ECLI:NL:TNORAMS:2026:8 Kamer voor het notariaat Amsterdam 778959 / NT RK 25/43 778965 / NT 25/44

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2026:8
Datum uitspraak: 07-07-2026
Datum publicatie: 07-08-2026
Zaaknummer(s):
  • 778959 / NT RK 25/43
  • 778965 / NT 25/44
Onderwerp: Registergoed, subonderwerp: Hypotheekakte
Beslissingen: Klacht gegrond met schorsing als notaris
Inhoudsindicatie: Klacht tegen notaris en kandidaat-notaris: (gedeeltelijk) gegrond. Maatregel voor de betrokken notaris: schorsing (één week). De notaris heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de hypotheekakte te passeren zonder hierbij te voldoen aan de op hem rustende verplichtingen die volgen uit art. 17 lid 1 jo. art. 43 lid 1 Wna. De kamer neemt in aanmerking dat (i) er in zekere mate sprake is geweest van zelfstandige dossiervoering door de kandidaat-notaris (de notaris was niet, dan wel zeer beperkt, betrokken in het voortraject van de transactie en stond in geen van de e-mails tussen partijen in de cc) en (ii) het haar ambtshalve bekend is dat de kandidaat-notaris ten tijde van deze transactie negen jaar ervaring had en de notaris daarom ook enigszins mocht vertrouwen op juiste dossiervoering door de kandidaat-notaris. Het voorgaande ontslaat de notaris echter niet van zijn eigen verplichtingen op grond van art. 17 lid 1 jo. art. 43 lid 1 Wna. Dat geldt nog meer omdat het de notaris duidelijk moet zijn geweest dat de ouders zich in een moeilijke positie bevonden, omdat hun zoon in een financieel penibele situatie zat. Dat had tot extra zorgvuldigheid bij de notaris moeten leiden. De kamer rekent het de notaris bijzonder aan dat hij de ouders onjuist heeft voorgelicht over het executierecht en de voor de transactie vereiste toestemming van de eerste hypotheekhouder en dat een bankhypotheek is gevestigd, terwijl dit niet (logisch) volgt uit de geldleningsovereenkomst. Daarmee heeft de notaris het vertrouwen dat rechtzoekenden in het notariaat moeten kunnen stellen ernstig geschaad. De notaris heeft in zijn verweer noch ter zitting inzicht getoond in het bijzonder onzorgvuldige van zijn handelen. De kamer acht de maatregel van schorsing voor de duur van één week daarom passend en geboden. Maatregel voor de betrokken kandidaat-notaris: berisping. De kandidaat-notaris heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door tegenover klagers onvoldoende invulling te geven aan de op hem rustende verplichtingen uit art. 17 lid 1 jo. art. 43 lid 1 Wna. De kandidaat-notaris heeft weliswaar de hypotheekakte niet gepasseerd, maar heeft wel directe, zelfstandige, betrokkenheid bij de afhandeling van het dossier gehad, waarbij hij verantwoordelijk is geweest voor het gebrek aan zorgvuldige, juiste, berichtgeving richting klagers. Aangezien de kandidaat-notaris niet de eindverantwoordelijkheid draagt, acht de kamer voor hem de maatregel van berisping passend en geboden.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 7 juli 2026 in de klachten met nummers 778959 / NT RK 25/43 en 778965 / NT 25/44 van:

1. [de vader],
wonende te [woonplaats],
2. [de moeder],
wonende te [woonplaats]
en
3. [vennootschap A] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
vertegenwoordigd door: [de zoon],

tegen:

1. [notaris],
notaris te [vestigingsplaats]
en
2. [kandidaat-notaris],
kandidaat-notaris te [vestigingsplaats],
gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo, advocaat te Amsterdam.

Partijen worden hierna de vader, de moeder (gezamenlijk: de ouders), [vennootschap A] (de ouders en [vennootschap A] gezamenlijk: klagers), de notaris en de kandidaat-notaris (gezamenlijk: de notarissen) genoemd.

