ECLI:NL:TNORARL:2015:10 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2014/45
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2015:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 27-01-2015 |
| Datum publicatie: | 11-06-2015 |
| Zaaknummer(s): | AL/2014/45 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid is het uitgangspunt dat het aan de notaris is om te beoordelen of degene die een rechtshandeling wil verrichten - in deze zaak de erflater - in staat is zijn wil te bepalen. Slechts wanneer aanleiding tot twijfel bestaat, moet de wilsbekwaamheid door de notaris uitgebreider onderzocht worden. De notaris dient bij de beoordeling van de vraag of reden voor twijfel aan de wilsbekwaamheid bestaat, zorgvuldig te werk te gaan. Wanneer één of meerdere (in het Stappenplan aangegeven) indicatoren reden voor twijfel geven, dienen de in het Stappenplan aangegeven verdere stappen te worden gevolgd. De kamer is in deze zaak al met al van oordeel dat de door klaagster aangevoerde feiten en omstandigheden, onvoldoende grond vormen om de conclusie te rechtvaardigen dat de notaris in deze zaak, alvorens het testament te passeren, een verder onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflater had moeten instellen. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT
ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: AL/2014/45
Beslissing van de kamer voor het notariaat op de klacht van
[…],
wonende te […],
gemachtigde: mr. P.H.M. Essink,
advocaat te Ooij,
tegen
[…],
notaris te […],
gemachtigde: mr. J. Schröder,
advocaat te Nijmegen.
Partijen worden hierna verder aangeduid als klaagster en de notaris.
1. Verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de brief van klaagster met bijlagen van 14 april 2014 ingekomen bij de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem - Leeuwarden verder: de kamer) op 15 april 2014;
- de brief van de notaris met bijlagen van 9 juli 2014 ingekomen bij de kamer op 10 juli 2014;
- de brief van klaagster met bijlagen ingekomen bij de kamer op
20 augustus 2014;
- het e-mailbericht met bijlagen van 28 november 2014 van klaagster;
- het e-mailbericht met bijlagen van 8 december 2014 van klaagster.
1.2 De klachtzaak is ter zitting van 12 december 2014 behandeld. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. De notaris heeft zich bovendien laten vergezellen door haar kantoorgenoot kandidaat-notaris [A].
2. Feiten
2.1 Op 27 februari 2014 is de partner van klaagster, [B] (hierna: erflater), overleden. Erflater leed aan de ziekte van Parkinson.
2.2 Op 15 december 2003 hebben klaagster en erflater samen een akte partnerschapsvoorwaarden en ieder een testament laten verlijden voor [C] (hierna: [C]). Erflater heeft klaagster tot zijn enig erfgename benoemd en zijn kinderen onterfd.
2.3 Erflater heeft nadien bij testament van 2 december 2013 over zijn nalatenschap beschikt.
2.4 Daaraan voorafgaand heeft [C], voormalig kantoorgenoot van de notaris, op
25 november 2013 op het kantoor van de notaris een voorbespreking gevoerd met erflater.
2.5 Dezelfde dag nog, dus op 25 november 2013 heeft [A] - kandidaat-notaris op het kantoor van de notaris (hierna: de kandidaat-notaris) - het concept-testament opgesteld en met erflater besproken. Daartoe heeft hij erflater opgezocht in de verpleeginstelling waar erflater op dat moment al geruime tijd verbleef.
2.6 Op 2 december 2013 is het testament ten kantore van de notaris, in aanwezigheid van erflater, van de notaris en van de kandidaat-notaris besproken en gepasseerd.
2.6 Bij dit testament heeft erflater zijn eerdere testament herroepen en zijn neef, de heer [D] (hierna: [D]) als enig erfgenaam benoemd. Het testament hield hierdoor een onterving van klaagster in.
3. Standpunt
3.1 Klaagster klaagt dat de notaris ten tijde van het opmaken en van het passeren van het testament heeft nagelaten de wilsbekwaamheid van erflater te onderzoeken, althans heeft nagelaten daartoe het Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan) toe te passen (klachtonderdeel a). Klaagster klaagt bovendien dat de notaris haar na het overlijden van erflater onvoldoende heeft ingelicht omtrent de gevolgen van het testament (klachtonderdeel b). Klaagster klaagt voorts dat de notaris in haar brief van 20 maart 2014 een foutief standpunt heeft ingenomen omtrent de woonsituatie van erflater en klaagster en heeft nagelaten te reageren op vragen van klaagster (klachtonderdeel c).
