ECLI:NL:TNORARL:2015:16 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2014/124

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2015:16
Datum uitspraak: 16-04-2015
Datum publicatie: 03-08-2015
Zaaknummer(s): AL/2014/124
Onderwerp: Registergoed
Beslissingen: Verzet ongegrond
Inhoudsindicatie:   Verzetzaak. Ne bis in idem-beginsel.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: AL/2014/124

Beslissing van de voorzitter van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op de klacht van

(…),

verblijvende te Waalwijk,

klager,

tegen

mr. (...),

oud-notaris in de gemeente (…), hierna te noemen de oud-notaris,

en

mr. (A),

notaris in de gemeente (…), hierna te noemen de notaris.

Partijen worden in deze beslissing mede aangeduid als klager, de oud-notaris en de notaris.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de fax met bijlagen van klager van 21 september 2014;

- een e-mail va klager van 7 oktober 2014;

- een fax van klager van 9 oktober 2014;

- een e-mail van de notaris van 24 oktober 2014;

- een e-mail van klager van 25 oktober 2014.

2. De feiten

2.1 Op 19 januari 2009 is door klager, in zijn hoedanigheid van directeur van (X) B.V., bij de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen te Arnhem, een klacht ingediend tegen de oud-notaris, in die tijd nog notaris in de gemeente (…).

2.2 De klacht van 19 januari 2009 betrof onder meer het feit dat de oud-notaris in september 2007 een bedrag van € 47.000,= heeft overgemaakt naar het bedrijf (Y) B.V. (hierna: Y). Deze betaling hield verband met de afrekening na de levering op 14 september 2007 van een kavel grond. Klager verweet de notaris dat hij geen titel had voor de betaling van genoemd bedrag.

2.3 Bij besluit van 3 februari 2010 is door de kamer van toezicht een beslissing gegeven op de door klager ingediende klacht.

2.4 Aan de oud-notaris is ingaande 14 september 2012 ontslag verleend uit het ambt van notaris. Het protocol en de overige notariële bescheiden van de oud-notaris zijn, na een periode van waarneming van 15 september 2012 tot en met 31 december 2012, ingaande 1 januari 2013 toegewezen aan notaris mr. (A).

2.5 De in de Wet op het notarisambt (Wna) geregelde tuchtrechtspraak (voorheen het klachtrecht bij de kamer van toezicht), wordt sedert 1 januari 2013 in eerste aanleg uitgeoefend door de kamers voor het notariaat.  

3. De standpunten

3.1  Klager verwijt de oud-notaris wederom dat hij onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gehandeld door zonder volmacht en titel een bedrag van € 47.000,= over te maken naar de rekening van een derde. Klagers wijst op de feiten en gebeurtenissen die ten grondslag hebben gelegen aan het besluit van de kamer van toezicht van 3 februari 2010 (vgl 2.3) en doet, zoals klager het noemt: “een verzoek op grond van exhibitieplicht”. Klager geeft verder aan: “Op d.d. 17-02-14 heeft rechtzoekende vernietigingsverklaring genomen waarbij de notarissen stilzwijgend akkoord zijn gegaan met de inhoud van de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring….”.

In zijn aanvullend schrijven van 9 oktober 2014 verwijt klager de oud-notaris dat hij heimelijk met Y overleg heeft gevoerd over de overboeking van het bedrag ad € 47.000,=.

3.2 Voor zover het gaat om de notaris verwijt klager haar hetzelfde als de oud-notaris omdat, zoals klager aangeeft, de praktijk van de oud-notaris door de notaris is overgenomen waardoor zij volledig aansprakelijk is en derhalve aansprakelijk wordt gehouden voor rechtshandelingen waarvoor geen geldige titel aanwezig is.

3.3 Op het verweer van de notaris zal de voorzitter, voor zover dat nodig is voor de beoordeling, hierna nader ingaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 99 lid 5 Wet op het Notarisambt (Wna) is de voorzitter van de kamer bevoegd na een summier onderzoek de klacht terstond bij een met redenen omklede beslissing af te wijzen indien hij van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond is of van onvoldoende gewicht.