1.         Ontstaan en loop van de procedure
1.1.      Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen van 13 november 2025;
- de e-mail met bijlagen van de zijde van klagers van 25 november 2025;
- het verweerschrift met bijlagen van 19 januari 2026;
- de e-mail met bijlagen van de zijde van klagers van 27 januari 2026;
- de e-mail met bijlagen van de zijde van de notarissen van 30 maart 2026;
- de e-mail met bijlagen (waarvan bijlage 8 door de voorzitter is geweigerd) van de zijde van klagers van 11 mei 2026.

1.2.      Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 21 mei 2026 zijn klagers (waarbij [vennootschap A] werd vertegenwoordigd door haar bestuurder [de zoon]) en de notarissen, vergezeld van hun gemachtigde, verschenen. [De zoon] en de gemachtigde van de notarissen hebben het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Daarnaast hebben de partijen vragen van de kamer beantwoord. Uitspraak is bepaald op heden.

2.         De feiten

2.1.      [De zoon], de zoon van de ouders (hierna: de zoon), is bestuurder en enig aandeelhouder van [vennootschap A]. [Vennootschap A] exploiteert een fitness-studio.

2.2.      Met ingang van 29 maart 2024 heeft [vennootschap A] van [vennootschap B] B.V. (hierna: [vennootschap B]) de bedrijfsruimte aan het [adres] te [woonplaats] gehuurd, voor een maandelijkse huurprijs van € 7.905,- exclusief btw. Op grond van de onderliggende huurovereenkomst was [vennootschap A] verplicht een waarborgsom van € 23.912,63 te betalen.

2.3.      [Vennootschap A] heeft de bedrijfsruimte niet in gebruik genomen en ook niet voldaan aan haar betalingsverplichtingen uit de huurovereenkomst. In november 2024 hebben [vennootschap A] en [vennootschap B] afgesproken de op dat moment bestaande huurachterstand om te zetten in een geldlening en dit vast te leggen in een overeenkomst (hierna: de geldleningsovereenkomst). Daarnaast spraken partijen af dat de ouders ten behoeve van [vennootschap B] een recht van tweede hypotheek zouden vestigen op hun woning.

2.4.      [Vennootschap B] heeft het kantoor van de notarissen verzocht om de geldleningsovereenkomst en een hypotheekakte (hierna: de hypotheekakte) op schrift te stellen. Bij WhatsAppberichten van 26 november 2024 (vanaf 11:12u) hebben de kandidaat-notaris en de zoon over en weer aan elkaar geschreven:
De kandidaat-notaris: “Goedemorgen, mijn naam is [kandidaat-notaris]. Ik ben notaris en ben ingeschakeld door [naam, kvhn] (ivm [vennootschap B])
De zoon:“Ah goedemorgen! Kan ik je ongeveer rond 2 uur bellen?
De kandidaat-notaris:“Yes!
De zoon: “Hi [kandidaat-notaris], ik probeerde je zojuist te bereiken. Zou je mij terug willen bellen wanneer jou dit schikt? Groetjes, [de zoon]
“Hey [kandidaat-notaris], ik ga straks weer een meeting in, maar mijn moeder (garantsteller) is bereikbaar op [telefoonnummer, kvhn]. Je kunt haar beter contacten

2.5.      Bij e-mail van 26 november 2024 (16:52u) heeft een medewerker van [vennootschap C] B.V., een vennootschap die behoort tot dezelfde groep als [vennootschap B] (hierna: [vennootschap C]), aan de moeder en de zoon geschreven:
Vandaag heeft onze notaris, [kandidaat-notaris], geprobeerd jullie telefonisch te bereiken. Helaas is dit niet gelukt. Zouden jullie morgen contact met hem op willen nemen? Zijn contactgegevens zijn als volgt: (…)

2.6.      De kandidaat-notaris heeft de moeder vervolgens telefonisch gesproken. Daarna heeft de kandidaat-notaris bij e-mail van 26 november 2024 (19:24u) aan (een bestuurder van) [vennootschap C], de moeder en de zoon geschreven:
Allen, [de moeder] en ik hebben gesproken. We circuleren deze week concept stukken ter beoordeling en plannen een bespreking voor volgende week om het e.e.a. af te ronden.

