ECLI:NL:TNORARL:2015:18 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/142a

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2015:18
Datum uitspraak: 30-04-2015
Datum publicatie: 04-08-2015
Zaaknummer(s): AL/2013/142a
Onderwerp:
  • Personen- en Familierecht
  • Registergoed
Beslissingen: Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie:   Ontvankelijkheid. Termijn gaat lopen op het moment waarop klager op de hoogte was of behoorde te zijn van het handelen/nalaten van de notaris waartegen de klacht zich richt. In dit geval was dit handelen/nalaten gelegen de betrokkenheid van de notaris bij de verkoop van de boerderij van klager in een bespreking van 13 april 2010. Klager was bij deze bespreking niet aanwezig, maar wel de namens klager gevolmachtigde vader van klager. Klager stelt evenwel dat de volmacht aan zijn vader op dat moment al was ingetrokken en/of niet gegeven was voor de verkoop van de boerderij. Dit neemt echter niet weg dat klager blijkens de stukken in ieder geval vanaf 22 augustus 2010 op de hoogte is geweest van de betrokkenheid van de notaris bij en de strekking van de bespreking van 13 april 2010, alsmede van het feit dat de koper zich op het standpunt stelt dat bij de bespreking van 13 april 2010 de verkoop van de boerderij overeengekomen zou zijn.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN                              

Kenmerk: AL/2013/142a

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van:

[A]

in zijn hoedanigheid van curator van

[B]

wonende te […],

gemachtigde: F.J. van der Woude,

tegen

[C]

oud-notaris te […]

Partijen worden verder aangeduid als klager en de curator enerzijds en de notaris anderzijds.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-                       de beslissing van de voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem -                       Leeuwarden (verder: de kamer) van 13 mei 2014;

-                       de beslissing van de kamer van 2 september 2014 op het verzetschrift;

-                       de brief van de gemachtigde van de curator van 26 september 2014;

-                       de brief van de notaris van 27 november 2014;

-                       de brief van de notaris (met bijlagen) van 14 januari 2015;

-                       de brief van de gemachtigde van de notaris van 19 januari 2015.

Bij gelegenheid van de zitting van de kamer van 27 februari 2015 is namens de curator de gemachtigde verschenen. De notaris is in persoon verschenen.

2. De feiten

2.1 Gelet op hetgeen klager, de curator en de notaris hebben aangevoerd en op basis van de overgelegde stukken wordt, voor zover hier van belang, uitgegaan van de volgende feiten.

2.2 Klager was eigenaar van een boerderij met aanhorigheden te […] (hierna: de boerderij).

2.3 In 2006 is klager strafrechtelijk vervolgd. Omdat - in de visie van klager - niet te verwachten viel dat hij spoedig in vrijheid zou worden gesteld, heeft klager op 11 oktober 2007 bij akte, verleden ten overstaan van een notaris te […] , aan zijn vader een algehele volmacht verstrekt. Deze hield onder meer in dat de gevolmachtigde bevoegd was de boerderij van klager te exploiteren, waaronder begrepen de bevoegdheid om de boerderij te vervreemden.

2.4 Na in vrijheid te zijn gesteld, is klager in december 2009 opnieuw aangehouden. In de aanloop naar de rechtszaak heeft klager de mogelijkheid overwogen de boerderij te verkopen, omdat de maatregel van terbeschikkingstelling voor hem dreigde. In verband daarmee heeft er op

13 april 2010 een overleg plaatsgevonden bij de notaris met onder anderen de ouders van klager, de accountant en klagers buurman, als potentiële koper, met diens adviseur.

2.5 Op 23 april 2010 is door de rechtbank aan klager de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden opgelegd en is klager in vrijheid gesteld. Klager heeft daarop de boerderij voortgezet.

2.6 Op 4 juli 2010 is klager wederom aangehouden en bij vonnis van de rechtbank van 26 juli 2011 is aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd.

2.7 Klager is op 27 juli 2011 onder curatele gesteld, nadat zijn vermogen vanaf 24 maart 2011 reeds onder (provisioneel) bewind was geplaatst, met benoeming van zijn broer tot (provisioneel) bewindvoerder en nadien tot curator.

2.9 Bij brief van 15 oktober 2010 heeft de notaris aan de advocaat van de (potentiële) koper van de boerderij zijn visie gegeven op het verloop van de bespreking van 13 april 2010.

2.10 Bij verstekvonnis van de rechtbank Groningen van 16 februari 2011, gewezen tussen de - hiervoor onder 2.4 genoemde - buurman van klager en klager, is klager onder andere het gebod opgelegd zijn boerderij te leveren aan de buurman.

