ECLI:NL:TNORARL:2014:37 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/66

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2014:37
Datum uitspraak: 10-02-2014
Datum publicatie: 18-09-2014
Zaaknummer(s): AL/2013/66
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:     Het is vaste rechtspraak dat het strafrechtelijk beginsel ne bis in idem – inhoudende dat niemand mag worden berecht of gestraft voor hetzelfde feit waarover reeds bij definitieve einduitspraak is beslist – ook van toepassing is binnen het notariële tuchtrecht. De kamer neemt daarom slechts de klachtonderdelen in aanmerking  die niet dezelfde inhoud en strekking hebben als de reeds eerder tegen de notaris ingediende klacht. Bij het financiële beheer heeft de notaris dan ook gehandeld volgens de geldende normen. De notaris kan naar het oordeel van de kamer geen enkel verwijt dienaangaande worden gemaakt. Klager heeft dienaangaande naar voren gebracht dat hij om een afschrift van de boedelrekening heeft gevraagd maar dat de notaris daarover  (ten onrechte)  niet bleek te beschikken. De notaris heeft naar voren gebracht, en ook aan klager laten weten dat de derdengelden door de notaris worden geadministreerd op dossierniveau. Er is volgens de notaris geen afzonderlijke bankrekening waarop het bedrag dat hij voor de erven houdt is opgenomen. De kamer is van oordeel dat deze werkwijze in de notariële praktijk gebruikelijk en normaal is. Bij het financiële beheer heeft de notaris dan ook gehandeld volgens de geldende normen  

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT

ARNHEM-LEEUWARDEN                              

Kenmerk: AL/2013/66

Beslissing van de Kamer voor het notariaat op de klacht van

[X] ,  

wonende te [..],

hierna: klager,

gemachtigde: mr. P. Winkelman,

tegen

[..] ,

notaris te [..],

hierna: de notaris.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het klaagschrift van 1 mei 2013 en de aanvulling met bijlagen daarop van 13 mei 2013;

- het verweerschrift met bijlagen van 10 juni 2013.

1.2 De kamer heeft kennis genomen van de beslissing van 1 november 2011 van de Kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement Utrecht (hierna: kamer van toezicht) in een klachtzaak van klager tegen de notaris. In die zaak heeft klager, die één van de erfgenamen was, zich beklaagd over de handelwijze van de notaris in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van mw. [A], overleden op 26 juni 2009.

1.3 De klachtzaak is behandeld ter zitting van de Kamer voor het notariaat (hierna: kamer)  van 6 december 2013. Klager is verschenen en werd bijgestaan door mr. P. Winkelman, werkzaam als notarieel jurist te Tiel. De notaris is in persoon verschenen.

2. De feiten

2.1 Op 26 juni 2009 is mw. [A] overleden. Erflaatster heeft 23 erfgenamen. Klager is één van hen. Klager heeft notaris [B], gevestigd te [..], destijds opdracht gegeven om de nalatenschap af te wikkelen. Klager zou bijkomende zaken op zich nemen.  Nadat de afwikkeling van deze nalatenschap in een impasse was terechtgekomen heeft de notaris, op verzoek van de meerderheid van de erfgenamen, medio 2010 de taak van boedelnotaris op zich genomen.

2.2 Bij brief van 16 juni 2011 heeft de notaris aan alle erfgenamen de voorlopige financiële afrekening gezonden. Bij brief van 29 juli 2011 heeft de notaris aan alle erfgenamen een gewijzigd financieel overzicht gezonden.

2.3 Klager heeft op 24 juli 2011 een declaratiegeschil aanhangig  gemaakt bij de ringvoorzitter te Utrecht en op 14 juni 2011 tegen de notaris een klacht ingediend  inzake de afwikkeling van de nalatenschap  bij de (destijds bevoegde) kamer van toezicht. Bij beslissing van de kamer van toezicht van 1 november 2011 is die klacht deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard.