2.7.      Bij e-mail van 28 november 2024 heeft de kandidaat-notaris concepten van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte toegezonden aan de betrokken partijen ([vennootschap C], de moeder en de zoon).

2.8.      Bij WhatsAppbericht van 2 december 2024 heeft de zoon aan de kandidaat-notaris geschreven:
Hey [kandidaat-notaris], Door wat omstandigheden is het ons nog niet gelukt om het concept door te nemen. Dit doen wij uiterlijk vanavond. Sorry voor het lange wachten!

2.9.      Bij e-mail van 3 december 2024 heeft de moeder aan de kandidaat-notaris akkoord gegeven op de concepten van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte. Bij e-mail van 4 december 2024 heeft de kandidaat-notaris (op verzoek van [vennootschap C]) aangepaste concepten van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte rondgestuurd (wederom aan - voor zover hier relevant - [vennootschap C], de moeder en de zoon). Bij e-mail van 8 december 2024 heeft de moeder aan de kandidaat-notaris haar akkoord gegeven op de aangepaste concepten.

2.10.    Op 19 december 2024 heeft de kandidaat-notaris op het kantoor van de notarissen een bespreking gevoerd met de ouders en de zoon. Er waren geen medewerkers van [vennootschap B] aanwezig; zij had een volmacht verleend aan de kandidaat-notaris. Tijdens deze bespreking heeft de zoon namens [vennootschap A] de geldleningsovereenkomst ondertekend. In de geldleningsovereenkomst is afgesproken dat de huurachterstand van € 121.625,50 is omgezet in een geldlening, dat [vennootschap A] de geldlening op 19 juni 2025 volledig moet hebben afgelost, dat zij over het uitstaande bedrag een rente van 10% per jaar moet betalen en dat zij zich verplicht om ten behoeve van [vennootschap B] een recht van tweede hypotheek te laten vestigen op de woning van de ouders. De ouders hebben de geldleningsovereenkomst ondertekend als blijk van hun akkoord met deze hypotheekstelling. Hierna heeft de notaris zich bij de bespreking gevoegd. De notaris heeft vervolgens de hypotheekakte gepasseerd waarbij ten gunste van [vennootschap B] een tweede hypotheekrecht is gevestigd op de woning van de ouders, voor een bedrag van in totaal € 170.275,70.

2.11.    Bij brief van 28 april 2025 heeft de zoon (onder meer) de notarissen aansprakelijk gesteld voor de materiële en immateriële schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de in zijn ogen ondeugdelijke leningsconstructie, de vestiging van een hypotheekrecht zonder geldige titel en de structurele scheiding van de notariële zorgplicht.

2.12.    Bij brief van 6 mei 2025 aan de notaris heeft de zoon de notaris aansprakelijk gesteld en voorgesteld de zaak te schikken voor minimaal € 915.856,73. Bij brief van 19 mei 2025 heeft de zoon de notaris gesommeerd het hypotheekrecht door te halen en € 850.500 aan schadevergoeding te betalen.

2.13.    Bij brief van 21 mei 2025 aan de zoon heeft de notaris iedere vorm van aansprakelijkheid afgewezen. In deze brief staan onder meer de volgende passages:
(…) Op 20 november 2024 is ons kantoor verzocht om voornoemde twee documenten op te stellen. U en uw ouders hebben dat afgesproken met [vennootschap B]. Nadat deze documenten waren opgesteld en met u en uw ouders waren gedeeld, heeft mijn kantoorgenoot [kandidaat-notaris] telefonisch op 26 november de inhoud van deze documenten met uw moeder besproken, alsmede de rechtsgevolgen van deze afspraken besproken. Daarbij is uw moeder uitdrukkelijk op de risico’s gewezen. (…)
Tijdens de inhoudelijke bespreking van de hypotheekakte is nadrukkelijk vermeld dat géén toestemming aan de eerste hypotheekhouder is gevraagd, omdat in de hypotheekakte geen executiebevoegdheid (als bedoeld in artikel 3:268 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek) voor [vennootschap B] is opgenomen. De hypotheekakte strekt enkel ter verkrijging van een preferente positie van [vennootschap B] ten opzichte van eventuele andere schuldeisers bij een mogelijke verkoop van de woning. Uiteraard tast dit de positie van de eerste hypotheekhouder niet aan. Zoals uiteengezet ondervindt de eerste hypotheekhouder geen nadeel van de vestiging van het tweede hypotheekrecht en derhalve is het vragen van toestemming niet noodzakelijk. (…)


