ECLI:NL:TNORARL:2015:14 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2014/73-74

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2015:14
Datum uitspraak: 20-04-2015
Datum publicatie: 03-07-2015
Zaaknummer(s): AL/2014/73-74
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:   Wilsbekwaamheid. Ten tijde van de opstelling van het testament in deze zaak gold het Stappenplan 2006. Anders dan het inmiddels in werking getreden Stappenplan 2012 kende het Stappenplan 2006 (hierna het “Stappenplan”) nog niet de mogelijkheid om een zogenaamde VIA-arts (arts lid van de Vereniging Indicerende en Adviserende artsen) in te schakelen. De feiten en omstandigheden van het geval tezamen en in onderlinge samenhang rechtvaardigen de conclusie dat de (kandidaat-) notaris met inachtneming van het Stappenplan, en daarmee op juiste wijze, heeft getoetst of erflater op adequate wijze zijn wil kon bepalen en de strekking van de voorgenomen akte kon begrijpen. Niet is komen vast te staan dat de notaris in deze zaak onvoldoende zorgvuldig te werk is gegaan. Uit de door klagers overgelegde rapportage, die dateert van na de ondertekening van het testament, kan weliswaar worden afgeleid dat erflater slechte momenten had, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat hij op het moment dat het testament is doorgesproken en gepasseerd werd niet in staat was om zijn wil te bepalen. Klacht ongegrond.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT

ARNHEM-LEEUWARDEN                              

Kenmerk: AL/2014/73 - 74

Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van

[A]

[B]

wonende respectievelijk te […] en te […]

tegen

mr. [C]

notaris te […],

en

mr. [D]

kandidaat-notaris te […]

Partijen worden hierna verder aangeduid als klaagster dan wel klager, dan wel tezamen als klagers. Verweerders worden tezamen aangeduid als de (kandidaat-)notaris tenzij zij afzonderlijk van elkaar zijn opgetreden.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de brief van klagers met bijlagen van 5 juni 2014   ingekomen bij de kamer op 11 juni 2014;

- de brief van de notaris met bijlagen van 22 juni 2014 ingekomen op  4 juni 2014;

- de brief van klagers met bijlagen van 14 jul 2014 ingekomen op 16 juli 2014;

- de brief van de notaris van 20 augustus 2014, ingekomen op 21 augustus 2014;

- de e-mail met bijlage van klager van 22 oktober 2014;

- de e-mail van de notaris van 22 oktober 2014;

- de brief van de notaris van 22 oktober 2014.

1.2 De klachtzaak is ter zitting van 27 februari 2015 behandeld. Partijen zijn in persoon verschenen.

1.3 De notaris heeft onbetwist gesteld dat zij alle gesprekken met erflater samen met de (kandidaat-)notaris heeft gedaan. Als hierna wordt gesproken over de (kandidaat-)notaris worden zij hiermee tezamen bedoeld.

2. De feiten

2.1 Op 9 september 2011 is overleden de heer [E] (hierna: erflater).

2.2 Erflater heeft bij testament van 1 juli 2011, gepasseerd bij de (kandidaat-)notaris, over zijn nalatenschap beschikt en daarbij zijn dochter [F] (hierna: dochter van erflater/zuster van klagers) voor drie zesde deel van zijn nalatenschap tot erfgenaam benoemd. Erflater heeft zijn dochter [B] en zijn zoon [A] (hierna: klagers dan wel klager en klaagster) respectievelijk voor twee zesde en één zesde deel van zijn nalatenschap tot erfgenamen benoemd.

3. De standpunten

3.1 Klagers stellen zich op het standpunt dat de (kandidaat-)notaris bij het opstellen van het testament van erflater onzorgvuldig te werk is gegaan.

Gelet op het klaagschrift en de daarop ter zitting door klagers gegeven toelichting zijn de verschillende klachtonderdelen, met instemming van klagers, vastgesteld zoals hierna vermeld.

Klachtonderdeel a)

Klagers verwijten de (kandidaat-)notaris dat hij bij het opstellen van het testament het handelingsbekwaamheidsprotocol niet gevolgd heeft. Zou dat wel gebeurd zijn, dan zou vastgesteld zijn dat de wilsbekwaamheid van erflater in te vergaande mate werd beperkt zowel door zijn geestelijke gezondheid, als door zijn afhankelijke positie ten opzichte van de zuster van klagers.

Klachtonderdeel b)

Klagers verwijten de (kandidaat-)notaris dat in het testament niet het juiste adres van erflater is opgenomen.