2.4 Advocatenkantoor [C] te [..] is in juni 2010 door erfgenaam mw. [D], ingeschakeld ten behoeve van de afgifte van boedelbescheiden door klager ten kantore van de notaris. Het advocatenkantoor was bij mw. [D] bekend als advocaat van het bedrijf van haar echtgenoot. Facturen voor de werkzaamheden van het advocatenkantoor, gedateerd 5 juli 2010, 16 augustus 2010 en 28 oktober 2010 zijn door het advocatenkantoor gericht aan [E] en geadresseerd aan zijn bedrijf.

2.5 Bij brief van 14 december 2011 heeft de notaris zich tot de erven gericht. In deze brief schrijft hij:

‘ Voor u ligt de inmiddels derde voorlopige financiële afrekening inzake de nalatenschap (…).

Omdat negen personen onder u destijds hebben bepaald dat de vergoeding van de kosten van de heer [X] afhankelijk was van de door hem te verlenen instemming met mijn verdelingsvoorstel, heb ik de vergoeding nu uit mijn voorstel verwijderd. Mede gelet op dit standpunt stel ik voor dat ik de tijd die ik heb moeten maken om tegen de klachten van de heer [X] verweer te voeren (…) ten laste te brengen van het bedrag dat eerst aan de heer [X] was toegedacht. Zonder uw uitdrukkelijk tegenbericht ga ik ervan uit dat u instemt met dit laatste voorstel, zoals in de bijlage verwoord.(…).

Ik verzoek dan ook de heer [X] alsnog het formulier van de ING-bank aan mij terug te sturen (…). De reactie van de heer [X] is essentieel voor het zetten van een volgende stap naar de definitieve verdeling van de nu beschikbare gelden. Indien dit voorstel niet leidt tot een constructieve oplossing rest er nog de weg naar de rechter om die te laten bepalen hoe de verdeling dan wel tot stand moet komen. (…)’.

2.6 Bij brief van 14 februari 2012 heeft klager de notaris onder meer verzocht om kopieën te ontvangen van brieven van [C], van de bankafschriften over de periode 2011 en 2012 en van de bankverklaring van 31 december 2012 betreffende de derdenrekening van de nalatenschap.

2.7 Klager heeft de notaris in reactie op diens brief van 14 december 2011, bij brief van 16 februari 2012 geschreven:

‘(…).

Kennelijk hebt u toch enige schroom om naar de rechter te stappen, al hebt u in voorgaande berichten steeds meerdere malen op deze ingreep gezinspeeld.

Mijn antwoord op uw schrijven van 14 februari is als volgt:

  1. De verdeling naar alle erfgenamen zal rechtmatig moeten zijn.
  2. Onjuiste declaraties zullen rechtgezet moeten worden.
  3. Gefingeerde rekeningen eveneens.
  4. Mijn kosten zullen moeten worden vergoed.
  5. De schade ontstaan na de eerste chaotische en onwettige verdeling van mei 2011, zijn niet voor rekening van de erfgenamen.

Rekenende hiermede een duidelijk antwoord te hebben gegeven op uw voorstel, wacht ik uw reactie af (…).’

2.8  Gemachtigde van klager heeft de notaris in de brief van 30 oktober 2012 het volgende geschreven;

‘(…) Cliënt bemerkt dat u zich (als boedelnotaris, die de belangen van ALLE erfgenamen dient te behartigen) weinig cooperatief op stelt terzake van de afwikkeling van boven gemelde nalatenschap.

Over de door mij gevraagde urenspecificaties (die toch voorhanden moeten zijn, aangezien u anders noch bedragen ten voordele van uzelf kunt declareren, noch bedragen kunt doorberekenen aan de boedel, afkomstig van derden) rept u met geen woord in uw laatste brief. U legt deze informatie (waar mijn client gewoon recht op heeft en waarom ik uitdrukkelijk gevraagd heb) niet over.