4.2 De voorzitter overweegt het volgende. Uit de vaste jurisprudentie (zie: gerechtshof Amsterdam, 6 november 2012, ECLI:NLGHAMS:2012:CA) volgt dat wordt aangenomen dat ook in het tuchtrecht het beginsel ‘ne bis in idem’ geldt, ook al wordt dit beginsel niet in de Wet op het notarisambt genoemd. Het ‘ne bis in idem’ beginsel brengt mee dat het handelen van de notaris inzake een bepaald feitencomplex slechts eenmaal tuchtrechtelijk kan worden getoetst. De onderhavige klachtzaak betreft, evenals de klacht van 19 januari 2009, het door klager gestelde dat de oud-notaris in september 2007 zonder geldige titel een bedrag ad € 47.000,= naar Y heeft overgemaakt. De door klager genoemde “exhibitieplicht” en het gestelde “stilzwijgend akkoord gaan met de inhoud van de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring” maakt dat niet anders. Nu over die klacht eerder is beslist door de kamer van toezicht bij beslissing van 10 februari

2010, staat het processuele beginsel ‘ne bis in idem’ eraan in de weg om deze klacht nogmaals te beoordelen. Dit leidt ertoe dat de klacht tegen de oud-notaris kennelijk niet-ontvankelijk moet worden geacht.

4.3 Voor zover de klacht tegen de notaris is gericht heeft de notaris er terecht op gewezen dat ten hier van belang de oud-notaris zelf nog in functie was. Naar het oordeel van de voorzitter is de klacht tegen de notaris dan ook kennelijk ongegrond omdat niet is komen vast te staan dat zij handelingen verricht heeft die jegens klager tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. De omstandigheid dat later het protocol en de overige notariële bescheiden van de oud-notaris aan de notaris zijn toegewezen, brengt daar geen wijziging in.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

5. De beslissing

De voorzitter van de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden,

-        verklaart de klacht tegen de oud-notaris kennelijk niet-ontvankelijk;

-        verklaart de klacht tegen de notaris kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, voorzitter, op 30 januari 2015.

-----

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: AL/2014/124

Beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op het verzet van

(…),

verblijvende te (…),

klager,

tegen de beslissing van de voorzitter van deze kamer van 30 januari 2015 op de klacht tegen

mr. (…)

oud-notaris te (…), gemeente (…),

mr. (…),

notaris te (…), gemeente (…).

Partijen worden verder klager, de oud-notaris en de notaris genoemd.

1. Het verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure tot aan de hiervoor genoemde beslissing van de voorzitter wordt verwezen naar hetgeen daarin op dit punt is overwogen.

Klager heeft bij faxbrief van 1 februari 2015 verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. Per e-mail van 2 februari 2015, met bijlagen, heeft klager zijn verzet nader aangevuld.

Klager heeft de kamer niet verzocht in de gelegenheid te worden gesteld op het verzet te worden gehoord, zoals bedoeld in artikel 99 lid 12 Wet op het notarisambt. Klager is niet op het verzet gehoord.

2. De feiten

Voor de feiten en de klacht van klager gaat de kamer uit van hetgeen is overwogen in de beslissing van de voorzitter van 30 januari 2015, nu daartegen door klager geen relevante

bezwaren zijn ingebracht.

3. De beoordeling

3.1 Het afschrift van de beslissing van de voorzitter is – op verzoek van klager – per e-mail van 30 januari 2015 aan klager toezonden. Het verzetschrift is ontvangen op 1 februari 2015

respectievelijk op 2 februari 2015. Het verzet is binnen de termijn van veertien dagen van artikel 99 lid 9 Wna ingesteld. Klager is daarom ontvankelijk in zijn verzet.

