ECLI:NL:TNORARL:2014:36 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/94
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2014:36 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-02-2014 |
| Datum publicatie: | 18-09-2014 |
| Zaaknummer(s): | AL/2013/94 |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Klacht gegrond met waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | De Kamer neemt tot uitgangspunt dat een cliënt die handelingsbekwaam is, moet worden geacht zijn belangen te kunnen behartigen. Dit is het wettelijk uitgangspunt. Eerst indien aanleiding bestaat om daaraan te twijfelen, dient een notaris de geestesgesteldheid van zijn cliënt nader te onderzoeken. De Kamer is van oordeel dat door klaagster onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht om tot de conclusie te komen dat de oud-notaris had moeten twijfelen aan de wilsbekwaamheid zodat hij het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid had moeten toepassen. Wel acht de Kamer het onzorgvuldig dat de oud-notaris op instigatie van een derde het testament van de heer [B] vóór het gesprek met de heer [B] heeft aangepast, hij zonder een kantoorgenoot mee te nemen een bezoek heeft gebracht aan de heer [B] en tijdens dit bezoek direct is overgegaan tot het passeren van het meegenomen gewijzigde testament. Mede gelet op de hoge leeftijd van de heer [B] had de oud-notaris zich op meer indringende wijze moeten vergewissen van de wensen van de heer [B], waarover hij alleen via de heer [D] had vernomen. Hij had dit kunnen doen door voorafgaand aan het gesprek een concept van het gewijzigde testament naar de testateur te sturen of door het ondertekenen van het testament pas tijdens een tweede afspraak te laten plaatsvinden. Verder had het in deze situatie in de rede gelegen dat de notaris zich had laten vergezellen door een kantoorgenoot dan wel een andere objectieve derde. Het feit dat volgens de notaris haast geboden was bij het verlijden van het testament vanwege de ziekte van de heer [C], maakt dit niet anders. Wat er ook zij van de afweging die de oud-notaris heeft gemaakt ten aanzien van het passeren van het testament van de zeer ernstig zieke heer [C], voor het verlijden van het testament van de heer [B] gold niet dat haast geboden was. De oud-notaris had naar het oordeel van de Kamer ten aanzien van de heer [B] meer zorgvuldigheid in acht moeten nemen door hem langer tijd te geven voor het beoordelen van het gewijzigde testament. Dit klachtonderdeel is derhalve in zoverre gegrond. De Kamer is van oordeel dat de geconstateerde onzorgvuldigheid dusdanig ernstig is dat ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing dient te worden opgelegd. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: AL/2013/94
Beslissing van de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op de klacht van
[X],
wonende te [..],
klaagster,
tegen
[Y] ,
oud-notaris te [..].
Partijen zullen verder als ‘klaagster’ en ‘de oud-notaris’ worden aangeduid.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de brief met bijlagen van 1 juli 2013, waarin de klacht tegen de oud-notaris is neergelegd;
- de brief van de oud-notaris met bijlagen van 17 juli 2013;
- de mondelinge behandeling van de klacht op 13 december 2013, waarbij zijn verschenen klaagster en de oud-notaris. Tevens was aanwezig mevrouw [A], kandidaat-notaris te [..]. De tegen [A] door klaagster ingediende klacht is gelijktijdig met de klacht tegen de oud-notaris mondeling behandeld. Over de klacht tegen [A] beslist de Kamer bij afzonderlijke beslissing van 11 februari 2014.
- de tijdens de mondelinge behandeling door klaagster overgelegde brief van 1 april 2011 van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).
2. De feiten
2.1. De heer [B] (hierna ook: testateur), oom van klaagster, is geboren op 2 juni 1933. Hij was geregistreerd partner van de heer [C]. De heren [B] en [C] waren sedert geruime tijd cliënten van de notaris.
