klager, heeft opdracht gegeven tot de begrafenis van erflater. De begrafenisondernemer heeft bij deze broer zijn begrafenisnota ingediend.
2.5 Op 14 september 2013 heeft klager bij de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden een klacht ingediend tegen de notaris. De klacht betrof de behandeling van de nalatenschap van de vader van klager. In de eerste plaats verweet klager de notaris dat hij zich niet onpartijdig had opgesteld, door te eisen dat klager zijn handtekening van aanvaarding van de nalatenschap liet legaliseren. In de tweede plaats verweet klager de notaris betrokkenheid bij de beneficiaire aanvaarding van de nalatenschap door één van de broers van klager. In de derde plaats betichtte klager de notaris ervan zijn declaraties van de ervenrekening te hebben afgeschreven of doen afschrijven, terwijl klager de notaris eerder te kennen had gegeven dat hij zijn werkzaamheden bij zijn opdrachtgevers diende te declareren.
2.6 De notaris heeft in de klachtprocedure met zijn verweer van 24 september 2013 een brief van het Openbaar Ministerie van […] aan de vader van klager meegezonden.
In deze brief is vermeld dat een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van een door vader tegen klager gedane klacht van diefstal of verduistering van geld had uitgewezen dat klager zich schuldig had gemaakt aan de hem verweten strafbare feiten. Hieraan is toegevoegd dat het Openbaar Ministerie heeft besloten om klager daarvoor niet te vervolgen omdat het gehele bedrag inmiddels was terugbetaald en vader heeft verklaard dat hij vanwege deze terugbetaling de klacht zou hebben ingetrokken indien dat mogelijk was geweest.
2.7 De klacht van klager is door de kamer bij haar beslissing van 25 maart 2014 in al haar onderdelen ongegrond verklaard, waarna klager hiertegen in hoger beroep is gegaan.
Het gerechtshof te Amsterdam heeft bij beslissing van 13 januari 2015 de bestreden beslissing bevestigd.
3. De klacht en het verweer
3.1 De klacht valt in twee onderdelen uiteen.
In het eerste klachtonderdeel verwijt klager de notaris dat hij in zijn contacten over de begrafenisnota met de echtgenote van zijn broer [D] en met de begrafenisondernemer zijn geheimhoudingsplicht jegens klager heeft geschonden.
In het tweede klachtonderdeel verwijt klager de notaris dat hij hem in een kwaad daglicht bij de kamer heeft willen stellen door de sepotmededeling van het Openbaar Ministerie d.d. 28 november 2012 met zijn verweer tegen de eerdere klacht van klager van 13 september 2013 mee te zenden naar de kamer. Deze brief had geen enkele meerwaarde en was niet relevant voor de beoordeling van die klacht. Klager heeft tijdens de mondelinge behandeling van de onderhavige klacht aangevoerd dat hij bovendien na een door hem ingesteld procedure ingevolge artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering uiteindelijk voor het ten laste gelegde is vrijgesproken.
3.2 De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Kamer zal daarop hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
4.2 De notaris heeft in zijn verweer primair aangevoerd dat klager in de onderhavige nieuwe klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de inhoud van beide klachtonderdelen reeds ter sprake is geweest bij de behandeling van de eerdere klacht van 14 september 2013.
Voor het overige heeft de notaris naar voren gebracht dat hij alleen aan klager heeft meegedeeld dat de schoonzuster van klager de begrafenisondernemer had verboden om aan klager informatie te verschaffen. Er is derhalve geen sprake geweest van schending van zijn geheimhoudingsplicht jegens klager.
De notaris heeft de brief van het Openbaar Ministerie met zijn verweer in de eerste klacht ter verdediging meegezonden om aan de kamer duidelijk te maken hoe slecht de familieverhoudingen waren. De brief was door een broer van klager aan de notaris verstrekt. De inhoud ervan kan de notaris niet worden verweten, aangezien hij deze niet zelf heeft opgesteld.
4.3 De kamer is van oordeel dat klager ontvankelijk is in beide klachtonderdelen.
De gedragingen waar hij thans over klaagt zijn in de eerdere klacht van 14 september 2013 niet als klachten geformuleerd en daardoor ook niet door de kamer beoordeeld in haar beslissing van 25 maart 2014. Het feit dat de gedragingen waarover in de onderhavige klacht wordt geklaagd ter sprake zijn geweest bij de behandeling van de eerdere klacht doet hier niet aan af.
Klachtonderdeel 1: schending geheimhoudingsplicht
4.4 De kamer stelt vast dat klager geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd waaruit is gebleken dat de notaris in gesprekken met derden zijn geheimhoudingsplicht jegens klager heeft geschonden. Klager heeft niet kunnen aangeven welke mededeling(en) hij aan de notaris heeft gedaan, die de notaris aan een derde zou hebben doorgegeven, waarmee hij zijn geheimhoudingsplicht jegens klager zou hebben geschonden.
Dit klachtonderdeel dient ongegrond te worden verklaard.
Klachtonderdeel 2: meezenden brief Openbaar Ministerie met verweer
4.5 Hoewel het naar het oordeel van de kamer van meer prudentie had getuigd als de notaris had afgezien van het meezenden van de brief van het Openbaar Ministerie met zijn verweer, acht de kamer het niet tuchtrechtelijk verwijtbaar dat de notaris in het belang van zijn verdediging deze brief wel heeft overgelegd.
Het tweede klachtonderdeel treft daarom eveneens geen doel.
5. De beslissing
De Kamer voor het notariaat
verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden, voorzitter, mrs. I.C.J.I.M. van Dorp, W.J. Hordijk, D.E.M.J. Eggels en F. Drost, leden en in tegenwoordigheid van
mr. W.E. Markus-Burger, secretaris, in het openbaar uitgesproken en getekend door
mr. M.J. Blaisse, voorzitter, op 3 juli 2015.
De secretaris De voorzitter
_____________
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.
Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.