3.2 De notaris heeft de klacht van klaagsters gemotiveerd betwist en stelt zich op het standpunt dat deze niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond moet worden verklaard.
3.3 De overige door klaagsters en door de notaris ter onderbouwing van hun standpunt gestelde feiten en omstandigheden, voor zover voor de beoordeling van deze klacht van belang, komen hierna aan de orde.
4. Beoordeling
4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.
Klachtonderdeel a) Het niet althans onvoldoende vaststellen van de wilsbekwaamheid van erflater en het niet volgen van het Stappenplan door de notaris.
4.2 Voor het geval een notaris in de uitoefening van zijn ambt geconfronteerd wordt met de vraag of degene die een rechtshandeling - zoals in casu het maken van een testament - wil verrichten voldoende in staat is zijn toestemming tot de rechtshandeling te bepalen (wilsbekwaam is), is door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie (KNB) ter invulling van de hiervoor onder 4.1 bedoelde norm een leidraad opgesteld: het al eerder genoemde Stappenplan. Dit Stappenplan geeft enerzijds criteria (indicatoren) ter bepaling van wils(on)bekwaamheid en is anderzijds een handleiding voor een te volgen handelwijze in geval de notaris twijfelt aan de wilsbekwaamheid van degene die een rechtshandeling wil verrichten.
Bij de beoordeling van de wilsbekwaamheid is het uitgangspunt dat het aan de notaris is om te beoordelen of degene die een rechtshandeling wil verrichten - in deze zaak de erflater - in staat is zijn wil te bepalen. Slechts wanneer aanleiding tot twijfel bestaat, moet de wilsbekwaamheid door de notaris uitgebreider onderzocht worden.
De notaris dient bij de beoordeling van de vraag of reden voor twijfel aan de wilsbekwaamheid bestaat, zorgvuldig te werk te gaan. Wanneer één of meerdere (in het Stappenplan aangegeven) indicatoren reden voor twijfel geven, dienen de in het Stappenplan aangegeven verdere stappen te worden gevolgd.
De notaris heeft aangevoerd dat zij geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflater. Zij heeft ter onderbouwing van deze stelling aangevoerd dat drie personen – [C], de kandidaat notaris en zijzelf - uitgebreid met erflater gesproken hebben. In die gesprekken die deels buiten aanwezigheid van derden hebben plaatsgevonden, zijn de gevolgen van het testament aan de orde gesteld. Vastgesteld is dat erflater bewust en op de hoogte zijnde van deze gevolgen, zijn wil bepaald heeft. Erflater heeft aan de notaris en aan de kandidaat-notaris zijn motieven voor het veranderen van zijn testament uiteengezet. Erflater is in zijn eigen woonomgeving door de kandidaat-notaris bezocht. Het testament is gepasseerd in aanwezigheid van de notaris en de kandidaat-notaris buiten aanwezigheid van derden en door hem zelf ondertekend. Het testament is niet overhaast gepasseerd: tussen het eerste gesprek met [C] op 25 november 2013 en het passeren van het testament op 2 december 2013 ligt ruim een week. Het gesprek waarin het testament gepasseerd is, nam ruim een uur in beslag. Niet alleen de notaris zelf, maar ook [C] en de kandidaat-notaris hebben geen aanleiding tot twijfel gehad.
Dit alles leidt de kamer tot het oordeel dat de notaris voldoende zorgvuldig heeft gehandeld om tot het oordeel te komen dat erflater wilsbekwaan was om zijn testament te maken/wijzigen.
Daarbij komt dat de kamer geen aanwijzingen ziet dat de beoordeling door de notaris niet juist is geweest. Noch de ziekten waaraan erflater leed noch andere omstandigheden duiden op wilsonbekwaamheid van de erflater.
De CIZ-indicatie d.d. 12 december 2013, opgesteld door de behandelaar in de verpleeginstelling waar klager verbleef, vormt een bevestiging van het standpunt van de notaris. Deze aanvraag van 12 december 2013, tien dagen na het passeren van het testament van erflater, geeft aan dat de cognitie van klager “overdag helder en adequaat” is.
