ECLI:NL:TNORARL:2014:19 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/106
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2014:19 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 24-02-2014 |
| Datum publicatie: | 21-05-2014 |
| Zaaknummer(s): | AL/2013/106 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | U it de vaste jurisprudentie volgt dat wordt aangenomen dat ook in het tuchtrecht het beginsel ‘ne bis in idem’ geldt, ook al wordt dit beginsel niet in de Wet op het notarisambt genoemd. Het processuele beginsel ‘ne bis in idem’ staat eraan in de weg om deze klacht nogmaals te beoordelen. Dit leidt ertoe dat het verzet van klaagster tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter ongegrond moet worden verklaard. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: AL/2013/106
Beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op de klacht van
[X]
wonende te [..],
klaagster,
tegen
[Y],
notaris te [..],
gemachtigde: mr. G.J. van Oosten, advocaat te Amsterdam.
Partijen worden in deze beslissing mede aangeduid als klaagster en de notaris.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een brief van klaagster van 20 juli 2013, gericht aan de Kamer van Toezicht te Leeuwarden, die bij brief van 25 juli 2013 is doorgestuurd naar de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden;
- een brief van de secretaris van de kamer voor het notariaat van 26 juli 2013 en het antwoord daarop van klaagster bij brief van 29 juli 2013;
- een brief van de notaris van 22 augustus 2013;
- een brief van klaagster van 4 september 2013;
- een gesprek van de plv. voorzitter met klaagster en de gemachtigde van de notaris op 29 oktober 2013 dat niet heeft geresulteerd in intrekking van de klacht door klaagster;
- een brief van klaagster van 30 oktober 2013;
- een brief van mr. Van Oosten van 4 november 2013;
- een brief van klaagster van 6 november 2013.
2. De feiten
2.1 In 2004 is de vader van klaagster overleden. De erfgenamen zijn klaagster, haar twee broers en haar zuster. De woning van vader is in juli 2008 op basis van een rechterlijke machtiging verkocht. De notaris heeft alleen bemoeienis gehad met dit transport. De notaris heeft de gehele netto verkoopopbrengst van € 246.011,10 overgemaakt naar de derdengeldenrekening van een advocaat die namens andere erven optrad. Op het klaagster toekomende deel van de opbrengst zijn uit hoofde van verrekening diverse bedragen in mindering gebracht, waarna het resterende bedrag van € 19.373,67 door de advocaat in de Consignatiekas is gestort. De Consignatiekas bevat nog steeds een bedrag van € 19.373,67 ten behoeve van klaagster.
De door klaagster tegen de notaris in augustus 2009 ingediende klacht, inhoudende dat de notaris ten onrechte haar deel van de opbrengst van de woning niet naar haar maar naar de derdengeldenrekening van het advocatenkantoor had overgemaakt, heeft de Kamer van Toezicht te Leeuwarden bij beslissing van 14 januari 2010 gegrond verklaard waarbij aan de notaris de maatregel van berisping is opgelegd. Bij beslissing van 28 december 2010 heeft het Gerechtshof te Amsterdam deze beslissing bekrachtigd.
In 2011 heeft klaagster wederom bij de Kamer van Toezicht te Leeuwarden een klacht tegen de notaris ingediend. In deze klacht verwijt klaagster de notaris onder meer dat zij nog steeds niet naar klaagster het haar toekomende deel van de opbrengst van de woning, zijnde een bedrag van € 61.502,78, heeft overgemaakt. Deze klacht is door de voorzitter van de Kamer van Toezicht te Leeuwarden bij beslissing van 18 juli 2011 deels kennelijk niet-ontvankelijk en deels kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft tegen de beslissing van de voorzitter verzet aangetekend, waarna de Kamer van Toezicht te Leeuwarden bij beslissing van 13 december 2011 het verzet ongegrond heeft verklaard.
3. De klacht en de beoordeling
3.1 Klaagster heeft tijdens het gesprek op 29 oktober jl. verklaard dat haar klacht inhoudt dat de notaris nog steeds weigert om het bedrag van
€ 61.502,78 , zijnde het haar toekomende deel van de opbrengst van de woning, aan
klaagster te betalen. Zij heeft hieraan toegevoegd dat de notaris na de uitspraak
van het Gerechtshof te Amsterdam zou moeten begrijpen dat zij dit bedrag alsnog aan
klaagster moet betalen, desnoods uit eigen middelen.