3.2 De (kandidaat-)notaris heeft de klacht van klagers gemotiveerd betwist en stelt zich op het standpunt dat deze niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond moet worden verklaard.

3.3 De overige door klagers en door de notaris ter onderbouwing van hun standpunt gestelde feiten en omstandigheden, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, komen hierna aan de orde.

4. De beoordeling

4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

Vooraf merkt de kamer het volgende op. Ter zitting is gebleken dat de kandidaat notaris en de notaris in het dossier waarin klagers nu klager, gezamenlijk zijn opgetrokken. Hierna wordt daarom geen onderscheid gemaakt tussen de notaris en de kandidaat notaris en worden zij tezamen aangeduid als de (kandidaat-)notaris, tenzij zij afzonderlijk van elkaar hebben opgetreden.

Klachtonderdeel a)

Het niet althans onvoldoende vaststellen van de wilsbekwaamheid van erflater en het niet volgen van het Stappenplan door de notaris.

4.2 De Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) heeft een leidraad opgesteld (het al eerder genoemde Stappenplan) voor de beoordeling van de vraag of degene die een rechtshandeling - zoals in casu het maken van een testament - wil verrichten, voldoende in staat is zijn toestemming tot de rechtshandeling te bepalen (wilsbekwaam is). Dit stappenplan geeft enerzijds criteria (indicatoren) ter bepaling van wils(on)bekwaamheid en is anderzijds een handleiding voor een te volgen handelwijze in geval de notaris twijfelt aan de wilsbekwaamheid van degene die een testament wil passeren.

Bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid is het uitgangspunt dat het aan de notaris is om te beoordelen of degene die een rechtshandeling wil verrichten in staat is zijn wil te bepalen. Slechts wanneer aanleiding tot twijfel bestaat, moet de wilsbekwaamheid door de notaris uitgebreider onderzocht worden. De notaris dient bij de beoordeling van de vraag of reden voor twijfel aan de wilsbekwaamheid bestaat, zorgvuldig te werk te gaan. Wanneer één of meerdere (in het Stappenplan aangegeven) indicatoren reden voor twijfel geven, dienen de in het Stappenplan aangegeven verdere stappen te worden gevolgd.

Ten tijde van de opstelling van het testament in deze zaak gold het Stappenplan 2006. Anders dan het inmiddels in werking getreden Stappenplan 2012 kende het Stappenplan 2006 (hierna het “Stappenplan”) nog niet de mogelijkheid om een zogenaamde VIA-arts (arts lid van de Vereniging Indicerende en Adviserende artsen) in te schakelen.

Geheimhoudingsplicht

4.3 De (kandidaat-)notaris heeft in de eerste plaats aangevoerd dat het in verband met de geheimhoudingsplicht niet mogelijk is om een volledig beeld te schetsen van alle feiten en omstandigheden die zich voorafgaand aan en bij het passeren van het testament hebben voorgedaan en die voor de (kandidaat-) notaris een rol hebben gespeeld bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid van erflater.

De (kandidaat-)notaris heeft de kamer verzocht om apart gehoord te worden om bedoelde feiten en omstandigheden – buiten aanwezigheid van klagers - ter kennis van de kamer te kunnen brengen.

De kamer komt aan de beoordeling van dit verzoek - dat op gespannen voet staat met het gebod van hoor en wederhoor - niet toe, omdat zij op basis van de feiten en omstandigheden die partijen over en weer (wel) hebben aangevoerd, tot de conclusie komt dat de verwijten die klagers aan de (kandidaat) notaris maken, ongegrond zijn. Zij motiveert dat als volgt.

Inhoudelijk

4.4 De (kandidaat-)notaris heeft beschreven hoe zij is omgegaan met erflater.

De (kandidaat-)notaris heeft desgevraagd verklaard op de hoogte geweest te zijn van het feit dat erflater tot twee maal toe een hersenbloeding had gehad en ook een keer een epileptische aanval. Dit gegeven noch het gegeven dat erflater op dat moment in een verpleegtehuis woonde, vormde aldus de (kandidaat-) notaris op zich zelf beschouwd een contra-indicatie, aangezien voor de opname van erflater in het verpleegtehuis aanwijsbare fysieke oorzaken waren. Vanwege de leeftijd en de gezondheid van erflater heeft de notaris overeenkomstig het beleid van het kantoor van de (kandidaat-)notaris in dit soort zaken, de gesprekken met erflater telkens gevoerd in aanwezigheid van de kandidaat-notaris. Daarbij is ook rekening gehouden met de slechthorendheid van erflater, door dichtbij hem plaats te nemen en luid en duidelijk te spreken.