Dit verbaast mij ten zeerste en uw houding in deze neigt naar de mening van mijn client naar nalatigheid en partijdigheid. Met name interesseren mij de nota’s van [C] te [..] (totaal ten bedrage van Eur. 4.687,71!!) die kennelijk via de familie [D] als boedelschulden zijn ingebracht en daarom uit de nalatenschap zijn betaald.

Aan deze declaraties (daterend van eind mei 2010 tot eind oktober 2010) valt op dat zij gericht zijn aan de heer [E] aan de [F] te [..], die geen erfgenaam

is in de nalatenschap. Nog meer valt op dat deze declaraties alle de omschrijving meedragen “66281 – [G] ”. Aan de [F] te [..] is gevestigd [G], welk bureau werkzaam is op het gebied van bedrijfs- en organisatieadviezen. Deze declaraties zijn volstrekt ten onrechte via de boedel betaald. Immers, [G] en diens mogelijke advieswerkzaamheden heeft immers als organisatiebureau helemaal niets met de boedel van doen.  Mijn client kan zich niet herinneren dat de erven gevraagd is om [G] in te schakelen voor wat voor werkzaamheden dan ook. De [C] facturen zijn derhalve onterecht als boedelschuld aangemerkt en de boedel dient voor een bedrag van Eur. 4.687,71 gecrediteerd te worden. Uw uiteindelijke berekening terzake van de grootte van de erfdelen zal om die reden dienen te worden gewijzigd. Client gaat er daarbij wel van uit dat hier geen sprake is van belastingfraude (particulier verrichte werkzaamheden aan de onderneming van deze particulier declareren om onder betaling van de BTW uit te komen en de aftrekbare bedrijfskosten

op te vijzelen, hetgeen uiteraard strafbaar zou zijn). Ook is iedere erfgenaam gerechtigd tot een urenspecificatie betreffende het door u aan de boedel gedeclareerde bedrag van Eur. 10.491,52.  Het feit dat u in uw laatste brief herhaalde keren klaagt over de tijd, die u heeft moeten besteden aan de door mijn client tegen u ingediende klacht, roept bij mijn client het vermoeden op, dat er wellicht (op zijn minst) een gedeelte van de door u gedeclareerde tijd terzake van zijn klacht ten laste is gebracht van de boedel. Als boedelnotaris behoort u

de twijfel van mijn client op dit vlak weg te nemen door een gedegen en op waarheid berustende urenspecificatie over te leggen. U weet uiteraard dat de tijd, die u gespendeerd heeft inzake

de door mijn client tegen u ingediende klacht wegens een mogelijke kunstfout, niet door u ten laste van de boedel mag worden gebracht. Het bovenstaande zijn slechts een paar punten die mijn client

niet aanstaan in de wijze, waarop u met de bezwaren van mijn client in uw brieven omgaat en waarop uw financiele verantwoording terzake van de afwikkeling van de boedel is ingericht. (…).’

2.9 Gemachtigde van klager heeft de notaris bij brief van 17 januari 2013 het volgende geschreven:

‘(…) Nu u categorisch weigert om in te gaan op de inhoud van mijn brieven aan u de dato 25 september en 30 oktober 2012 en nu u nalaat om mijn client de informatie te verschaffen, waar hij als erfgenaam in de boedel van mevrouw [A] recht op heeft, is client voornemens om opnieuw een klacht in te dienen bij de Raad van Toezicht. Dit lijkt op zich nog de enige mogelijkheid voor client om inzicht te krijgen in de juistheid van de kosten, die u in uw opstelling van de boedel in mindering brengt op het boedeltegoed. Ik heb nu (namens client) tot twee maal toe verzocht om bewijsstukken met urenverantwoording t.a.v. de declaraties van [C], t.a.v. de door u in rekening gebrachte extra kosten van uzelf en van mevrouw [D] en t.a.v. uw declaratie van meer dan 10.000 euro. Op mijn brief aan u van 25 september 2012 heeft u op 2 oktober d.a.v. met een niets zeggende brief gereageerd. Op mijn brief van 30 oktober 2012 heeft u helemaal niet gereageerd. Client acht uw gedrag in deze klachtwaardig nu u in uw verplichtingen, die u als een goed notaris jegens mijn client dient na te komen, in ernstige mate tekort schiet.  (…).’

