ECLI:NL:TNORARL:2014:42 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/181
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2014:42 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 03-07-2014 |
| Datum publicatie: | 19-02-2015 |
| Zaaknummer(s): | AL/2013/181 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht |
| Beslissingen: | Klacht ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Discussie over de vraag of een vordering al dan niet betaald of tenietgegaan was. De kandidaat-notaris heeft klager dan ook op juiste gronden in de gelegenheid gesteld het bewijs te leveren van betaling van de vordering. Toen dat bewijs uitbleef, heeft de kandidaat-notaris eveneens op goede grond beslist om de vordering als schuld van de nalatenschap aan te merken en daaruit te voldoen. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT
ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: AL/2013/181
Beslissing van de Kamer voor het notariaat op de klacht van
[X],
wonende te [..],
hierna: klager,
gemachtigde: mr. S.M. van der Sijs, advocaat te Baarn,
tegen
[Z],
kandidaat-notaris te [..],
hierna: de kandidaat - notaris,
gemachtigde: mr. O.B. Zwijnenberg, advocaat te Rotterdam.
1. Verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een brief, met bijlagen, van klager van 26 november 2013;
- een brief, met bijlagen, van de kandidaat-notaris van 8 januari 2014;
- een brief, met bijlagen, van klager van 23 januari 2014;
- een brief, met bijlagen, van de kandidaat-notaris van 26 februari 2014;
- een brief, met bijlage, van klager van 5 mei 2014.
1.2 De klachtzaak is ter zitting van 14 mei 2014 behandeld. Klager is met zijn gemachtigde verschenen. De kandidaat-notaris is eveneens verschenen tezamen met haar gemachtigde.
2. Feiten
2.1 Gelet op wat klager en de notaris over en weer hebben aangevoerd alsmede op basis van de overgelegde stukken, gaat de kamer uit van de volgende feiten.
2.2 Op 18 augustus 2010 is overleden mevrouw [A], verder te noemen erflaatster. Zij heeft bij testament van 10 december 2009 klager en zijn zuster tot haar erfgenamen benoemd. Erflaatster was een tante van klager en zijn zuster. De erfgenamen hebben de nalatenschap zuiver aanvaard.
2.3 Bij het hierboven bedoelde testament heeft erflaatster het vruchtgebruik van haar woonhuis met inboedel gelegateerd aan haar partner (verder: de partner).
Bij e-mailbericht van 13 februari 2011 heeft de partner aan het kantoor van de kandidaat-notaris bericht dat hij geen gebruik zal maken van het vruchtgebruik.
2.4 Voorts heeft erflaatster de oudste kandidaat-notaris van het kantoor, waar de kandidaat-notaris werkzaam is, benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder als bedoeld in artikel 4:171 BW. Vanaf oktober 2011 zijn deze werkzaamheden overgedragen aan en verricht door de kandidaat-notaris.
2.5 De partner en nadien zijn erfgename(n) hebben op grond van een op 15 augustus 1988 tussen erflaatster en de partner getekende overeenkomst aanspraak gemaakt op betaling van een bedrag van € 48.889,00 uit de nalatenschap van erflaatster.
2.6 Onder aftrek van een door de kandidaat-notaris in depot gehouden bedrag van € 2.500,00 is het onder 2.5 genoemde bedrag, per saldo € 46.389,00, op 10 juli 2012 door de kandidaat-notaris naar de (erven)rekening van de partner van erflaatster overgemaakt.
2.7 Bij brief van 26 november 2013 heeft klager bij de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden (verder: de Kamer) een klacht ingediend over de wijze waarop de kandidaat-notaris de nalatenschap van erflaatster heeft afgewikkeld.
3. Standpunten
3.1 De klacht van klager valt in vier onderdelen uiteen. In de eerste plaats verwijt klager de kandidaat-notaris dat zij een bedrag van € 46.389,00 uit de nalatenschap aan de erfgenamen van de partner heeft betaald, terwijl klager als erfgenaam van erflaatster bij herhaling en uitdrukkelijk heeft laten weten niet met deze betaling in te stemmen (klachtonderdeel 1).
3.2 In de tweede plaats verwijt klager de kandidaat-notaris onjuiste althans onzorgvuldige advisering met betrekking tot het gelegateerde vruchtgebruik (klachtonderdeel 2).
3.3 In de derde plaats stelt klager dat de kandidaat-notaris ten onrechte een concept verdelingsakte van het appartementsrecht van erflaatster heeft opgesteld. Indien klager en zijn zuster deze akte ondertekend zouden hebben, zou bij een nadere toedeling van het appartementsrecht aan één van beide erfgenamen, opnieuw, en daarmee onnodig, overdrachtsbelasting verschuldigd zijn (klachtonderdeel 3).
3.4. In de vierde plaats stelt klager dat de kandidaat-notaris ten onrechte de verklaring van erfrecht niet in het Kadaster heeft ingeschreven (klachtonderdeel 4).
3.5 De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Kamer zal daarop hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling van de klacht, nader ingaan.
4. Beoordeling
4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling,
hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.
De Kamer zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen en overweegt als volgt.