2.14.    Bij brief van 18 september 2025 heeft de eerste hypotheekhouder op de woning van de ouders, aan de ouders geschreven dat zij wanprestatie hebben geleverd door zonder voorafgaande schriftelijke toestemming een tweede hypotheekrecht op hun woning te vestigen. De eerste hypotheekhouder heeft in deze brief geschreven op dat moment af te zien van onmiddellijke opeising van de lening, maar zich alle rechten voor te behouden die uit die tekortkoming voortvloeien, waaronder het recht om de lening in zijn geheel op te eisen.

3.         De klacht

De klacht valt uiteen in de volgende vier onderdelen:

klachtonderdeel 1 - schending van de onpartijdigheid en belangenverstrengeling
3.1.      De notarissen hebben zich voorgedaan als onpartijdig, terwijl zij een zakelijke relatie hebben met [vennootschap B] en/of [vennootschap C]. Uit openbare LinkedIn-posts van [vennootschap C] over [sportevenement] blijkt dat het kantoor van de notarissen een actieve sponsor is van het team van [vennootschap B]. Verder is het kantoor van de notarissen de projectnotaris van [bouwproject], een bouwproject van [vennootschap C]. Dit creëert een directe financiële band en belangenverstrengeling. Tot slot noemt een medewerker van [vennootschap C] de kandidaat-notaris in de e-mailcorrespondentie van 26 november 2024 (hiervoor geciteerd onder 2.5) letterlijk “onze notaris”, terwijl de kandidaat-notaris deze e-mails meelas en naliet dit te corrigeren. Dit alles brengt mee dat de notarissen hun rol als partijadviseurs direct kenbaar hadden moeten maken aan klagers en zich hadden moeten terugtrekken uit de zaak wegens een onoverbrugbaar belangenconflict.

klachtonderdeel 2 - schending van de verzwaarde zorgplicht
3.2.      De notarissen hebben nagelaten klagers te beschermen tegen een overeenkomst [de kamer begrijpt: de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte] die volgens hen onder wilsgebreken tot stand kwam. Hiermee hebben de notarissen de Belehrungspflicht geschonden die in het bijzonder geldt bij een derdenhypotheek. De zoon stelt onder druk te zijn gezet om, namens [vennootschap A], akkoord te gaan met de door [vennootschap B] gestelde voorwaarden. [Vennootschap B]/[vennootschap C] dreigde met strafrechtelijke aangifte wegens valsheid in geschrifte, terwijl zij wist dat de zoon gedupeerde van de toeslagenaffaire is. De notarissen hadden de plicht om de vrije wilsvorming van alle partijen, in het bijzonder die van de ouders, te controleren. Door mee te werken aan het passeren van een akte die voortkwam uit onrechtmatige dwang en misbruik van een bekende kwetsbare positie, heeft de notaris zijn ambtelijke plicht om de zwakkere partij te beschermen ernstig verzaakt.

klachtonderdeel 3 - schending van de zorg- en informatieplicht
3.3.      De partijdigheid en de haast om de belangen van [vennootschap B] te dienen, hebben geleid tot een rammelende procedure en een juridisch ondeugdelijke akte. Volgens de kandidaat-notaris is de zoon door hem telefonisch voorgelicht op 26 november 2024. Dat klopt niet, dat gesprek ging alleen over het inplannen van een afspraak. Bovendien had de zoon, namens [vennootschap A], de concepten van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte toen nog niet ontvangen; deze volgden pas op 28 november 2024.

3.4.      De akte is verder gepasseerd [de kamer begrijpt: de geldleningovereenkomst is ondertekend] zonder dat er een feitelijke geldstroom plaatsvond. Het bedrag van € 121.625,50 was niet herleidbaar tot een bestaande, opeisbare of gespecificeerde schuld. Er was geen afrekening of specificatie. De notaris had de akte niet mogen passeren zonder de feitelijke realiteit van de schuld te verifiëren.