2.10  Bij brief van 5 februari 2013 reageert de notaris daarop en schrijft hij het volgende aan de gemachtigde van klager:

‘(…). Aan [C] zal ik de specificatie van de declaraties vragen, zoals verzocht. Ik

heb ze op dit moment niet tot mijn beschikking. U en ik weten heel goed wat de bemoeienis van uw collega-advocaat met dit dossier is geweest. Ik heb er dan ook geen behoefte aan hierop in te gaan. Als uw cliënt erom vraagt, dan zal ik [C] vragen om de tenaamstelling van de facturen te herzien en deze te laten stellen op naam van de Erven [A], want de tijd is wel degelijk besteed ten nutte van de boedel, teneinde uw cliënt te bewegen de boedelbescheiden van deze nalatenschap op verzoek van zijn mede-erfgenamen onder berusting te brengen van de boedelnotaris. Ik meende in uw brief van 2 oktober overigens al een oordeel over deze declaraties ontdekt te hebben, reden waarom ik niet eerder de specificaties heb opgevraagd, noch om de wijziging van de tenaamstelling heb verzocht. Ik vind het niet alleen juist, maar ook verantwoord om deze declaraties ten laste te brengen van de boedel en 22 erfgenamen hebben zich hiermee akkoord verklaard. Ik zend u mijn urenspecificatie van het dossier dat ik in 2009 heb geopend, van het tweede dossier dat ik in 2010 om administratieve redenen heb geopend voor deze nalatenschap, als ook een urenspecificatie van het dossier dat ik geopend heb inzake de klacht van de heer [X]. Nu de heer [X] mij nog steeds als boedelnotaris ziet en ik me in die hoedanigheid ook naar hem toe permanent moet verantwoorden beschouw ik vooralsnog al mijn aan deze drie dossiers bestede tijd dan ook als boedelkosten.

Over mijn declaraties het volgende.

Het dossier 2009.495 is geopend in eerste instantie ten behoeve van mevrouw [D]. Aan haar zijn de kosten in rekening gebracht vanaf de opening van het dossier tot 1 juni 2010. Vanaf dat moment is het dossier voor rekening van de erfgenamen gekomen. Op enig moment heb ik een tweede dossier geopend, te weten nummer 2010.822 om een einde te brengen aan de vermenging van het dossier dat deels ten name van mevrouw [D] heeft gelopen. Ten slotte heb ik naar aanleiding van de klacht van uw cliënt een derde dossier (2011.558) geopend om te bewaken wat zijn klachten en vraagstellingen voor de kosten op het dossier zouden gaan betekenen. Zoals u ziet heeft dit een onthutsende hoeveelheid tijd en ook moeite gekost om de klachten (bij Kamer en Ringvoorzitter) van uw cliënt te pareren.

Welk bedrag ik aan mevrouw [D] in rekening breng voor de door haar aan mij gevraagde diensten gaat uw cliënt niet aan. Het is overigens geen geheim. Immers het is in mijn opstelling verrekend met haar erfdeel. Inhoudelijk staat het niet ter discussie. Het is overigens verantwoord in de eerste tijdsuitdraai van dossier 2009.495 tot en met 31 mei 2010 en conform de in die periode aan het dossier bestede tijd.

Mijn laatste declaratie ten laste van de boedel dateert van 15 februari 2012 naar aanleiding van de opschorting van mijn werkzaamheden.

