ECLI:NL:TNORARL:2014:13 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/16

ECLI: ECLI:NL:TNORARL:2014:13
Datum uitspraak: 22-01-2014
Datum publicatie: 21-05-2014
Zaaknummer(s): AL/2013/16
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie: De Kamer is met de notaris van oordeel dat gezien deze omstandigheden de geheimhoudingsplicht van de notaris als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) eraan in de weg stond om aan klager informatie over de nalatenschap van zijn schoondochter te verschaffen. De notaris heeft geheel juist gehandeld door op het moment dat klager hem bezocht geen informatie te verstrekken en eerst aan de schoondochter te vragen of klager haar gemachtigde was en of hij hem informatie zou mogen verstrekken.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT ARNHEM-LEEUWARDEN

Kenmerk: AL/2013/16

Beslissing van de Kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden op de klacht van

De heer [X],

wonende te [..],

klager,

tegen

mr. [..] ,

notaris te [..].

Partijen zullen verder als ‘klager’ en ‘de notaris’ worden aangeduid.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-      de brief van klager met bijlagen van 4 februari 2013, waarin de klacht tegen de notaris is neergelegd;

-      de brief met bijlagen van de notaris van 11 maart 2013;

-        de mondelinge behandeling van de klacht op 8 november 2013, waarbij zijn verschenen klager en de notaris.

2. De feiten

2.1. Op 20 februari 2009 is mevrouw [A], moeder van mevrouw [B] overleden. Klager is de schoonvader van mevrouw [B].

Op 25 februari 2009 hebben de drie erfgenamen mevrouw [B], haar broer en haar zus een gesprek met de notaris gehad over de afwikkeling van de nalatenschap.

Bij brief van 26 februari 2009 heeft advocaat [C] van [D] te [..] aan de notaris bericht dat ten aanzien van mevrouw [B] toepassing van de schuldsaneringsregeling was uitgesproken door de rechtbank te Utrecht, waardoor klaagster niet meer beschikkingsbevoegd was ten aanzien van de nalatenschap. De erfgenamen hebben op 26 februari 2009 de nalatenschap beneficiair aanvaard. Daarna is tussen mevrouw [B], de bewindvoerder en de notaris geen contact meer geweest totdat de broer van klager, de heer [E], in november 2012 contact opnam met de notaris over de nalatenschap met het verzoek om hem de verklaring van erfrecht toe te zenden, zodat hij zelf de boedelbeschrijving en de rekening en verantwoording kon opstellen. De notaris heeft de verklaring van erfrecht op 4 december 2012 alsnog opgesteld en aan de heer [E] toegezonden. 

Klager heeft op 21 januari 2013 het kantoor van de notaris bezocht.

3. De klacht en het verweer

3.1. Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht is gebleken dat in de klachtbrief van 4 februari 2013 in feite sprake is van twee afzonderlijke klachten; de onderhavige klacht van de heer [X] die betrekking heeft op het handelen van de notaris jegens hemzelf en een klacht namens zijn schoondochter mevrouw [B] over de afwikkeling van de nalatenschap van haar moeder. Zijn schoondochter had hem echter niet schriftelijk gemachtigd om deze klacht tegen de notaris in te dienen. Met instemming van zowel klager als de notaris zijn tijdens de zitting van 8 november jl. beide klachten mondeling behandeld.

De klacht van mevrouw [B] is door de Kamer in een afzonderlijke beslissing van 22 januari 2014 (klachtnr. AL/2012/204) beoordeeld.

3.2. In de klacht verwijt klager de notaris dat hij zich onnodig formeel zo niet arrogant heeft opgesteld tijdens hun gesprek op 21 januari 2013 door te weigeren om informatie te verstrekken aan klager over de afhandeling van de nalatenschap van de moeder van zijn schoondochter.

3.3. De notaris heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De Kamer zal daarop hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.

4. De beoordeling van de klacht

4.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: ‘Wna’) zijn notarissen aan het tuchtrecht onderworpen ter zake van enig handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling of een op deze wet berustende verordening, hetzij de zorg die zij als notarissen behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De Kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert. De Kamer overweegt daartoe als volgt.

4.2.  De notaris heeft als verweer het volgende aangevoerd. Hij kon het bezoek van klager niet plaatsen. De notaris had kort geleden met de heer [E] afgesproken dat deze de boedelbeschrijving en de rekening en verantwoording zelf zou opstellen. Hij kende klager niet en mevrouw [B] had het bezoek van klager niet aangekondigd. Klager had bovendien geen volmacht bij zich. Zonder toestemming van mevrouw [B] kon hij op dat moment aan klager geen informatie verschaffen over de nalatenschap. De notaris heeft na het gesprek met klager een e-mailbericht aan mevrouw [B] gezonden met de vraag of zij haar toestemming gaf om de zaak inhoudelijk met haar schoonvader te bespreken. Hierop heeft mevrouw [B] bevestigend geantwoord. Tijdens de zitting heeft de notaris desgevraagd meegedeeld dat klager na het bericht van mevrouw [B] geen contact meer met hem heeft opgenomen.

4.3.  De Kamer is met de notaris van oordeel dat gezien deze omstandigheden de geheimhoudingsplicht van de notaris als bedoeld in artikel 22, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) eraan in de weg stond om aan klager informatie over de nalatenschap van zijn schoondochter te verschaffen.

De notaris heeft geheel juist gehandeld door op het moment dat klager hem bezocht geen informatie te verstrekken en eerst aan mevrouw [B] te vragen of klager haar gemachtigde was en of hij hem informatie zou mogen verstrekken.

De kamer overweegt dat zelfs het tegenovergestelde het geval is. Wanneer de notaris zonder voorafgaande toestemming c.q. volmacht inlichtingen aan klager had verstrekt zou de notaris in strijd met zijn geheimhoudingsplicht en dus tuchtrechtelijk verwijtbaar hebben gehandeld.

Nu klager geen verdere feiten heeft gesteld waaruit zou blijken dat de notaris zich arrogant jegens hem heeft opgesteld, dient de klacht ongegrond te worden verklaard.  

5. De beslissing

De Kamer voor het notariaat

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.L.J.C. van Emden-Geenen, fungerend voorzitter, mrs. B.J. Engberts, E.J.M. Kerpen en H. Quispel, leden, mr. A.W. Drijver, plv. lid en in tegenwoordigheid van mr. W.E. Markus-Burger, secretaris, in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2014.

De secretaris                                                          De plv. voorzitter