3.2 De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De (plv.) voorzitter zal, voor zover van belang, bij de beoordeling nader ingaan op het verweer.
4. De beoordeling van de klacht
4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 99 lid 5 Wet op het Notarisambt (Wna) is de (plaatsvervangend) voorzitter van de Kamer bevoegd na een summier onderzoek de klacht terstond bij een met redenen omklede beslissing af te wijzen indien hij van oordeel is dat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk, dan wel kennelijk ongegrond is of van onvoldoende gewicht. De (plv.) voorzitter overweegt als volgt.
4.2 Klaagster verwijt de notaris dat zij nog steeds niet het bedrag van
€ 61.502,78 aan klaagster heeft overgemaakt. De inhoud van deze klacht is precies
dezelfde als van de klacht die op 20 april 2011 bij de Kamer van Toezicht te Leeuwarden
door klaagster werd ingediend. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft de voorzitter van
de Kamer van Toezicht te Leeuwarden heeft deze klacht deels kennelijk niet ontvankelijk
en deels kennelijk ongegrond verklaard, waarna de Kamer van Toezicht te Leeuwarden
het verzet ongegrond heeft verklaard.
De voorzitter overweegt dat over de thans ingediende klacht reeds een definitief oordeel gegeven is. Terecht heeft de notaris met een beroep op het beginsel ‘ne bis in idem’ aangevoerd dat dezelfde klacht niet andermaal aan de notarieel tuchtrechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Dit beginsel geldt zoals blijkt uit jurisprudentie van het Gerechtshof te Amsterdam eveneens in het tuchtrecht. Dit betekent dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar klacht.
5. De beslissing
De (plv.) voorzitter van de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden verklaart de klacht van klaagster kennelijk niet-ontvankelijk.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, plaatsvervangend voorzitter op 11 november 2013
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: AL/2013/106
Beslissing van de Kamer voor het notariaat in de verzetprocedure van
[X] ,
wonende te [..],
klaagster,
tegen
[Y] ,
notaris te [..],
gemachtigde: mr. G.J. van Oosten.
Partijen worden hierna klaagster en de notaris genoemd.
1. Het verloop van de procedure
Voor het verloop van de procedure in deze zaak tot aan de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van 11 november 2013 wordt verwezen naar hetgeen in die procedure onder “De procedure” daarover is overwogen.
Klaagster heeft bij brief van 21 november 2013 verzet ingesteld tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van 11 november 2013. Nadien heeft klaagster de Kamer nog geschreven bij brieven van 29 november 2013, met bijlage, 27 december 2013, 14 januari 2014, met bijlagen, 21 januari 2014, met bijlage, en 22 januari 2014, met bijlage.
De Kamer heeft op 24 januari 2014 klaagster op haar verzet gehoord. De gemachtigde van de notaris was daarbij aanwezig.
2. De motivering van de beslissing
2.1 Het verzet is tijdig ingesteld.
2.2 Klaagster heeft op 18 augustus 2009 bij de (toenmalige) Kamer van Toezicht te Leeuwarden een klacht ingediend tegen de notaris, omdat de notaris ten onrechte het aan klaagster toekomende deel in de verkoopopbrengst van de woning van klaagsters vader heeft overgemaakt naar de derdengeldrekening van een advocatenkantoor. De Kamer van Toezicht te Leeuwarden heeft bij beslissing van 14 januari 2010 de klacht op dit punt gegrond verklaard en de notaris de maatregel van berisping opgelegd. In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam bij beslissing van 28 december 2010 de beslissing van de Kamer van Toezicht te Leeuwarden in zoverre bekrachtigd.
Bij brief van 20 april 2011 heeft klaagster bij de Kamer van Toezicht te Leeuwarden opnieuw een klacht ingediend tegen de notaris, stellende onder andere dat de notaris in gebreke is gebleven het aan haar toekomende bedrag uit de verkoopopbrengst over te maken. De voorzitter van de Kamer van Toezicht te Leeuwarden heeft bij beslissing van 18 juli 2011 de klacht gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard. Het door klaagster ingestelde verzet tegen deze beslissing is door de
Kamer van Toezicht te Leeuwarden bij beslissing van 13 december 2011 ongegrond verklaard.