2.11 De curator van klager heeft tegen het vonnis verzet ingesteld. De rechtbank Groningen heeft bij vonnis van 22 februari 2012 de curator daarin niet-ontvankelijk verklaard.

2.12 Op 19 april 2012 is ten overstaan van kandidaat-notaris [D] , als waarnemer van de notaris, de boerderij met aanhorigheden van klager in eigendom overgedragen aan de buurman van klager. Blijkens de leveringsakte is daarbij namens klager zijn curator als volmachtgever opgetreden.

3.  De  standpunten en het verloop van de procedure

3.1 De curator maakt de notaris het verwijt dat hij, als huisnotaris van de familie van klager,

in april 2010 betrokken is geweest bij het opstellen van de voor klager belastende koopovereenkomst, waarbij de vader van klager handelde op basis van een volmacht waarvan de notaris (volgens de curator) wist of behoorde te weten dat deze ingetrokken was.

Niettemin heeft de notaris aan de onderhandelingen over de verkoop op 13 april 2010 deelgenomen, aldus de curator. Hierbij komt, zo stelt de curator, dat de notaris bekend was met de geestelijke gesteldheid van klager.

Daarnaast verwijt de curator de notaris dat hij met de brief van 15 oktober 2010 zijn visie op de bespreking van 13 april 2010 schriftelijk heeft vastgelegd.

3.2 De notaris heeft zich voorafgaand aan zijn inhoudelijke verweer op het standpunt gesteld dat klager niet in zijn klacht kan worden ontvangen omdat deze buiten de voor indiening van een klacht geldende termijn van drie jaar is ingediend. Voor zover de klacht inhoudelijk wordt behandeld stelt de notaris zich op het standpunt dat deze ongegrond is, omdat hij ten tijde van de bespreking van 13 april 2010 absoluut niet van de intrekking van de volmacht op de hoogte was noch ook behoorde te zijn. De notaris is eerst bij bief van 16 april 2010 van de advocaat van klager van de intrekking van de volmacht in kennis gesteld. De notaris heeft daarom bij de bespreking van 13 april 2010 niet anders kunnen handelen dan hij gedaan heeft. Om deze reden valt de notaris evenmin een verwijt te maken van het feit dat hij een en ander heeft beschreven in de brief van 15 oktober 2010.

3.3 De overige door klager, althans de curator en door de notaris ter onderbouwing van hun standpunt gestelde feiten en omstandigheden, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, komen hierna aan de orde.

3.4 In de beslissing van 13 mei 2014 heeft de voorzitter geconcludeerd (r.o. 4.9) dat het verwijt dat klager de notaris maakt betrekking heeft op een (verondersteld) handelen in april 2010. Dat handelen ligt meer dan drie jaar voor de datum waarop klager zijn klacht heeft ingediend, reden waarom de voorzitter de klacht niet ontvankelijk heeft verklaard.

3.5 In het daartegen ingestelde verzet heeft de kamer op 2 september 2014 geoordeeld (r.o. 3.9):

“Uit het voorgaande volgt dat niet zonder meer geoordeeld kan worden dat [B] vanaf 13 april 2010 of

15 oktober 2010, althans voor 9 december 2010 op de hoogte is geweest of had behoren te zijn van het handelen van de notaris waartegen de klacht zich richt.

Derhalve kan vooralsnog niet worden gesteld dat de klacht niet binnen de voorgeschreven

termijn van drie jaren is ingediend en dat de klacht daarom kennelijk niet-ontvankelijk is. Het

verzet van de curator wordt daarom op dit onderdeel gegrond verklaard.”

3.6 Teneinde meer zicht te krijgen op die wetenschap, heeft de kamer een aantal vragen gesteld (zie r.o. 3.11 beslissing van 2 september 2014). In hun nadere reacties hebben partijen aandacht besteed aan de beantwoording van die vragen.

4. De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1 In deze procedure komt nu dus opnieuw eerst de vraag of klager in zijn klacht ontvankelijk is. Artikel 99 lid 15 Wna bepaalt dat een klacht slechts kan worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

Bedoelde driejaarstermijn gaat in de dag volgende op de dag waarop klager bekend was of redelijkerwijs behoorde te zijn met het handelen van de notaris waartegen de klacht zich richt.

4.2 Dit betekent dat hier beoordeeld dient te worden of en wanneer klager op de hoogte was dan wel redelijkerwijze behoorde te zijn van de betrokkenheid van de notaris bij de bespreking van 13 april 2010.

4.3 De kamer komt tot de conclusie dat klager reeds in de zomer van 2010 op de hoogte is geweest van de verkoop van de boerderij, althans van het feit dat de kopende partij zich op het standpunt stelde dat de verkoop van de boerderij middels overeenstemming met de tot verkoop bevoegde c.q. gemachtigde partij in bedoelde bespreking van 13 april 2010 was overeengekomen en dat de notaris daarbij betrokken is geweest. Die conclusie baseert zij op hetgeen partijen op dit punt hebben aangevoerd en in het bijzonder op de brief van klager zelf aan de notaris van 22 augustus 2010.