Voor het eerste gesprek over het testament is de afspraak gemaakt door de zuster van klagers/dochter van erflater en is erflater opgezocht in het verpleegtehuis waar hij verbleef. De zuster van klagers/dochter van erflater heeft de (kandidaat-)notaris binnengelaten en is daarna weggegaan.

Daarbij heeft de (kandidaat-) notaris erflater uitgelegd waarom zijn dochter niet bij het gesprek aanwezig mocht zijn. Voor het gesprek met erflater hebben de notaris en de (kandidaat-)notaris anderhalf uur uitgetrokken. In de loop van dit gesprek heeft erflater toegelicht wat zijn wensen waren voor zijn testament en waarom. Erflater was daarbij naar de indruk van de (kandidaat-) notaris helder in het contact en reageerde adequaat, ook op zogenaamde test-vragen.

Op uitdrukkelijk verzoek van erflater is het concept van het testament gestuurd aan het adres van zijn dochter/de zuster van klagers. Klager wenste het concept niet op zijn adres in het verpleegtehuis te ontvangen omdat zijn privacy daar naar zijn inschatting niet goed genoeg gewaarborgd was.

Het tweede gesprek met erflater heeft plaatsgevonden op kantoor van de (kandidaat-)notaris. De dochter van erflater/zuster van klagers heeft erflater daar gebracht, maar is wederom niet bij het gesprek aanwezig geweest.

Erflater heeft in het tweede gesprek nog een wijziging aangebracht in het concept. Erflater was wederom helder in gesprek en reageerde adequaat op (test-)vragen, in het bijzonder ook op vragen over zijn beweegredenen voor de gewenste wijziging in het concept. Het concept is daarop aangepast en de definitieve versie van het testament is vervolgens gepasseerd.

Al deze omstandigheden, die als onweersproken en dus vaststaand moeten worden aangenomen, tezamen en in onderlinge samenhang rechtvaardigen de conclusie dat de (kandidaat-) notaris met inachtneming van het Stappenplan, en daarmee op juiste wijze, heeft getoetst of erflater op adequate wijze zijn wil kon bepalen en de strekking van de voorgenomen akte kon begrijpen.

De kamer komt daarmee tot het oordeel dat niet is komen vast te staan dat de notaris in deze zaak onvoldoende zorgvuldig te werk is gegaan.

Klagers hebben hun stelling dat bij de opstelling van het testament van hun vader het protocol handelingsbekwaamheid niet gevolgd zou zijn, nog onderbouwd met de rapportage van het bezoek van erflater aan het ziekenhuis op 9 augustus 2011. Afgezien van het feit dat deze medische beoordeling is uitgevoerd nadat het testament is gepasseerd, biedt het onvoldoende aanknopingspunten om de stelling van klagers aannemelijk te maken. Uit de rapportage kan weliswaar worden afgeleid dat erflater slechte momenten had, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat hij op het moment dat het testament is doorgesproken en gepasseerd niet in staat was om zijn wil te bepalen.

Ook de door klager beschreven rol en betrokkenheid van hun zuster, leiden niet tot een ander oordeel. De zuster is immers niet aanwezig geweest bij de gesprekken met erflater en de (kandidaat-)notaris heeft zich ervan vergewist of erflater zelf in staat was zijn wil te bepalen. Ook de andere door klagers aangevoerde feiten en omstandigheden leiden niet tot een andere conclusie.

De klacht wordt op onderdeel a) wordt daarom ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

Ten aanzien van het verwijt van klagers dat in het testament niet het juiste adres van erflater is opgenomen overweegt de kamer als volgt.

Het testament van erflater bevat het ten tijde van het opstellen van het testament actuele - feitelijke - verblijfadres van erflater in het verpleegtehuis. Aangezien er geen rechtsregel is die voorschrijft dat het testament - zoals klager stelt - het meest recente adres uit de gemeentelijke basisadministratie dient te bevatten en er evenmin een rechtsregel is die zich verzet tegen het opnemen van het verblijfadres van erflater in het testament zoals in dit geval is gebeurd, wordt de klacht op dit punt bij gebrek aan feitelijke grondslag respectievelijk rechtsgrond ongegrond verklaard.

4.5 Derhalve wordt beslist als volgt.

5. De beslissing

De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:

- verklaart de klacht op alle onderdelen (a en b) ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Blaisse, voorzitter en mrs. M.C.J. Heessels, T.K. Lekkerkerker, H.J. Hettema en F. Drost, in tegenwoordigheid van

mr. M.J. Derksen, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 20 april 2015.

De secretaris,                                                                                 De voorzitter,

Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam. Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.