ECLI:NL:TNORARL:2014:35 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/204

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2014:35
Datum uitspraak: 22-01-2014
Datum publicatie: 01-12-2014
Zaaknummer(s): AL/2013/204
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
Inhoudsindicatie: Ofschoon vraagtekens gezet kunnen worden bij de wijze waarop de notaris heeft gehandeld in de afwikkeling van de nalatenschap, met name ten aanzien van het voeren van de regie, de communicatie en het opstellen van de declaratie, stelt de Kamer in ieder geval vast dat alle gedragingen van de notaris dan wel het nalaten van handelen hebben plaatsgevonden in 2009. Dat betekent dat de klacht hoe dan ook te laat is ingediend zodat klaagster niet kan worden ontvangen in haar klacht.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: AL/2013/204

Beslissing van de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op de klacht van

[X],

wonende te [..],

klaagster,

gemachtigde: de heer [A] te [..],

tegen

[Y] ,

notaris te [..].

Partijen zullen verder als ‘klaagster’ en ‘de notaris’ worden aangeduid.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      de brief namens klaagster met bijlagen van 4 februari 2013, waarin de klacht tegen de notaris is neergelegd;

-      de brief met bijlagen van de notaris van 11 maart 2013;

-        de mondelinge behandeling van de klacht op 8 november 2013, waarbij zijn verschenen de heer [A] en de notaris.

-      de brief van de secretaris van de Kamer voor het notariaat van 12 november 2012. Hierin wordt aan klaagster verzocht om alsnog haar volmacht aan de heer [A] aan de Kamer te doen toekomen en tevens te reageren op het beroep van de notaris op de verjaringstermijn dat tijdens de zitting op 8 november jl. niet expliciet aan de orde was geweest.

-      De reactie van klaagster van 20 november 2013 met bijgevoegd de volmacht aan de heer [A].

-      De reactie van de notaris daarop bij brief met bijlagen van 16 december 2013.

2. De feiten

2.1. Op 20 februari 2009 is mevrouw [B], moeder van klaagster, overleden. Gemachtigde is de schoonvader van klaagster.

Op 25 februari 2009 hebben de drie erfgenamen mevrouw [X] (klaagster), haar broer en haar zus, een gesprek met de notaris gehad over de afwikkeling van de nalatenschap.

Bij brief van 26 februari 2009 heeft advocaat [C] van [D] te [..], aan de notaris bericht dat ten aanzien van klaagster de schuldsaneringsregeling was uitgesproken door de rechtbank te Utrecht, waardoor klaagster niet meer beschikkingsbevoegd was ten aanzien van de nalatenschap alsmede dat [E] tot bewindvoerder was benoemd. In de brief werd de notaris verzocht om aan de bewindvoerder een boedelbeschrijving te doen toekomen en relevante stukken en informatie te verstrekken over de wijze waarop de nalatenschap diende te worden afgewikkeld. Tevens werd vermeld dat vanwege de schuldsanering de kosten ter zake van de afwikkeling niet door klaagster voldaan zouden worden.

De erfgenamen hebben de nalatenschap op 26 februari 2009 beneficiair aanvaard.

Op 4 maart 2009 heeft de notaris een voorschotnota inzake zijn werkzaamheden in de nalatenschap naar de heer [F] gezonden. De heer [F] was een bekende van zowel het notariskantoor als klaagster. Door alle betrokkenen was afgesproken dat de heer [F] voor betaling van de declaratie van de notaris zorg zou dragen. De voorschotnota is na verloop van twee maanden betaald.

Na de beneficiaire aanvaarding is geen contact meer geweest tussen klaagster, de bewindvoerder en de notaris totdat in november 2012 de heer [G], broer van gemachtigde, contact opnam met de notaris over de nalatenschap met het verzoek  hem de verklaring van erfrecht toe te zenden, zodat hij zelf de boedelbeschrijving en de rekening en verantwoording kon opstellen. De notaris heeft de verklaring van erfrecht op 4 december 2012 alsnog opgesteld en aan de heer [G] toegezonden. 

3. De klacht en het verweer

3.1. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht die de heer [A] tegen de notaris (klachtnr. AL/2013/16) heeft ingediend, is gebleken dat in de door de heer [A] geschreven klachtbrief van 4 februari 2013 sprake is van twee afzonderlijke klachten; de klacht van de heer [A] die betrekking heeft op het handelen van de notaris jegens hemzelf en van een klacht die hij namens klaagster indient over de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder. Klaagster had de heer [A] op dat tijdstip echter niet gemachtigd om een klacht tegen de notaris in te dienen. Met instemming van zowel de heer [A] als de notaris zijn tijdens de zitting van 8 november jl. beide klachten mondeling behandeld. De volmacht van klaagster is na afloop van de zitting alsnog ingediend, waarbij de wijze van behandeling van de klacht geaccordeerd is.

De klacht van de heer [A] tegen de notaris is door de Kamer in een afzonderlijke beslissing van 22 januari 2014 (klachtnr. AL/2012/16) beoordeeld.