In deze brief aan de notaris schrijft klager immers:

“Bij deze geef ik u de opdracht de boerderij “ […] ” in het bezit van [B] niet te verkopen aan de familie [E] .

Ondanks de dreigementen van rechtszaken mag u niet verkopen voor 1 januari 2011.

Ik wil niet dat deze mensen mijn boerderij krijgen omdat ze samenwerken met [F] .

En ik gun haar niet het plezier dat haar leugens mij kapot maken….”

Ook uit de brief van de Gibo-groep (adviseur/accountant familie klager) aan [I](koper) van 23 april 2010 blijkt dat klager het niet eens was met de verkoop en dat hij op de hoogte was van de betrokkenheid daarbij van de notaris. Uit deze brief blijkt bovendien dat klager wist dat koper zich op het standpunt stelde dat de koop tot stand gekomen was:

“…De heer [G] (adviseur koper) schrijft dat er als gevolg van het gesprek bij notaris [C] afgelopen dinsdag 13 april in goede harmonie een koopovereenkomst in twee delen tot stand zou zijn gekomen, tussen u als koper en de heer [B] , verkoper, vertegenwoordigd door diens vader, de heer [A] .

De heer [G] schrijft vervolgens dat u de verkoper houdt aan de koopovereenkomst zoals die mondeling bij de notaris tot stand zou zijn gekomen, zijnde een verkoop in twee delen, te weten:

1 - de verkoop en levering van de cultuurgronden

2 - in een later stadium  de levering van de boerderij en overige opstallen.

(…)

Door de notaris is op 15 april 2010 een tweetal concepten van koopovereenkomsten aan de heer [H] (adviseur familie klager) gezonden via een e-mail. Verder dan een conceptstadium zijn die overeenkomsten naar mening van de heer [H] en de heer [A] niet gekomen. Te meer ook omdat verkoper, de heer [B] zelf, niet akkoord is met dit voorstel van verkoop in twee delen. De enige conclusie voor verkoper kan daarom op dit moment dan ook zijn dat er helaas nog geen overeenstemming over de verkoop is bereikt en het de vraag is of het daartoe nog in deze vorm gaat leiden. …”

Uit de brief van [I] (koper) van 12 januari 2015 aan de notaris tenslotte blijkt ook van deze discussie over de totstandkoming van de (ver)koopovereenkomst en van de betrokkenheid van de notaris bij deze discussie vanaf de zomer van 2010:

“… In de maanden mei en juni van 2010, tot ongeveer 1 juli 2010 zijn er tussen mij en zowel vader als ook zoon [B] , hun adviseur de heer [H] , en mijn adviseur de heer [G] , diverse (deels telefonische) besprekingen geweest om zoon [B] tot nakoming van de afspraken aangaande de verkoop van de boerderij te bewegen. Zoon [B] (klager) was in die periode niet gedetineerd….”

4.4 Hoewel de brief van klager van 22 augustus 2010 en de brief van koper van

12 januari 2015 in een laat stadium in de procedure gebracht zijn, ziet de kamer geen aanleiding deze brieven buiten de beoordeling te laten, aangezien klager niettemin ruim voldoende tijd heeft gehad van de inhoud van deze brieven kennis te nemen en daarop te reageren.

Gezien de inhoud en de strekking van deze reactie moeten (de authenticiteit, inhoud en strekking van) bedoelde brieven worden aangemerkt als onvoldoende weersproken.

Een en ander leidt tot de slotsom dat klager, althans zijn curator namens hem, vanaf de zomer van 2010 en in ieder geval vanaf 22 augustus 2010, gedurende drie jaar de tijd had om een klacht in te dienen op basis van de Wet op het notarisambt (Wna).

Deze termijn van drie jaar is geëindigd uiterlijk op 22 augustus 2013. De klacht is echter ingediend ruimschoots na laatstgenoemd tijdstip. Feiten of omstandigheden op grond waarvan deze termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn te achten, zijn niet gesteld en niet gebleken.

Klager kan daarom niet in zijn klacht kan worden ontvangen. Dat brengt mee dat de kamer niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat:

verklaart de klacht tegen de notaris niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Blaisse, voorzitter en

mrs. M.C.J. Heessels, T.K. Lekkerkerker, H.J. Hettema en F. Drost, in

tegenwoordigheid van mr. M.J. Derksen, secretaris, uitgesproken in het openbaar op

30 april 2015.

de secretaris                                                              de voorzitter

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam. Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.