3.2 De voorzitter heeft in haar beslissing de klacht aldus verwoord, dat klager de oud-notaris wederom verwijt onzorgvuldig en onrechtmatig te hebben gehandeld door zonder volmacht en titel een bedrag van € 47.000,- over te maken naar de rekening van een derde. Over dit verwijt heeft de voorzitter overwogen dat het beginsel ‘ne bis in idem’ ook geldt in het tuchtrecht en dat dit beginsel meebrengt dat het handelen van de notaris inzake een bepaald feitencomplex slechts eenmaal tuchtrechtelijk kan worden getoetst. De voorzitter overweegt verder dat de onderhavige klachtzaak, evenals de klacht van 19 januari 2009, betreft het verwijt dat de oud-notaris in september 2007 zonder geldige titel een bedrag van € 47.000,- heeft overgemaakt aan klagers wederpartij en dat de door klager genoemde ‘exhibitieplicht’ en het gestelde ‘stilzwijgend akkoord gaan met de inhoud van de buitengerechtelijke vernietigingsverklaring’ dat niet anders maakt. De voorzitter komt tot de conclusie dat, nu over de klacht eerder is beslist door de kamer van toezicht bij beslissing van 10 februari 2010, het processuele beginsel ‘ne bis in idem’ eraan in de weg staat om de klacht nogmaals te behandelen.

3.3 Over de klacht tegen de notaris, dat haar hetzelfde verwijt treft als de oud-notaris, omdat zij de praktijk van de oud-notaris heeft overgenomen waardoor zij aansprakelijk is voor rechtshandelingen waarvoor geen geldige titel aanwezig is, overweegt de voorzitter dat niet is komen vast te staan dat de notaris handelingen heeft verricht die jegens klager tuchtrechtelijk verwijtbaar zijn. De omstandigheid dat later het protocol en de overige notariële bescheiden van de oud-notaris aan de notaris zijn toegewezen, brengt daarin volgens de voorzitter geen wijziging.         

3.4 Getoetst moet worden of de voorzittersbeslissing waartegen het verzet zich richt, al dan niet op goede gronden is gegeven. De voorzitter heeft klager kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in zijn klacht tegen de oud-notaris en heeft de klacht tegen de notaris kennelijk ongegrond verklaard.

3.5 De kamer stelt het volgende voorop.

3.5.1 Klager heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat, anders dan in de beslissing van de voorzitter wordt vermeld, de klacht is ingediend bij faxbericht van 27 maart 2014.

De kamer constateert dat op die datum geen faxbericht, maar wel een e-mail van klager is ontvangen. In deze e-mail heeft klager de kamer voor het notariaat verzocht met een voorziening te bevorderen dat

“a) een acht tal royementsverklaringen 1e en 2e hypotheekhouder fysiek beschikbaar  

  worden gesteld;

b) de onverschuldigde betaling van € 47.000,00 waarvoor ‘geen titel’ beschikbaar is wordt gecrediteerd;

c) de bankgarantie van (…) van € 20.000,00 welke eigendom is cessionaris fysiek beschikbaar wordt gesteld om deze bankgarantie te kunnen verzilveren;

d) betalingen van honorariums waarvoor ‘geen opdracht en/of titel aanwezig’, doch direct van de derde rekening betaalbaar zijn gesteld door de notaris aan zichzelf;

e) volgens de jurisprudentie zijn betalingen door een notaris direct vanaf de derde rekening een ‘doodzonde’ zodat cessionaris een beroep doet op ‘onverschuldigde betalingen’ waarbij een beroep wordt gedaan op Richtlijn 2000/35EG.” 

3.5.2 Nadien is op genoemde datum een nieuw e-mailbericht van klager ontvangen, waarin klager onder meer meedeelt dat aan hem het recht toekomt om aan “de notaris de ‘titel’ op te vragen van rechtshandelingen gepleegd door de notaris, waarvoor geen getekende opdracht, volmacht zijn afgegeven” en waarin klager een verzoek doet tot herziening van - naar de kamer begrijpt - de beslissing van de kamer van toezicht te Arnhem van 10 februari 2010. 

Door de secretaris van de kamer is daarop aan klager onder meer geantwoord dat beslissingen van de kamer van toezicht niet kunnen worden herzien en voorts dat, indien klager met zijn e-mail beoogt een klacht in te dienen, hij duidelijk dient aan te geven welke verwijten klager aan de notaris maakt, omdat de tekst van de e-mail in dit opzicht onbegrijpelijk is.

3.5.3 De kamer overweegt dat uit zowel de eerste e-mail als de tweede e-mail van klager geen tuchtrechtelijke klacht tegen de oud-notaris respectievelijk de notaris kan worden afgeleid. De stelling van klager dat zijn klacht is ingediend op 27 maart 2014 is dan ook onjuist. Met de voorzitter gaat de kamer ervan uit dat klager met zijn faxbericht van 21 september 2014 de klacht tegen de oud-notaris en de notaris heeft ingediend.

