ECLI:NL:TNORARL:2014:10 Kamer voor het notariaat Arnhem-Leeuwarden AL/2013/71
| ECLI: | ECLI:NL:TNORARL:2014:10 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 28-02-2014 |
| Datum publicatie: | 21-05-2014 |
| Zaaknummer(s): | AL/2013/71 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht |
| Beslissingen: |
|
| Inhoudsindicatie: | Notaris heeft zorgvuldig gehandeld bij het passeren van het testament van erflaatster, de notaris heeft zich voldoende vergewist of het testament wel de wil van erflaatster bevatte, dan wel of erflaatster wel wilsbekwaam was. De mededeling van de notaris aan klager dat hij de aan de klacht bestede uren in rekening brengt, is naar oordeel van de kamer wel klachtwaardig. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT
ARNHEM-LEEUWARDEN
Kenmerk: AL/2013/71
Beslissing van de Kamer voor het notariaat op de klacht van
[A], wonende te [..],
[B], wonende te [..],
[C], wonende te [..],
[D], wonende te [..],
[E], wonende te [..],
[F], wonende te [..],
[G], wonende te [..],
hierna klagers,
gemachtigde: [A], wonende te [..],
tegen
[..],
notaris te [..],
hierna de notaris.
1. Verloop van de procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- een brief, met bijlagen, van klagers van 14 mei 2013,
- een brief, met bijlagen, van klagers van 6 juni 2013,
- een brief, met bijlagen, van de notaris van 13 juni 2013,
- een brief, met bijlagen, van klagers van 10 oktober 2013,
- een brief, met bijlagen, van klagers van 2 december 2013.
1.2 De klachtzaak is ter zitting van 10 januari 2014 behandeld. Klaagster [A] is als klaagster in persoon verschenen en als gemachtigde van de overige klagers. De notaris is eveneens in persoon verschenen.
2. De feiten
2.1 Gelet op hetgeen klagers en de notaris over en weer hebben aangevoerd en op basis van de overgelegde stukken, gaat de kamer uit van de volgende feiten.
2.2 Klagers zijn zeven van de acht kinderen van de heer [H], overleden in 2006. Het achtste kind is de heer [I], hierna [I].
2.3 Van de kinderen van de heer [H], zijn vijf kinderen geboren uit zijn eerste huwelijk en drie uit zijn tweede huwelijk met mevrouw [J].
2.4 Mevrouw [J], hierna erflaatster, heeft laatstelijk over haar nalatenschap beschikt bij testament van 22 november 2010, verleden voor de notaris.
2.5 Ten tijde van het opmaken van het testament was erflaatster 95 jaar oud. Erflaatster is op 1 mei 2013 overleden.
2.6 Erflaatster heeft in haar testament alle kinderen, de kinderen van erflaatster uit het huwelijk met [H] en de kinderen uit het eerste huwelijk van [H], gezamenlijk en ieder voor een gelijk deel, tot haar erfgenamen benoemd en daarnaast een aantal legaten gemaakt.
3. Standpunten
3.1 Klagers stellen zich op het standpunt dat de notaris niet zorgvuldig heeft gehandeld bij het passeren van het testament van erflaatster van 22 november 2010. Klagers wijzen erop dat het laatste testament aanzienlijk verschilt van het eerste. Het eerdere testament van de erflaatster dat gelijkluidend was aan dat van de vader verschilt op meerdere punten van haar laatste. In het laatste testament was [I] erfgenaam geworden, terwijl hij in het eerdere zowel door de vader als de moeder was uitgesloten van erfopvolging vanwege door [I] ontvangen giften in geld en natura. In het laatste testament is klager [C], hierna [C], verplicht tot inbreng van een gift die in het eerdere testament was vrijgesteld van inbreng.
Naar de mening van klagers heeft de notaris zich er onvoldoende van vergewist of het testament wel de wil van erflaatster bevatte, dan wel of erflaatster wel wilsbekwaam was. Klagers wijzen hierbij op de volgende feiten en omstandigheden. Erflaatster was 95 jaar oud. Het lijkt erop dat [I] de afspraak heeft gemaakt en de factuur heeft betaald. De erflaatster was zeer slecht ter been en woonachtig te [..]. Erflaatster heeft geen gebruik gemaakt van haar “huis-notaris” in [..], maar van de notaris van [I[ in [..]. Het aantal gewijzigde legaten is in het voordeel van [I].
Het komt klagers voor dat de notaris niet of onvoldoende acht heeft geslagen op het protocol ter vaststelling van de wilsbekwaamheid. Bovendien heeft de notaris kort na het overlijden van erflaatster tegenover klager [B] toegegeven dat niet aan alle wensen van [I] gehoor is gegeven. Volgens klagers betekent dit dat het nieuwe testament wel degelijk de wil van [I] en niet de wil van erflaatster bevat. Klagers twijfelen niet aan de geestelijke vermogens van erflaatster, maar wel aan de mogelijkheden van de moeder giften, leningen en natuurlijke verbintenissen te onderscheiden.