Sinds juli 2010 werden zij door de heer [D] bijgestaan in het voeren van hun administratie. Op 30 december 2010 hebben de heren [B] en [C] aan de heer [D] een algehele volmacht gegeven om hun financiële en administratieve belangen te behartigen.
2.2. Begin 2011 heeft de heer [D] met de oud-notaris contact opgenomen met het verzoek om de testamenten die de heren [B] en [C] in 2000 bij de oud-notaris hadden laten maken, te wijzigen. De notaris heeft vervolgens tijdens een huisbezoek aan beide heren op 4 maart 2011 de gewijzigde testamenten gepasseerd.
2.3. De heer [C] is in april 2011 overleden. De heer [D] was tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder in zijn nalatenschap benoemd.
2.4. Op 1 april 2011 is aan [Y] eervol ontslag uit het notarisambt verleend.
2.5. Bij beschikking van 13 februari 2012 is door de kantonrechter te Hilversum een mentorschap ingesteld ten behoeve van de heer [B], waarbij klaagster tot mentor is benoemd. In dezelfde beschikking zijn de goederen van de heer [B] onder bewind gesteld en is de heer [D] tot bewindvoerder benoemd. Klaagster heeft ten aanzien van de benoeming tot bewindvoerder hoger beroep ingesteld.
Het gerechtshof te Amsterdam heeft in hoger beroep bij beslissing van 6 november 2012 de beschikking van de kantonrechter vernietigd voor zover deze de instelling van het bewind betrof.
Vervolgens hebben zowel klaagster als de heer [D] de kantonrechter te Hilversum verzocht om de goederen van de heer [B] onder bewind te stellen en te worden benoemd tot bewindvoerder. Bij beschikking van 12 december 2012 heeft de kantonrechter te Hilversum de heer [D] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek, de goederen van de heer [B] onder bewind gesteld en klaagster benoemd tot bewindvoerder.
2.6. Tijdens de onder 2.5. vermelde procedures heeft de heer [D] aan klaagster meegedeeld dat hij in het testament van de heer [B] tot executeur was benoemd. Naar aanleiding van deze mededeling heeft klaagster de inmiddels oud-notaris aangeschreven bij brief van 12 september 2012 over de wijziging van het testament. Deze wijziging van het testament had volgens klaagster niet mogen plaatsvinden, omdat de heer [B] ten tijde van de wijziging van het testament op 4 maart 2011 naar haar mening niet meer compos mentis was. De briefwisseling die hierover tussen klaagster en de oud-notaris heeft plaatsgevonden, heeft de oud-notaris in kopie naar de heer [D] gezonden.
3. De klacht en het verweer
3.1. De klacht van klaagster valt in twee onderdelen uiteen.
Ten eerste verwijt klaagster de oud-notaris dat hij zijn medewerking heeft verleend aan de wijziging van het testament van de heer [B], terwijl hij had kunnen en moeten bemerken dat testateur niet meer voldoende in staat was om zijn wil te bepalen. De oud-notaris had het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid moeten hanteren om de wilsbekwaamheid van de heer [B] te onderzoeken. Hiervoor bestond voldoende aanleiding, alleen al vanwege de hoge leeftijd van de heer [B]. Bovendien was het duidelijk zichtbaar dat de heer [B] in deze periode al zeer verward was. Uit de door klaagster tijdens de mondelinge behandeling van de klacht overgelegde brief van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) van 1 april 2011 blijkt volgens klaagster dat de heer [B] in die periode al veel zorg nodig had. In juli 2011 is de diagnose Alzheimer gesteld, maar al voordien, namelijk vanaf 2008 was sprake van verwardheid.
Het feit dat de oud-notaris door een derde - namelijk de heer [D] - is benaderd voor de testamentswijziging had voor de oud-notaris eveneens een reden voor extra alertheid moeten zijn, zeker omdat testateur de heer [D] in maart 2011 nog maar een half jaar kende. Klaagster heeft het vermoeden dat de wijziging van het testament onder druk van de heer [D] tot stand is gekomen. Van belang daarbij is dat de heer [D] volgens klaagster een zakenrelatie van de oud-notaris was. De oud-notaris was hem wellicht om die reden graag ter wille.