3.2. In de klacht verwijt klaagster de notaris dat hij de aan hem opgedragen werkzaamheden in de nalatenschap van haar moeder niet heeft uitgevoerd en tekort is geschoten in zijn adviserende taak. Hoewel namens de bewindvoerder aan de notaris was verzocht om onder meer een boedelbeschrijving toe te zenden en de bewindvoerder te informeren over de wijze waarop de nalatenschap zou worden afgewikkeld, heeft de notaris geen verdere werkzaamheden in de nalatenschap verricht, nadat hem gebleken was dat de voorschotnota door de heer [F] niet onverwijld werd betaald. Ook de betaling van de voorschotnota twee maanden later was voor de notaris geen aanleiding om de nalatenschap in overleg met de bewindvoerder te gaan afwikkelen. Dit terwijl de notaris in zijn voorschotnota al kosten had opgenomen voor het opstellen van een verklaring van erfrecht. Pas nadat in november 2012 de broer van de gemachtigde, de heer [G], de notaris had geconfronteerd met de betaling van de voorschotnota, heeft de notaris alsnog de verklaring van erfrecht opgesteld.  

In reactie op de gelegenheid die de secretaris van de Kamer bij brief van 12 november 2013 aan klaagster geboden heeft om schriftelijk te reageren op het beroep op verjaring dat de notaris in het hierna vermelde verweer van de notaris deed, ontkent klaagster de stelling van de notaris dat hij  in maart 2009 telefonisch aan haar had doorgegeven dat hij geen werkzaamheden in de nalatenschap meer zou verrichten. Verder heeft klaagster aangevoerd dat naar haar mening de verjaringstermijn pas medio 2012 een aanvang heeft genomen, omdat  zij op dat tijdstip door activiteiten van een deurwaarder ontdekte dat de notaris een aantal werkzaamheden niet had verricht. Tot die tijd was klaagster ervan uitgegaan dat de nalatenschap tussen de notaris en de bewindvoerder was afgehandeld.

3.3. De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Kamer zal daarop hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: ‘Wna’) zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De Kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert. De Kamer overweegt daartoe als volgt.

4.2. De notaris heeft als verweer het volgende aangevoerd. Met de heer [F] was afgesproken dat [F] de notariskosten zou betalen omdat klaagster over weinig financiële middelen beschikte en de nalatenschap gering en mogelijk zelfs negatief zou zijn. Vervolgens is de betalingsafspraak met de heer [F] tot stand gekomen. Nadat betaling van de voorschotnota uitbleef, heeft een medewerker van de notaris klaagster op 4 maart 2009 opgebeld om te berichten dat de notaris om die reden geen verdere werkzaamheden meer zou verrichten. Daarna is noch door klaagster noch door haar bewindvoerder contact gezocht met de notaris over de nalatenschap. Klaagster heeft de notaris nooit nadere informatie verschaft over de inhoud van de nalatenschap en de bewindvoerder heeft de notaris geen boedelvolmacht verleend voor de afwikkeling van de nalatenschap. De notaris had dan ook geen reden om aan te nemen dat klaagster dan wel de bewindvoerder nog verdere activiteiten van hem verwachtten. Pas in november 2012 werd de notaris door de heer [G] benaderd met de vraag om hem de verklaring van erfrecht op te sturen. Aangezien de voorschotnota ongelukkig was geformuleerd - deze had eigenlijk alleen betrekking op de werkzaamheden die al daadwerkelijk waren verricht - leek de verklaring van erfrecht reeds gedeclareerd te zijn. Om die reden heeft de notaris de verklaring alsnog - kosteloos - opgesteld.

Aangezien tot november 2012 geen navraag meer is gedaan naar de stand van zaken, is de notaris van mening dat de klacht is verjaard.

4.3.  Ingevolge artikel 99, lid 15 van de Wet op het notarisambt (Wna) kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris, dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven kennis heeft genomen.

4.4. Ofschoon vraagtekens gezest kunnen worden bij de wijze waarop de notaris heeft gehandeld in de afwikkeling van de nalatenschap, met name ten aanzien van het voeren van de regie, de communicatie en het opstellen van de declaratie, stelt de Kamer in ieder geval vast dat alle gedragingen van de notaris dan wel het nalaten van handelen hebben plaatsgevonden in 2009. Dat betekent dat de klacht hoe dan ook te laat is ingediend zodat klaagster niet kan worden ontvangen in haar klacht. Het feit dat een schuldeiser zich eerst medio 2012 bij klaagster meldde, zodat klaagster toen pas de wetenschap kreeg dat de nalatenschap nog niet was afgehandeld, doet hier niet aan af. Ook kan in het midden worden gelaten of de notaris klaagster in maart 2009 heeft laten bellen om te laten weten dat hij niets meer zou doen. Het moet immers klaagster dan wel haar bewindvoerder in de loop van het jaar 2009 duidelijk zijn geworden dat de notaris geen werkzaamheden meer verrichtte. Het had toentertijd op de weg van klaagster dan wel haar bewindvoerder gelegen om duidelijk aan de notaris kenbaar te maken dat verdere actie van hem werd verwacht.

Nu er meer dan drie jaren zijn verstreken tussen het handelen dan wel nalaten van de notaris en het indienen van de klacht, kan klaagster niet worden ontvangen in haar klacht.

4.5  Op grond van het bovenstaande acht de Kamer de klacht niet-ontvankelijk.

5. De beslissing

De Kamer voor het notariaat

verklaart de klacht niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, fungerend voorzitter, mrs. B.J. Engberts, E.J.M. Kerpen en H. Quispel, leden, mr. A.W. Drijver, plv. lid en in tegenwoordigheid van mr. W.E. Markus-Burger, secretaris, in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2014.

De secretaris                                                          De plv. voorzitter