3.5.      Bovendien is het tweede hypotheekrecht gevestigd zonder dat de vereiste schriftelijke toestemming van de eerste hypotheekhouder is gevraagd of verkregen. De notarissen wisten, of hadden moeten weten, dat dit de akte juridisch kwetsbaar maakte.

3.6.      De akte dekt ten slotte een toekomstige, ongedefinieerde vordering, wat in strijd is met het bepaalbaarheidsvereiste en de ouders blootstelt aan onbeperkte risico’s die op het moment van vestigen niet te overzien zijn.

3.7.      Volgens de kandidaat-notaris bevat de hypotheekakte geen executierecht en strekt die uitsluitend tot een preferente positie bij een eventuele verkoop. Dat klopt niet: de hypotheekakte kan ten uitvoer worden gelegd bij parate executie. Door dit anders voor te stellen hebben de notarissen een vertekend beeld van de akte gegeven. Zij hebben daarmee ook de indruk gewekt dat zij de belangen van [vennootschap B] hebben laten prevaleren boven hun wettelijke verplichting tot onafhankelijke en volledige voorlichting.

klachtonderdeel 4 - schending van de nazorglicht (alleen jegens de notaris)
3.8.      De zoon heeft de notaris op 28 april 2025 en 19 mei 2025 gewezen op de fundamentele gebreken die hij ziet. De notaris heeft nagelaten het dossier te heropenen, de inschrijving te rectificeren of door te halen. Door de ondeugdelijke inschrijving voort te laten bestaan, schendt de notaris zijn nazorgplicht en werkt hij actief mee aan het in stand houden van een onrechtmatig drukmiddel. Een notaris heeft een waarborgfunctie voor vrije wilsvorming en rechtszekerheid. Daarin is de notaris tekortgeschoten.

4.         Het verweer

De notarissen hebben de klachten gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt hierna op dat verweer ingegaan.

5.         De beoordeling

5.1.      Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze van de notarissen een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2.      De klachten tegen de notarissen zijn (grotendeels) gelijkluidend, de notarissen hebben hier samen op gereageerd en de klachten zijn vervolgens gecombineerd mondeling behandeld. De kamer behandelt de verschillende klachtonderdelen hierna dan ook gezamenlijk voor beide notarissen. Waar het echter het handelen van één van de twee notarissen betreft, wordt dit vermeld.

ontvankelijkheid
5.3.      De zoon heeft de klacht bij de kamer op persoonlijke titel ingediend. Pas later heeft hij aangegeven dat hij namens zijn ouders optreedt. Op 27 januari 2026 heeft de zoon een volmacht bij de kamer ingediend waaruit blijkt dat de ouders ermee akkoord gaan dat hun zoon hen vertegenwoordigt. Dit betekent echter niet dat de klacht daarmee is ingediend namens de ouders en/of namens [vennootschap A].

5.4.      De notarissen betwisten in hun verweerschrift de ontvankelijkheid van de zoon in deze klachtprocedure, omdat hij zelf geen partij is bij de geldleningsovereenkomst of de hypotheekakte. Niet valt volgens hen in te zien dat de zoon, anders dan als bestuurder van [vennootschap A], een belang heeft bij het indienen van de klacht.

5.5.      Ter zitting is, in aanwezigheid van de ouders en de zoon, de (niet-)ontvankelijkheid van de zoon als klager besproken. De notarissen hebben aangegeven dat zij een inhoudelijke beoordeling van de klacht wensen. Aangezien alle betrokkenen aanwezig waren, de ouders hebben aangegeven dat zij de klacht ondersteunen en de zoon bevoegd is [vennootschap A] te vertegenwoordigen, zijn de ouders en [vennootschap A] met instemming van alle partijen in plaats van de zoon als klagers aangemerkt. Dit betekent dat klagers ontvankelijk zijn in alle klachtonderdelen.