Als honorarium heb ik totaal aan de boedel gedeclareerd € 16.323,90 (ex btw en

verschotten) in twee declaraties. In dossier 2009.495 heb ik totaal ten behoeve van de erfgenamen geschreven bijna 80 uur, totaal declarabel € 11.076,50.

In dossier 2010.822 heb ik totaal geschreven 83,6 uur, declarabel; € 12.176,90. Zoals u kunt  constateren resteert er dan te declareren een bedrag groot € 6.929,50 ex btw. Dit staat uiteraard los van de ruim 30 uur die ik heb moeten besteden aan de klachtenbehandeling van dossier 2011.558. U constateert met mij dat dit anders bijna € 6.000,00 aan declarabele uren had opgeleverd en dat ik dit vooralsnog niet ten laste van de boedel heb gebracht. Ondanks het feit dat ik niet klaag over de door mij bestede tijd, maar slechts constateer wat de opstelling van uw cliënt teweeg brengt voor het dossier, kan ik uw cliënt geruststellen terzake van het door hem uitgesproken vermoeden. Vermoedens kan ik overigens weerleggen, met ongefundeerd wantrouwen heb ik grote moeite.

Nu ik op zijn verzoek mijn boedelwerkzaamheden terzake van dit schrijven weer heb moeten hervatten overweeg ik in ieder geval het voormelde bedrag van € 6.929,50 op korte termijn te declareren. (…).

2.11 De notaris informeert de erven bij brief van 6 februari 2013 over  zijn werkzaamheden ten behoeve van de nalatenschap vanaf 1 december 2012. Hij heeft die na de opschorting eind 2011 hervat ten behoeve van de heer [X] omdat hij daar volgens zijn gemachtigde recht op had.

2.12 Bij brief van 26 februari 2013 schrijft gemachtigde van klager de notaris:

‘Na ontvangst van uw brief van 5 februari mocht ik tot op heden  (…) nog niets van u vernemen t.a.v. de [C] facturen. Client wenst thans binnen 4 dagen na heden kopieen te ontvangen van de gehele correspondentie die door [C] geredigeerd en verzonden zou zijn, waarop de facturen betrekking hebben.

Overigens kan het onmogelijk zo zijn dat facturen ineens qua debiteur van een andere tenaamstelling worden voorzien en ineens voor een ander bestemd zouden zijn dan diegene waar zij oorspronkelijk aan gericht werden. Dit zou zonder meer inhouden dat [C] sjoemelt met zijn facturering en (ergo) met zijn boekhouding.

Eveneens wenst client binnen de door mij gestelde termijn een kopie te ontvangen van het dagafschrift van de bankrekening van de erven [A] waarop het saldo per 1 januari 2013 staat vermeld.

(…).

2.13 Hierop reageert de notaris bij brief van 28 februari 2013 als volgt:

‘(…). In antwoord op uw fax van 25 februari 2013 deel ik u het volgende mede.

Wegens vakantie van de betreffende medewerker was [C] blijkbaar niet in

staat om de declaraties en de specificaties binnen afzienbare tijd aan mij toe te sturen.

Thans kan ik dit pakketje als bijlage sturen. Ik ga me niet bemoeien met de

correspondentie die door een derde aan uw cliënt gezonden is. Daar heb ik niets mee van

doen. Als de heer [X] kopieën wil van die stukken, dan is hij vrij deze op te vragen

bij [C]. Wellicht kan de urenspecificatie hem behulpzaam zijn bij het

gericht opvragen van deze correspondentie. Ik weet nu in ieder geval zeker dat de heer

[X] beschikt over de onderbouwing van de te verrekenen declaraties van [C].

Ik heb me slechts bemoeid met de verwerking van de declaratie in de eindafrekening. U

begrijpt dat nu die eindafrekening nog steeds niet is goedgekeurd er dus ook geen

verrekening van dit bedrag met de boedel heeft plaatsgevonden, net zo min als de

andere verrekeningen uit deze eindafrekening.