Ten tweede verwijt klaagster de oud-notaris dat hij zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden door de briefwisseling die tussen hem en klaagster in het najaar van 2012 heeft plaatsgevonden, naar de heer [D] door te sturen.
3.2. De oud-notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Kamer zal daarop hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. De beoordeling van de klacht
4.1. De Kamer dient allereerst te beoordelen in hoeverre klaagster ontvankelijk is in haar klacht.
Ingevolge artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: ‘Wna’) kunnen klachten tegen notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen door een ieder met enig redelijk belang worden ingediend bij de Kamer voor het notariaat.
De Kamer is van oordeel dat klaagster in het onderhavige geval als belanghebbende kan worden aangemerkt. Klaagster is door de kantonrechter benoemd tot bewindvoerder over het vermogen van de heer [B] en tevens tot diens mentor. Gelet op deze door de rechter toegewezen rol van klaagster als belangenbehartiger van de heer [B], heeft klaagster naar het oordeel van de Kamer een redelijk belang bij indiening van de onderhavige klacht. Zij is dan ook ontvankelijk in haar klacht.
4.2. Ingevolge artikel 93 lid 1 Wna zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De Kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de oud-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert. De Kamer overweegt daartoe als volgt.
4.3. De oud-notaris heeft ten aanzien van het eerste klachtonderdeel aangevoerd dat hij op 4 maart 2011, voorafgaand aan het passeren van het gewijzigde testament, uitvoerig heeft gesproken met de heer [B] en dat hem toen niet is gebleken van enige beperking in zijn geestesvermogens. Er was voor de oud-notaris dan ook geen reden om het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid te hanteren. De heer [B] was al geruime tijd cliënt van de oud-notaris en het betrof een wijziging van een eerder door de oud-notaris gepasseerd testament. Het hernieuwde testament was een logisch vervolg op deze eerdere opdracht. Verder werd het initiatief voor de wijziging niet genomen door een plotseling opduikend familielid, maar door de heer [D], een onafhankelijke professional en bovendien algemeen gevolmachtigde van de heer [B]. Deze omstandigheid was voor de oud-notaris dan ook geen aanleiding voor enige argwaan. De oud-notaris heeft in dit verband nadrukkelijk ontkend dat de heer [D] een zakenrelatie van hem was.
Voorts heeft de oud-notaris aangevoerd dat het passeren en het daaraan voorafgaande gesprek op 4 maart 2011 buiten aanwezigheid van de heer [D] dan wel anderen heeft plaatsgevonden.
Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht heeft de oud-notaris desgevraagd aan de Kamer meegedeeld dat hij op basis van de door de heer [D] gegeven instructies voordien op zijn kantoor al de beide testamenten had aangepast. Hij heeft de te verlijden testamenten meegenomen, een gesprek met testateurs gevoerd en vervolgens de gewijzigde testamenten laten ondertekenen. De oud-notaris heeft hieraan toegevoegd dat voor deze werkwijze werd gekozen omdat haast geboden was in verband met het feit dat de heer [C] op dat moment ernstig ziek was.
4.4. De Kamer neemt tot uitgangspunt dat een cliënt die handelingsbekwaam is, moet worden geacht zijn belangen te kunnen behartigen. Dit is het wettelijk uitgangspunt. Eerst indien aanleiding bestaat om daaraan te twijfelen, dient een notaris de geestesgesteldheid van zijn cliënt nader te onderzoeken.
De Kamer is van oordeel dat door klaagster onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gebracht om tot de conclusie te komen dat de oud-notaris in maart 2011 had moeten twijfelen aan de wilsbekwaamheid van de heer [B], zodat hij het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid had moeten toepassen.