3.6 In zijn verzetschrift van 27 maart 2014 herhaalt klager hetgeen hiervoor onder 3.5.1

a) tot en met e) is weergegeven. Verder stelt klager dat de beslissing van de voorzitter onvoldoende dan wel onbegrijpelijk is gemotiveerd, omdat het ‘oneerlijk handelen’, het ‘achterhouden van stukken’ en het ‘voorliegen’ door de oud-notaris alsmede de ‘nieuwe feiten’ onbesproken zijn gepasseerd. Daarnaast betoogt klager dat het beginsel van ‘ne bis in idem’ niet van toepassing is op rechtshandelingen op grond van artikel 25 lid 6 Wet op het notarisambt en doet hij ter onderbouwing van zijn verzet een beroep op Richtlijn 2000/35/EG, artikelen 6, 13 en 17 EVRM en de artikelen 3:49-50 BW en 3:53 BW.  

3.7 De kamer stelt vast dat het door klager gestelde onder a) en c) tot en met e) geenszins betrekking heeft op hetgeen de voorzitter heeft overwogen naar aanleiding van het verwijt van klager dat de oud-notaris zonder volmacht en titel een bedrag van € 47.000,- heeft overgemaakt naar de rekening van de wederpartij van klager respectievelijk dat de notaris daarvoor aansprakelijk zou zijn.ethet

 Het onder die letters genoemde ziet op andere aangelegenheden dan waarover de voorzitter heeft beslist. In zoverre kan het verzet niet slagen.

3.8 Voor zover klager met het onder b) gestelde wil betogen dat de voorzitter ten onrechte heeft geoordeeld dat het ‘ne bis in idem’ beginsel verhindert dat klager nogmaals een klacht ter beoordeling voorlegt waarover al eerder is beslist, overweegt de kamer het volgende. Het is vaste jurisprudentie dat het beginsel van ‘ne bis in idem’ ook van toepassing is binnen het notarieel tuchtrecht. Nu de kamer van toezicht te Arnhem op 10 februari 2010 heeft beslist op een klacht van klager tegen de oud-notaris, gelijkluidend aan die welke thans voorligt, belet het genoemde beginsel dat opnieuw over die klacht kan worden geoordeeld. De kamer is het dus eens met de beslissing van de voorzitter. Het betoog van klager dat het beginsel niet geldt voor rechtshandelingen op grond van artikel 25 lid 6 Wet op het notarisambt wordt gepasseerd. Wat er van die stelling ook zij, het gaat hier niet om rechtshandelingen zoals in die bepaling genoemd, maar om het indienen van een tuchtrechtelijke klacht. Ook de verwijzingen naar de EG richtlijn en de bepalingen van het EVRM en het BW baten klager niet, nu deze hier niet relevant zijn.

3.9 De kamer volgt de voorzitter eveneens in haar overwegingen wat betreft de klacht tegen de notaris. De omstandigheid dat het protocol van de oud-notaris van overheidswege aan de

notaris is toegewezen, brengt niet mee dat om die reden de notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de gedragingen van haar ambtsvoorganger. Met de

voorzitter is de kamer van oordeel dat geen feiten of omstandigheden zijn gebleken waaruit volgt dat de notaris onzorgvuldig jegens klager heeft gehandeld.    

3.10 Hetgeen klager verder nog naar voren heeft gebracht, kan buiten beschouwing blijven, omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.

3.11 Uit het voorgaande volgt dat de voorzitter van de kamer op goede grond de klacht  tegen de oud-notaris kennelijk niet-ontvankelijk en de klacht tegen de notaris kennelijk ongegrond heeft verklaard. Het verzet is daarom ongegrond.

4. De beslissing

De kamer voor het notariaat

verklaart het verzet van klager tegen de beslissing van de voorzitter van de kamer van

30 januari 2015 ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. L.A. van Son, voorzitter, H. Quispel , C.J.M. Hendriks, J.G.T.M. Castrop en L.P. Oostveen-ter Braak , leden en in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. Oor, secretaris, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2015.

de secretaris                                                                                  de voorzitter