Door mij worden de derdengelden geadministreerd op dossierniveau. Er is geen

afzonderlijke bankrekening, waarop het bedrag dat ik voor de Erven [A]

houdt is opgenomen. Dat is gebruikelijk binnen de notariële praktijk. Een uitdraai van de

financiële administratie op dossierniveau gaat hierbij.

Om nu te voorkomen dat uw cliënt van mening is dat ik niet goed ben voor mijn geld,

mag ik u verwijzen naar het Bureau Financieel Toezicht voor het notariaat. Dit Bureau

controleert alle notarissen in Nederland en beoordeelt of zij op ieder moment aan hun

verplichtingen jegens derden (in dit verband: alle cliënten die geld aan de notaris hebben

toevertrouwd) kunnen voldoen. Mijn kantoor staat niet onder bijzonder of verscherpt

toezicht, hetgeen ook zal inhouden dat zodra uw cliënt de eindafrekening goedkeurt,

welke door mutaties sinds juli 2011 nog wel enige wijziging zal ondergaan, ik

onmiddellijk tot uitkering aan de Erven zal kunnen overgaan.

(…)

Over het laatste verzoek van de heer [X] inzake zijn declaratie kan ik het volgende

zeggen.

(…) Als uw cliënt meent met de boedelnotaris [B] afspraken te hebben gemaakt, dan moet uw cliënt zich tot hem wenden, want dan heeft notaris [B] blijkbaar de indruk gewekt meer

bevoegdheden te hebben gehad dan in werkelijkheid het geval was.

Ik vertrouw erop u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd.

3. De klacht

3.1 Klager verwijt de notaris dat hij zich jegens klager niet heeft gedragen zoals een goed notaris betaamt.

3.2 Klager vindt dat de notaris bij de afwikkeling van de nalatenschap, niet onpartijdig heeft gehandeld, werkzaamheden niet of slecht heeft uitgevoerd, fouten heeft gemaakt in de afrekening, uren dubbel en/of onterecht heeft gedeclareerd, zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden, dreigementen heeft geuit en vragen van klager niet heeft beantwoord.

3.3  Meer in het bijzonder verwijt klager de notaris dat hij sedert de behandeling van de eerste klacht door  de kamer van toezicht, bij de voortgezette afhandeling van de nalatenschap:

a. fouten heeft gemaakt inzake het betrekken bij de laatste afrekening van [C] facturen,

b. de afhandeling van onderdelen op onwettige wijze heeft uitgevoerd,

c. niet heeft gereageerd op de verzoeken van klager om informatie te verstrekken.

4. Overwegingen

4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.

4.2    Het is vaste rechtspraak dat het strafrechtelijk beginsel ne bis in idem – inhoudende dat niemand mag worden berecht of gestraft voor hetzelfde feit waarover reeds bij definitieve einduitspraak is beslist – ook van toepassing is binnen het notariële tuchtrecht. De kamer neemt daarom slechts de klachtonderdelen in aanmerking  die niet dezelfde inhoud en strekking hebben als de reeds eerder tegen de notaris ingediende klacht.

4.3 Ter beoordeling liggen in verband hiermede slechts voor, de door klager geuite verwijten aangaande het verloop van de afhandeling van de nalatenschap door de notaris sedert de zitting van de kamer van toezicht op 20 september 2011. Dit betreft, zo heeft de kamer op grondslag van het dossier en het verhandelde ter zitting vastgesteld, de hierboven onder 3.3 onder a, b en c genoemde klachtonderdelen.