Tenslotte overweegt de kamer dat zij het oordeel van de notaris deelt dat het geen juiste handelwijze zou zijn wanneer een notaris die geen reden tot twijfel aan wilsbekwaamheid heeft, louter “ter dekking tegen mogelijke latere klachten” een erflater aan een onderzoek naar wilsbekwaamheid laat onderwerpen.
De kamer is daarom al met al van oordeel dat de door klaagster aangevoerde feiten en omstandigheden, zoals bijvoorbeeld mogelijke beïnvloeding door de erfgenaam [D] onvoldoende grond vormen om de conclusie te rechtvaardigen dat de notaris in deze zaak, alvorens het testament te passeren, een verder onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflater had moeten instellen. De klacht wordt op dit onderdeel ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b) Het inlichten over de gevolgen van het testament.
4.3 Evenmin acht de kamer de klacht gegrond dat de notaris klaagster onvoldoende of onjuist zou hebben ingelicht. Niet weersproken is dat de notaris klaagster als onterfde partner van erflater in een gesprek heeft ingelicht over de gevolgen van het testament en gewezen heeft op de rechten van klaagster.
Feiten of omstandigheden op grond waarvan de notaris ten deze niet juist zou hebben gehandeld, zijn niet gesteld en niet gebleken. Evenmin is aannemelijk geworden dat klaagster, nadat zij contact heeft opgenomen met de notaris, vervolgens door de brief van de notaris van 20 maart 2014 en/of in het daaraan voorafgaande gesprek op het kantoor van de notaris (op) onzorgvuldig(e wijze) geïnformeerd dan wel onheus bejegend is.
Derhalve zal ook klachtonderdeel b ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel c) Het standpunt van de notaris over de rechten van klaagster betreffende de woning aan de […] te […].
4.4 Klaagster verwijt de notaris dat zij het standpunt heeft ingenomen dat klaagster geen rechten zou kunnen ontlenen aan het bepaalde in artikel 4:29 B.W., omdat geen sprake zou zijn geweest van een gemeenschappelijke woning van klaagster en erflater dan wel een door klaagster bewoonde woning. Hieromtrent heeft de notaris in haar brief van 20 maart 2014 gesteld dat klaagster in de gegeven situatie geen aanspraak lijkt te kunnen maken op het recht van vruchtgebruik van de woning en de inboedel daarvan.
De kamer is van oordeel dat ook ten deze de notaris geen verwijt is te maken. De notaris heeft klaagster gewezen op de wetsbepaling en daarbij aangegeven dat niet vaststond of klaagster aan deze bepaling rechten kon ontlenen, omdat er objectieve aanwijzingen ontbraken dat klaagster en erflater de woning samen bewoonden. De notaris heeft in dit verband gewezen op de inschrijving in het GBA-register van klaagster en erflater op verschillende adressen en eerdere verklaringen van klaagster. Het feit dat de notaris klaagster op de mogelijkheid gewezen heeft dat een beroep op artikel 4:29 BW zou stranden, kan niet als tuchtrechtelijk verwijtbaar worden aangemerkt.
Dit geldt evenzeer ten aanzien van het feit dat de notaris niet meer heeft gereageerd op alle vragen die klaagster bij brief van haar gemachtigde van 21 maart 2014 heeft gesteld (na de brief van de notaris van 20 maart 2014). In haar brief had klaagster reeds een voorbehoud voor rechtsmaatregelen gemaakt, zodat de mening van de notaris over het beroep op artikel 4:29 BW niet verder relevant was. Daarbij komt dat de notaris bij brief van 25 maart 2014 op de brief van de gemachtigde van klaagster van 21 maart 2014 gereageerd heeft voor zover zij beantwoording relevant achtte.
4.5 Derhalve wordt beslist als volgt.
5. Beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:
- verklaart de klacht op alle onderdelen (a, b en c) ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, voorzitter en
mrs. M.E. van Rossum, J.N.G.J. Kuin, W.J. Hordijk en F.M.J. Mulder, in
tegenwoordigheid van mr. M.J. Derksen, secretaris, uitgesproken in het openbaar op
27 januari 2015.
De secretaris, De voorzitter,
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam. Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.