4.2 Klachtonderdeel 1
Ter zitting heeft klager gesteld dat zijn bezwaar tegen de uitbetaling van het bedrag van
€ 46.389,00 aan de erfgenamen van de partner van erflaatster (verder de uitbetaling) niet alleen is gelegen in de mogelijkheid dat de vordering al eerder voldaan of anderszins teniet gegaan was, maar ook en veeleer is gebaseerd op de betwisting van het ontstaan/bestaan van de vordering zelf.
Uit de stukken volgt echter dat klager eerder bezwaar had tegen de uitbetaling, omdat de vordering al betaald zou zijn of anderszins teniet zou zijn gegaan. Het bestaan van de vordering zelf, heeft klager eerder niet betwist.
Illustratief in dit verband is dat de mede-erfgenaam van klager (zijn zus), reeds in een mailbericht van 23 november 2011 aan de kandidaat-notaris heeft laten weten ervan uit te gaan dat de schuld aan de erfgenamen van de partner van erflaatster overgemaakt zou worden, terwijl klager zelf, bij mailbericht van dezelfde datum, heeft laten weten dat met het betalen moest worden gewacht.
De discussie ging daarmee over de vraag of de vordering al dan niet betaald of tenietgegaan was. De kandidaat-notaris heeft klager dan ook op juiste gronden in de gelegenheid gesteld het bewijs te leveren van betaling van de vordering. Toen dat bewijs uitbleef, heeft de kandidaat-notaris eveneens op goede grond beslist om de vordering als schuld van de nalatenschap aan te merken en daaruit te voldoen.
De omstandigheid dat de communicatie van de kandidaat-notaris rondom deze beslissing klager mogelijk het idee heeft gegeven dat hij de uitbetaling zou kunnen tegenhouden, is mogelijk ongelukkig, maar leidt niet tot de conclusie dat hier sprake is van klachtwaardig handelen van de kandidaat-notaris in de zin van artikel 93 Wna. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn in dit verband ook overigens niet gesteld of gebleken. De klacht wordt daarom op dit onderdeel ongegrond verklaard.
4.3 Klachtonderdeel 2
De kandidaat-notaris heeft de behandeling van deze zaak eerst per 15 oktober 2011 overgenomen van haar kantoorgenoot. De beoordeling van dit klachtonderdeel beperkt zich uiteraard tot de periode vanaf genoemde datum. De aangifte voor de
erfbelasting was op dat moment reeds gedaan. Voor zover de correspondentie over het vruchtgebruik is gevoerd vóór genoemde datum, blijft deze hier buiten beschouwing.
Van de gebruikte terminologie rondom het al dan niet aanvaarden en bestaan van het vruchtgebruik en/of de servicekosten in de door de kandidaat-notaris gevoerde correspondentie geldt dat deze niet consistent is geweest.
Aanvankelijk was niet duidelijk of het vruchtgebruik aanvaard zou worden. Hieruit is vervolgens correspondentie ontstaan over de vraag of de partner nog servicekosten verschuldigd zou zijn over de periode tot het moment (13 februari 2011) waarop hij uiteindelijk heeft laten weten het vruchtgebruik niet te aanvaarden. Bedoelde kosten zijn (ook) door de kandidaat-notaris geduid als kosten van vruchtgebruik. Hoewel dit strikt genomen geen juiste woordkeuze is, betekent dit niet dat sprake is van onjuiste of onzorgvuldige advisering.
Ook overigens zijn geen feiten gesteld of gebleken op grond waarvan geconcludeerd kan worden dat de kandidaat-notaris over het vruchtgebruik onjuist dan wel onzorgvuldig zou hebben geadviseerd. De klacht van klager wordt daarom op dit onderdeel ongegrond verklaard.
4.4 Klachtonderdeel 3
Afgezien van de omstandigheid dat de conceptakte nimmer ondertekend is en het door klager voorziene risico zich feitelijk niet heeft voorgedaan, is de Kamer van oordeel dat van dit concept niet kan worden gezegd dat het onnodig is opgesteld. In bedoelde akte wordt namelijk, afgezien van het appartementsrecht, een aantal verschillende onderwerpen (toedeling van de andere goederen, rekening en verantwoording van de executeur) geregeld, waarvan het heel gebruikelijk is om die vast te leggen.
De Kamer is daarom van oordeel dat het opstellen van het concept partiële verdelingsakte niet klachtwaardig is te achten. De klacht van klager wordt daarom op dit onderdeel ongegrond verklaard.
4.5 Klachtonderdeel 4
Klager heeft, hoewel daartoe uitgenodigd door de kandidaat-notaris, geen opdracht tot inschrijving gegeven. Feiten of omstandigheden op grond waarvan de kandidaat-notaris bij gebreke van bedoelde opdracht van klager niettemin eigenmachtig tot inschrijving had behoren over te gaan, zijn niet gesteld of gebleken.
De klacht van klager wordt daarom op dit onderdeel ongegrond verklaard.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen wordt als volgt beslist.
5. Beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden
verklaart de klacht op alle onderdelen ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.J. Blaisse, plaatsvervangend voorzitter,
mr. J.N.G.J. Kuin, mr. E.J. Oostrik, mr. M.C.J. Heessels en A. Roesink - Kragt, plaatsvervangend leden, in tegenwoordigheid van mr. E. Markus-Burger, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2014.
De secretaris De plaatsvervangend voorzitter
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.
Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.