4.4 Ten eerste heeft klager betoogd dat de notaris bij zijn laatste declaratie ten laste van de boedel facturen heeft gevoegd van [C] waarvan de tenaamstelling niet een erfgenaam betrof. Daarom zijn deze volgens hem ten onrechte ten laste van de boedel gebracht. Dusdoende heeft de notaris op onwettige wijze uitvoering gegeven aan zijn beroepsregels. Te dier zake was de notaris (zelfs) bereid om mee te werken aan het wijzigen door het advocatenkantoor van de tenaamstelling van de facturen zo heeft klager voorts betoogd. Klager was bovendien de gedachte toegedaan, zo is ter zitting gebleken, dat het advocatenkantoor willens en wetens heeft gedeclareerd op naam van het bedrijf [G] om haar BTW-plicht te ontlopen. De notaris heeft zich gemotiveerd verweerd. De notaris heeft in zijn brieven aan (gemachtigde van) klager ter zake uitgelegd om welke reden [C] door één van de erfgenamen was benaderd, waarop de facturen betrekking hadden en op deze wijze toegelicht hoe de tenaamstelling tot stand gekomen is. Daarbij heeft de notaris er in zijn brief van  28 februari 2013 op gewezen dat hij zich slechts bemoeid heeft met de verwerking van de facturen in de eindafrekening, waarmee 22 erfgenamen zich overigens akkoord hadden verklaard. Deze gang van zaken komt de kamer zeer plausibel en geenszins in strijd met enige beroepsregel voor.  De perceptie van klager aangaande een en ander heeft klager op geen enkele wijze gesubstantieerd of onderbouwd. Bij gebreke daarvan is slechts sprake van een loze beschuldiging (van oplichting) gericht aan de persoon van de notaris.  Dit klachtonderdeel faalt.

4.5 Ten tweede heeft klager betoogd dat sprake is van een onwettige uitvoering door de notaris omdat de notaris geen separate boedelrekening houdt. Klager heeft dienaangaande naar voren gebracht dat hij om een afschrift van de boedelrekening heeft gevraagd maar dat de notaris daarover  (ten onrechte)  niet bleek te beschikken. De notaris heeft naar voren gebracht, en ook aan klager laten weten dat de derdengelden door de notaris worden geadministreerd op dossierniveau. Er is volgens de notaris geen afzonderlijke bankrekening waarop het bedrag dat hij voor de erven houdt is opgenomen.

De kamer is van oordeel dat deze werkwijze in de notariële praktijk gebruikelijk en normaal is. Bij het financiële beheer heeft de notaris dan ook gehandeld volgens de geldende normen. De notaris kan naar het oordeel van de kamer geen enkel verwijt dienaangaande worden gemaakt.  Voor zover klager vindt dat van een onwettige uitvoering eveneens sprake is omdat de notaris fouten heeft gemaakt in de vaststelling van de erfdelen  (en/of deze heeft laten voorbestaan) ontbreekt een feitelijke grondslag voor dit deel van de klacht. Dit klachtonderdeel faalt eveneens.

4.6 Voor zover klager naar voren heeft gebracht dat de notaris pas laat op zijn verzoeken om informatie aangaande deze klachtonderdelen heeft gereageerd, is de kamer gebleken dat daarover door partijen bij brieven van 14 februari en 30 oktober 2012, 17 januari, 5 februari, 26 februari en van 28 februari 2013, is gecommuniceerd. Bezien in hun onderlinge samenhang komt uit die brieven naar het oordeel van de kamer geen handelwijze van de notaris naar voren die tuchtrechtelijk relevant of verwijtbaar is, maar een handelwijze die tegen de achtergrond van de nasleep van de eerste klacht te verklaren, en zeker te aanvaarden is. Ook dit klachtonderdeel faalt derhalve.

4.7 Gelet op bovenstaande wordt als volgt beslist.

5. Beslissing

De Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden:

-          verklaart klachtonderdelen 3.2 onder a, b en c. ongegrond;

-          verklaart klager voor het overige niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, plv. voorzitter,

mrs. I.C.J.I.M. van Dorp, V. Oostra en T.K. Lekkerkerker en E.J. Oostrik, plv. leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. Genee, secretaris en uitgesproken in het openbaar op

10 februari 2014.

De secretaris,                                                                                 De plv. voorzitter,

Tegen deze beslissing van de kamer van toezicht kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.

Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.