klachtonderdeel 1 – schending van de onpartijdigheid en belangenverstrengeling
5.6.      Op grond van art. 17 lid 1 Wna dient een notaris het ambt in onafhankelijkheid uit te oefenen. Het is de kamer niet gebleken dat er sprake is van belangenverstrengeling of partijdigheid van (één van) de notarissen. Dat het kantoor van de notarissen al eerder opdrachten van [vennootschap B] en/of [vennootschap C] heeft uitgevoerd en een donatie aan het [sportevenement]-team van [vennootschap B] heeft gedaan, betekent niet dat zij hun ambt voor deze opdracht niet onafhankelijk en onpartijdig van [vennootschap B] en/of [vennootschap C] hebben uitgeoefend. De vermelding van “onze notaris” in de e-mail van [vennootschap C] (zoals hiervoor geciteerd onder 2.5) kan niet worden toegerekend aan de notarissen en maakt ook niet dat er sprake is van belangenverstrengeling en/of partijdigheid van (één van) de notarissen. Dat in dit geval sprake is geweest van belangenverstrengeling en/of partijdigheid van (één van) de notarissen is niet gebleken. De kamer zal dit eerste klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren.

klachtonderdelen 2 en 3 – schending van de verzwaarde zorgplicht en de zorg- en informatieplicht – algemeen
5.7.      De kamer ziet vanwege de onderlinge samenhang aanleiding het tweede en derde klachtonderdeel gezamenlijk te behandelen. Ter beoordeling van de kamer staat de vraag of de notarissen in deze zaak hebben voldaan aan de in art. 17 lid 1 Wna neergelegde zorgplicht en aan de in art. 43 lid 1 Wna neergelegde verplichting om partijen tijdig en voldoende te informeren, hen te waarschuwen en voldoende te onderzoeken of zij de strekking van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte begrepen en de gevolgen hiervan ook bewust accepteerden (wilscontrole).

5.8.      De notarissen voeren als verweer aan dat de ouders steeds hebben laten weten in te stemmen met de transactie, de concepten en de definitieve geldleningsovereenkomst en hypotheekakte. Daarnaast stellen zij dat de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte op het kantoor van de notarissen uitvoerig zijn besproken met de ouders en de zoon (als vertegenwoordiger van [vennootschap A]), waarbij de inhoud van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte integraal zijn doorgenomen en de gevolgen van die stukken zijn besproken. De ouders en de zoon hebben verklaard de inhoud te begrijpen en de gevolgen daarvan te aanvaarden. Pas daarna is de overeenkomst ondertekend en is de hypotheekakte verleden. Tot slot stellen de notarissen dat er voor hen geen enkele aanwijzing was dat sprake was van een wilsgebrek; de ouders of de zoon hebben hen daar nooit op geattendeerd. De notarissen stellen dat daar wél alle ruimte voor was, zeker tijdens de bespreking op hun kantoor, omdat bij die bespreking geen medewerkers van [vennootschap B] en/of [vennootschap C] aanwezig waren. De kamer gaat hier echter niet in mee en overweegt hiertoe als volgt.