Uit de door klaagster tijdens de mondelinge behandeling overgelegde brief van het CIZ van 1 april 2011 blijkt weliswaar dat de heer [B] praktische hulp nodig had in verband met beginnende dementie, maar uit de verklaring blijkt niet dat de ziekte Alzheimer toen al in een dusdanig vergevorderd stadium was dat de heer [B] zijn wil ten aanzien van de wijziging van zijn testament niet meer kon bepalen.
4.5. Wel acht de Kamer het onzorgvuldig dat de oud-notaris op instigatie van een derde het testament van de heer [B] vóór het gesprek met de heer [B] heeft aangepast, hij zonder een kantoorgenoot mee te nemen een bezoek heeft gebracht aan de heer [B] en tijdens dit bezoek direct is overgegaan tot het passeren van het meegenomen gewijzigde testament.
Mede gelet op de hoge leeftijd van de heer [B] had de oud-notaris zich op meer indringende wijze moeten vergewissen van de wensen van de heer [B], waarover hij alleen via de heer [D] had vernomen. Hij had dit kunnen doen door voorafgaand aan het gesprek een concept van het gewijzigde testament naar de testateur te sturen of door het ondertekenen van het testament pas tijdens een tweede afspraak te laten plaatsvinden. Verder had het in deze situatie in de rede gelegen dat de notaris zich had laten vergezellen door een kantoorgenoot dan wel een andere objectieve derde.
Het feit dat volgens de notaris haast geboden was bij het verlijden van het testament vanwege de ziekte van de heer [C], maakt dit niet anders. Wat er ook zij van de afweging die de oud-notaris heeft gemaakt ten aanzien van het passeren van het testament van de zeer ernstig zieke heer [C], voor het verlijden van het testament van de heer [B] gold niet dat haast geboden was. De oud-notaris had naar het oordeel van de Kamer ten aanzien van de heer [B] meer zorgvuldigheid in acht moeten nemen door hem langer tijd te geven voor het beoordelen van het gewijzigde testament.
Dit klachtonderdeel is derhalve in zoverre gegrond. De Kamer is van oordeel dat de geconstateerde onzorgvuldigheid dusdanig ernstig is dat ter zake daarvan de maatregel van waarschuwing dient te worden opgelegd.
4.6. Ten aanzien van het tweede klachtonderdeel oordeelt de Kamer als volgt. Ingevolge artikel 93 lid 2 Wna blijven notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn aan de tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig in het eerste lid (vermeld onder 4.2.) bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat zij als zodanig werkzaam waren. Onderhavige klacht betreft echter het handelen van de oud-notaris toen hij niet meer als notaris werkzaam was. De oud-notaris is met ingang van 1 april 2011 gedefungeerd. Hij heeft pas in de maanden september 2011 en november 2011 met klaagster gecorrespondeerd en kopieën van de correspondentie naar de heer [D] gezonden. Nu het handelen of nalaten waarover wordt geklaagd geen betrekking heeft op de periode waarin hij als notaris werkzaam was, is de oud-notaris ter zake dit handelen of nalaten niet aan de tuchtrechtspraak onderworpen.
Dit tweede klachtonderdeel dient als gevolg daarvan niet-ontvankelijk te worden verklaard.
5. De beslissing
De Kamer voor het notariaat
verklaart het eerste klachtonderdeel gegrond voor zover dit betrekking heeft op het daarin als onjuist aangeduide handelen van de oud-notaris als vermeld onder 4.5;
verklaart het eerste klachtonderdeel voor het overige ongegrond;
legt de oud-notaris de maatregel van waarschuwing op;
verklaart het tweede klachtonderdeel niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, fungerend voorzitter, mrs. M.C.J. Heessels, K.H.H.J. Kuhlmann, J.T.J. Heijstek en V. Oostra, plv. leden en in tegenwoordigheid van mr. W.E. Markus-Burger, secretaris, in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014.
De secretaris De plv. voorzitter