Tijdens deze procedure hebben klagers aanvullend een klacht ingediend over de aan de erven gerichte brief van de notaris van 3 juni 2013. Daarin werkt de notaris niet alleen de verdeling uit, maar gaat hij ook in op de ingediende klacht. De notaris vraagt zich af of alle erfgenamen de klacht steunen. Ook geeft de notaris zijn mening over een door klagers opgestelde brief, met het opschrift: “in plaats van kaarten”, van 3 mei 2013. Tevens geeft de notaris aan dat de klacht hem veel tijd kost en daarmee de erven veel geld.
3.2 Op het verweer van de notaris zal de kamer hierna, voor zover het verweer van belang is voor de beoordeling, nader ingaan.
4. Overwegingen
4.1 Ingevolge artikel 93, eerste lid, van de Wet op het notarisambt (Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt.
De kamer zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen en overweegt als volgt.
4.2 Met betrekking tot de vraag of de notaris correct heeft gehandeld ter zake van het opstellen en passeren van het testament van erflaatster stelt de kamer voorop dat de door klagers aangevoerde feiten en omstandigheden niet zonder meer het vermoeden rechtvaardigen dat erflaatster bij het opstellen van het testament niet wilsbekwaam was. Eerst indien er daadwerkelijk twijfels zijn over de wilsbekwaamheid is er grond voor toepassing van de leidraad: het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid, zoals dat door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie is opgesteld.
Vraagstelling en observatie door de notaris zijn een in het notariaat gebruikelijke wijze om de wilsbekwaamheid te beoordelen. In dit geval heeft de notaris aangegeven dat het leggen van contact en de betaling van de nota inderdaad via [I] zijn verlopen en dat dit is gebeurd op verzoek van erflaatster. Afgezien van deze tussenkomst heeft hij eerst (telefonisch) met erflaatster gesproken over wat zij wel en niet wilde. Vervolgens heeft hij in een gesprek met erflaatster, zonder aanwezigheid van anderen, de diverse zaken rond het op te maken testament besproken. De notaris heeft daarbij geconstateerd dat erflaatster duidelijk was in wat zij wilde. Ter zitting heeft de notaris verduidelijkt dat erflaatster haar overwegingen voor een wijziging van het testament goed heeft uitgelegd. Ter plekke zijn nog aanvullingen en wijzigingen verwerkt. Op geen enkele wijze bestond er aanleiding aan te nemen dat erflaatster niet uit vrije wil handelde.
Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris op die wijze afdoende toegelicht hoe hij tot de slotsom is gekomen dat hij geen reden had om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid en de vrije wil van moeder op dat moment en dat hij niet gehouden was verder te onderzoeken of er indicatoren aanwezig zijn als bedoeld in de voormelde leidraad. De kamer acht daarbij van belang dat door klagers geen verklaringen zijn ingebracht of verwoord die moeten leiden tot het oordeel dat de notaris anders had moeten handelen. Bovendien hebben ook klagers aangegeven dat zij niet twijfelden aan de geestelijke vermogens van erflaatster in die tijd. Voor zover daarbij is gewezen op keuzes die erflaatster niet zelf kan hebben bedacht, is de kamer van oordeel dat dit niet afdoet aan het voorgaande.
De kamer zal dit onderdeel van de klacht dan ook ongegrond verklaren.
4.3 Voor zover klagers hebben gewezen op de brief van de notaris van 3 juni 2013 is de kamer van oordeel dat daarvan niet gezegd kan worden dat de notaris daarmee tweedracht heeft gezaaid. Wel is de kamer van oordeel dat de notaris zich, vanuit de juiste professionele houding, beter had kunnen onthouden van commentaar op de brief “in plaats van kaarten” en dat het niet aan hem was om aan de erven te vragen of de klacht namens allen was ingediend. Hoewel de notaris het voorgaande dus beter had kunnen nalaten, acht de kamer het handelen niet klachtwaardig in de zin van de Wna.
4.4 Voor zover de notaris met zijn brief van 3 juni 2013 tegenover de erven heeft aangegeven dat hij de aan de klacht bestede uren in rekening brengt, is de kamer van oordeel dat de notaris daarmee klachtwaardig heeft gehandeld. Het in de wet geregelde klachtrecht mag door de notaris niet op deze wijze worden belemmerd. Bovendien is geen sprake van werkzaamheden waarvoor de notaris van de erven opdracht heeft gekregen.
De kamer zal dit onderdeel van de klacht gegrond verklaren. De omstandigheid dat de notaris ter zitting heeft verklaard, dat hij de tijd die gemoeid is met de klacht niet in rekening zal brengen, brengt geen wijziging in het klachtwaardige handelen ten tijde van de brief van 3 juni 2013. Wel ziet de kamer daarin aanleiding om geen maatregel op te leggen.
Beslist wordt derhalve als volgt.
5. Beslissing
De kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden;
- verklaart de klacht gegrond voor zover de notaris aanvankelijk uren voor het behandelen van de tegen hem ingediende klacht in rekening heeft willen brengen;
- legt de notaris geen tuchtmaatregel op;
- verklaart de klachten voor het overige ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.M.J. Peters, plv. voorzitter, mr. J.G.T.M. Castrop, mr. M.C.J. Heessels, mr. W.J. Hordijk en mr. F.M.J. Mulder, plv. leden, en in tegenwoordigheid van G.J. Doeleman, secretaris, uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2014.
De secretaris, De plv. voorzitter,
Tegen deze beslissing van de kamer van toezicht kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam.
Postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.