2.3 In de thans voorliggende klachtzaak maakt klaagster de notaris wederom het verwijt dat zij weigert het aan klaagster toekomende deel uit de verkoopopbrengst uit te betalen.
2.4 De plaatsvervangend voorzitter heeft in haar beslissing van 11 november 2013 overwogen, dat de inhoud van de klacht dezelfde is als die welke klaagster op 20 april 2011 bij de Kamer van Toezicht te Leeuwarden heeft ingediend en dat die klacht door de voorzitter van die Kamer gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond is verklaard en voorts dat het verzet tegen die beslissing door de Kamer van Toezicht te Leeuwarden ongegrond is verklaard. Daarnaast heeft de plaatsvervangend voorzitter overwogen dat over de ingediende klacht een definitief oordeel is gegeven en dat de notaris terecht met een beroep op het beginsel ‘ne bis in idem’ heeft aangevoerd dat dezelfde klacht niet andermaal aan de notariële tuchtrechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. Nu het beginsel ‘ne bis in idem’ eveneens geldt in het tuchtrecht, heeft de plaatsvervangend voorzitter klaagster kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht.
2.5 In verzet voert klaagster aan, voor zover de Kamer begrijpt, dat de plaatsvervangend voorzitter in haar beslissing is voorbijgegaan aan het feit dat door de notaris een fout is gemaakt en dat de notaris de schade, die als gevolg daarvan is ontstaan, weigert te betalen. Klaagster stelt dat zij alleen staat tegenover de notaris en haar advocaat en dat zij geen financiële middelen heeft om een civiele procedure tegen de notaris te voeren en dat ook niet behoeft te doen, omdat niet zij, maar de notaris foutief heeft gehandeld.
2.6 De Kamer overweegt het volgende. U it de vaste jurisprudentie (zie: gerechtshof Amsterdam, 6 november 2012, ECLI:NLGHAMS:2012:CA) volgt dat wordt aangenomen dat ook in het tuchtrecht het beginsel ‘ne bis in idem’ geldt, ook al wordt dit beginsel niet in de Wet op het notarisambt genoemd. Het ‘ne bis in idem’ beginsel brengt mee dat het handelen van de notaris inzake een bepaald feitencomplex slechts eenmaal tuchtrechtelijk kan worden getoetst. In de onderhavige klachtzaak stelt klaagster dat de notaris ten onrechte weigert haar deel van de verkoopopbrengst van de woning van haar vader aan haar uit te keren. O ver deze klacht is eerder beslist door de voorzitter van de Kamer van Toezicht te Leeuwarden en (in verzet) door de Kamer van Toezicht te Leeuwaarden bij beslissingen van respectievelijk 18 juli 2011 en 13 december 2011. Met deze beslissingen is over de klacht een definitief oordeel gegeven door de tuchtrechter. Het processuele beginsel ‘ne bis in idem’ staat eraan in de weg om deze klacht nogmaals te beoordelen. Dit leidt ertoe dat het verzet van klaagster tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van 11 november 2013 ongegrond moet worden verklaard.
2.7 Zoals ook reeds door de voorzitter van de Kamer van Toezicht te Leeuwarden en de Kamer van Toezicht te Leeuwarden is overwogen, dient klaagster zich tot de civiele rechter te wenden, indien zij meent een geldvordering op de notaris te hebben. De Kamer voor het notariaat is niet bevoegd over de rechtmatigheid van zo’n vordering een uitspraak te doen. De omstandigheid dat klaagster over onvoldoende financiële middelen beschikt om daarvoor een advocaat in te schakelen, maakt dat niet anders.
3. De beslissing
De Kamer van Toezicht
verklaart het verzet van klaagster tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van 11 november 2013 ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. L.A. van Son, plaatsvervangend voorzitter,
H. Quispel, lid, M.J. Blaisse, J.G.T.M. Castrop en T.K. Lekkerkerker, plaatsvervangend leden, en in tegenwoordigheid van mr. J.G.W. Oor, secretaris, uitgesproken in het openbaar
op 24 februari 2014.
De secretaris De plaatsvervangend voorzitter