schending van de verzwaarde zorgplicht en de zorg- en informatieplicht – informatieplicht
5.9.      De informatieplicht van de notaris op grond van art. 43 lid 1 Wna houdt in dat een notaris aan partijen tijdig tevoren de gelegenheid moet bieden om van de inhoud van een akte kennis te nemen en dat de notaris de zakelijke inhoud van een akte moet mededelen en daarop een toelichting moet geven. Uit het dossier van de notarissen blijkt niet dat zij ten opzichte van de beide ouders en de zoon (als vertegenwoordiger van [vennootschap A]) aan deze informatieplicht hebben voldaan. Zo heeft de kandidaat-notaris de concepten van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte niet vooraf aan de vader gestuurd (of gericht) en zijn deze stukken per e-mail naar - voor zover hier relevant - de moeder en [vennootschap A] verstuurd zonder enige toelichting. De kandidaat-notaris stelt daar tegenover dat hij de transactie daarnaast nog wel op hoofdlijnen telefonisch heeft besproken met de moeder, maar hij heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat hij niet beschikt over een dossiernotitie die deze stelling, die door klagers wordt betwist, onderbouwt. Vast staat in elk geval dat het telefoongesprek tussen de kandidaat-notaris en de moeder heeft plaatsgevonden op 26 november 2024, terwijl de bijbehorende concepten van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte pas op 28 november 2024 door de kandidaat-notaris met de moeder zijn gedeeld. De kamer kan niet vaststellen dat de moeder zorgvuldig over de hypotheekakte is voorgelicht nu op het moment van het telefoongesprek nog geen conceptakte was toegestuurd. Daarnaast is niet gebleken dat de vader tijdig en zorgvuldig over de hypotheekakte is voorgelicht. De kandidaat-notaris heeft namelijk alle correspondentie over de transactie met de zoon en de moeder gevoerd zonder de vader hierbij te betrekken. Pas toen de passeerafspraak in beeld kwam, is de vader hiervoor uitgenodigd, zij het zonder dat hem de concepten van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte zijn toegestuurd. Het staat daarom vast dat de vader niet tijdig voor het passeren van de hypotheekakte door de notarissen gelegenheid is geboden om van de inhoud van deze stukken kennis te nemen. Desgevraagd heeft de kandidaat-notaris ter zitting verklaard dat hij in de veronderstelling was dat de moeder de inhoud van de hypotheekakte met haar echtgenoot zou bespreken en dat zowel hijzelf als de notaris op 19 december 2024, tijdens de bespreking voorafgaand aan het passeren van de hypotheekakte, wél uitvoerig op de inhoud van deze akte is ingegaan. De notarissen hebben echter ter zitting aangegeven dat zij niet over dossiernotities beschikken die het voorgaande onderbouwen.
Het is de kamer tot slot niet gebleken dat de zoon, als vertegenwoordiger van [vennootschap A], zorgvuldig is voorgelicht door de notarissen over de inhoud van de geldleningsovereenkomst, of over de inhoud van de hypotheekakte.

schending van de verzwaarde zorgplicht en de zorg- en informatieplicht - waarschuwingsplicht
5.10.    De hiervoor genoemde informatieplicht wordt in bepaalde gevallen aangevuld met een bijzondere waarschuwingsplicht. Of een notaris deze bijzondere waarschuwingsplicht heeft, hangt af van de omstandigheden van het geval. Hiervoor is relevant wat de ervaring en deskundigheid van partijen is, hoe hun onderlinge verhouding eruitziet en in welke verhouding zij staan tot de notaris. De notaris dient alert te zijn op onevenwichtigheid tussen partijen. Als de notaris risico’s van financiële of andere aard opmerkt en reden heeft om te vermoeden dat een van de betrokken partijen die risico’s niet ziet of niet begrijpt, dan is de notaris verplicht om die partij te informeren en zo nodig te waarschuwen door te wijzen op de gevolgen die voor partijen of één van hen uit de inhoud van de akte voortvloeien. Deze waarschuwingsplicht omvat mede de verplichting voor de notaris om zich ervan te vergewissen dat partijen die gevolgen begrijpen, waarbij deze verplichting aan gewicht wint – zo oordeelde de Hoge Raad – naarmate de gevolgen nadeliger of riskanter zijn.

5.11.    De kamer is van oordeel dat op de kandidaat-notaris, bij het voorbereiden en (laten) ondertekenen van de geldleningovereenkomst, jegens de zoon (als vertegenwoordiger van [vennootschap A]) een bijzondere waarschuwingsplicht rustte. Omdat de geldleningsovereenkomst werd getekend door twee zakelijke partijen, was er weliswaar geen sprake van een onevenwichtigheid tussen partijen, maar de kandidaat-notaris had zich bewust moeten zijn van de penibele financiële situatie van de zoon en daarom extra zorgvuldigheid dienen te betrachten. De kandidaat-notaris had de zoon, als partij die mogelijk het risico van de geldleningsovereenkomst niet overzag of begreep, beter moeten informeren en waarschuwen door te wijzen op de gevolgen die er voor hem, ook in relatie tot zijn ouders, uit de inhoud van de geldleningsovereenkomst voortvloeiden. Dat hij dit niet heeft gedaan, blijkt uit wat hiervoor onder 5.9 is overwogen over de informatieplicht. Door dit na te laten, heeft de kandidaat-notaris zijn bijzondere waarschuwingsplicht jegens de zoon ([vennootschap A]) geschonden.

