ECLI:NL:TNORARL:2015:23 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2014/97
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2015:23 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 18-06-2015 |
| Datum publicatie: | 11-08-2015 |
| Zaaknummer(s): | AL/2014/97 |
| Onderwerp: | Overig |
| Beslissingen: | Klacht niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | Klagers zijn niet aan te merken als partijen die rechtstreeks belanghebbende zijn en op grond daarvan in hun klacht kunnen worden ontvangen. Met betrekking tot de vraag of sprake is van “enig redelijk belang” als bedoeld in artikel 99 Wna resteert in dit geval de vraag of sprake is van betrokkenheid bij een specifieke zaak. De kamer beantwoordt die vraag ontkennend. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: AL/2014/97
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van
Stichting [V], gevestigd te Oosterbeek, klaagster sub 1,
en
[M] B.V., gevestigd te Lunteren, klaagster sub 2,
en
[B] , wonende te Arnhem, klager sub 3,
gemachtigde: mr. J.E.M. Oude Kempers, advocaat te Arnhem,
tegen
[N],
notaris te [X],
gemachtigde: mr. T. Riyazi, advocaat te Den Haag.
Partijen worden hierna klagers en notaris genoemd.
1. Het verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de klacht, met bijlagen, van 24 juli 2014;
- het verweer, met bijlagen, van de notaris van 4 september 2014;
- een brief, met bijlagen, van klagers van 25 september 2014;
- een brief, met bijlagen, van de notaris van 7 november 2014;
- een brief, met bijlagen, van klagers van 17 februari 2015;
- een brief, met bijlage, van de notaris van 2 april 2015;
- een brief, met bijlagen, van klagers van 2 april 2015.
1.2 De klachtzaak is ter zitting van 17 april 2015 behandeld. Namens klagers is verschenen mr. J.E.M. Oude Kempers vergezeld van haar kantoorgenoot mr. J. Kalivaart. Daarnaast is namens klaagster sub 2 verschenen [K] en is klager sub 3 in persoon verschenen. De notaris is eveneens in persoon verschenen, tezamen met zijn gemachtigde.
2. De feiten
2.1 Gelet op hetgeen klagers en de notaris over en weer hebben aangevoerd en op basis van de daarbij overgelegde stukken en de behandeling ter zitting, gaat de kamer uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster sub 1 is een stichting die blijkens haar statuten onder meer tot doel heeft: “[…..] het verlenen van financiële steun aan de Stichting [A] en de Stichting [P] […]”.
2.3 De stichting [A]is een particuliere instelling die woonvoorzieningen verzorgt voor oudere, vegetarisch levende mensen die nog geheel zelfstandig kunnen wonen.
2.4 In 2004 zijn de Stichting [F] en de Stichting [A] een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met de Stichting [P] .
2.5 [P] heeft het Landgoed [L] gekocht via de Stichting tot instandhouding van het landgoed en kasteel [L], ten behoeve van de Stichting [A].
2.6 [K], bestuurder van klaagster sub 2, is tot 1 april 2009 als directeur in dienst van de Stichting [A] werkzaam geweest. Klager sub 3 is oud-bestuurder van de Stichting [A]. Klager sub 3 is als oud-bestuurder en bouwkundige door [P] gevraagd de realisatie van de plannen op het Landgoed [L] te begeleiden.
2.7 In de periode 2008/2009 moest [P] stoppen met de ontwikkeling van de plannen op Landgoed [L]. Sedertdien staat het landgoed te koop.
2.8 In 2013 heeft [R] zich tot de [P] gewend met het plan het Landgoed [L]te verwerven. [R] was mede-aandeelhouder van de daartoe opgerichte vennootschap [D] B.V.
2.9 Met betrekking tot de financiële zekerheid van [D] heeft de notaris op 2 september 2013 een e-mail met een bankverklaring naar [P] gezonden. In het e-mailbericht is onder meer vermeld: “[….]met betrekking tot de verkrijging van Landgoed [L], treft u bijgaand aan verificatie eigen geld ter grootte van 4,5 miljoen euro […]”.
2.10 [D] is op 13 december 2013 als koper het koopcontract inzake de koop van het Landgoed [L] aangegaan.
2.11 Op 12 november 2013 is door klaagster sub 1 op verzoek van [R] aan hem een lening ten bedrage van € 125.000,= verstrekt, welk bedrag zou dienen om de financiering van de aankoop van het landgoed veilig te stellen. Het bedrag zou uiterlijk 31 december 2013 aan klaagster sub 1 worden terugbetaald.
2.12 [D] is haar verplichtingen uit de onder 2.10 vermelde koopovereenkomst niet nagekomen, en [R] is zijn onder 2.11 vermelde verplichtingen niet nagekomen.
3. De standpunten
3.1 Klagers verwijten de notaris dat hij niet correct heeft gehandeld met betrekking tot de naar [P] gezonden bankverklaring. Zo stellen klagers, kort samengevat, dat de notaris daarmee bij hen het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat klagers geen financieel risico zouden lopen en dat zij zaken deden met betrouwbare partijen. Volgens klagers heeft de notaris de bankgarantie gewaarmerkt en zonder de handelingen van de notaris zou [P] geen koopovereenkomst hebben gesloten met [D] en zouden zij geen lening hebben verstrekt aan [R]en zouden klaagster sub 2 en klager sub 3 geen werkzaamheden ten behoeve van [D] hebben verricht. Naar de mening van klagers heeft de notaris hun belangen veronachtzaamd. De notaris heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door zijn medewerking aan de handelingen te verlenen.
3.2 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling
4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.
4.2 In artikel 99, tweede lid, Wna is, voor zover hier van belang, bepaald dat klachten tegen notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen, schriftelijk en met redenen omkleed, door een ieder met enig redelijk belang kunnen worden ingediend bij de kamer.
4.3 De kamer zal eerst ingaan op de vraag of klagers kunnen worden ontvangen in hun klacht en overweegt als volgt.
4.4 De Memorie van Toelichting op artikel 99 lid 1 Wna (TK, vergaderjaar 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27) meldt daarover het volgende: “In de voorgestelde herziene tekst van het eerste lid wordt geëxpliciteerd dat de kring van degenen die een tuchtrechtelijke klacht kunnen indienen bestaat uit een ieder die enig redelijk belang heeft bij de indiening van een klacht. Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met het taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd; ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep.”
4.5 De kamer stelt voorop dat de verklaring van 2 september 2013 door de notaris niet is afgegeven ten behoeve van klagers, maar ten behoeve van [P]. De inhoud van de verklaring betreft klagers op geen enkele wijze. Klagers waren derhalve geen partij. Dat klagers hebben kennisgenomen van de verklaring maakt dat niet anders. Bovendien heeft de verklaring geen betrekking op de financiële gegoedheid van [R], de persoon aan wie niet [P], maar klaagster sub 1 een geldlening heeft verstrekt. Klagers zijn aldus niet aan te merken als partijen die rechtstreeks belanghebbende zijn en op grond daarvan in hun klacht kunnen worden ontvangen.
4.6 Met betrekking tot de vraag of sprake is van “enig redelijk belang” als bedoeld in artikel 99 Wna acht de kamer van belang dat in de Memorie van Toelichting gesproken wordt van “betrokkenheid bij een specifieke zaak” en van “handhaving van beroepsnormen”. Van het laatste is hier geen sprake, omdat het daarbij, zo legt de kamer dit uit, gaat om meer algemene zaken of bepaalde werkwijzen.
4.7 De resterende vraag, of sprake is van betrokkenheid bij een specifieke zaak, beantwoordt de kamer ontkennend. De kamer acht in dit verband van belang dat de “specifieke zaak” de (rechts-)handelingen tussen [P] en [D] betreffen die betrekking hebben op de financiële zekerheid van [D]. Nu de klacht niet ziet op de financiële zekerheid van [D] is geen sprake van de hier bedoelde betrokkenheid bij een specifieke zaak.
4.8 Gelet op het voorgaande komt de kamer niet toe aan de door klagers geformuleerde klacht en wordt als volgt beslist.
5. De beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden;
- verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun klacht.
Deze beslissing is gegeven door mr. D.T. Boks, voorzitter, mrs. J.T.J. Heijstek, H.J. Hettema, V. Oostra en M.E. van Rossum, leden, en in tegenwoordigheid van G.J. Doeleman, secretaris, door de voorzitter in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2015.
De secretaris, De voorzitter,
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam.
Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.