5.12.    De kamer meent dat er op de notarissen (ook) een bijzondere waarschuwingsplicht jegens de ouders rustte. Er was bij de hypotheekakte immers sprake van een onevenwichtigheid tussen de partijen: een professionele partij (vennootschap B]) als hypotheeknemer en daartegenover een niet-professionele partij (de ouders) als derde-hypotheekgever. Daarnaast was sprake van vestiging van een hypotheekrecht op de woning van de ouders, waarbij zij zich garant stelden voor een schuld van een derde (vennootschap A), met mogelijke verstrekkende nadelige financiële gevolgen voor hen als de schuld niet (tijdig) zou worden afgelost. Het was, zeker in de gegeven omstandigheden, van belang om de ouders voorafgaand aan het ondertekenen van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte voldoende in de gelegenheid te stellen om kennis te nemen van deze akten en een toelichting daarop, zodat zij de gevolgen daarvan tot zich hadden kunnen laten doordringen. Op deze wijze hadden de notarissen de bestaande onevenwichtigheid tussen [vennootschap B] en de ouders – die voor hen kenbaar was of had moeten zijn – behoren te compenseren. De notarissen hebben dit beiden nagelaten, zoals onder meer blijkt uit wat hiervoor onder 5.9 is overwogen over de informatieplicht. Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat de vader de Nederlandse taal niet voldoende machtig is om de akte zelfstandig te kunnen lezen en begrijpen. Op basis van artikel 42 lid 1 Wna dient een notaris een tolk in te schakelen indien een verschijnende partij de taal van de akte niet voldoende verstaat. Nu vast is komen te staan dat de vader de Nederlandse taal niet voldoende machtig is, had het op de weg van de notarissen gelegen om een tolk voor hem in te schakelen. Zij hadden zich nog meer bewust moeten zijn van hun bijzondere waarschuwingsplicht en hadden hier ook naar moeten handelen. Door dit na te laten, een tolk  hebben zij immers niet ingeschakeld, hebben de notarissen hun bijzondere waarschuwingsplicht jegens de ouders geschonden.

5.13.    Bovendien hebben zowel de kandidaat-notaris als de notaris over de inhoud en de gevolgen van het hypotheekrecht onjuiste inlichtingen aan de ouders verstrekt. Ten eerste meenden de notarissen ten onrechte dat het hypotheekrecht niet door [vennootschap B] geëxecuteerd zou kunnen worden, omdat er geen executiebevoegdheid in de akte is opgenomen, en hebben zij dit ook expliciet tegen de ouders gezegd. Uit artikel 3:268 lid 1 Burgerlijk Wetboek volgt dat het executierecht rechtstreeks voortvloeit uit het hypotheekrecht. Een executiebeding in de hypotheekakte is daarvoor niet nodig. Een eventuele afspraak over (afstand van) de executiebevoegdheid van de hypotheekhouder is uitsluitend verbintenisrechtelijk van aard en ontneemt de hypotheekhouder die bevoegdheid niet.

5.14.    Ten tweede hebben de notarissen de ouders ten onrechte laten weten dat voor de vestiging van het recht van tweede hypotheek geen toestemming nodig was van de eerste hypotheekhouder, omdat het tweede hypotheekrecht niet geëxecuteerd zou kunnen worden. Uit de door klager overgelegde hypotheekvoorwaarden van de eerste hypotheekhouder blijkt dat voorafgaande schriftelijke toestemming nodig was voor het bezwaren van de woning. Alleen al hierom was de informatie van de notarissen op dit punt niet juist. Bovendien is het ontbreken van toestemming van de eerste hypotheekhouder in de regel ook een opeisingsgrond voor de daaraan verbonden geldlening. Ter zitting is gebleken dat de notarissen ook dit niet goed voor ogen hebben gehad. De kandidaat-notaris heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij niet precies wist hoe het zat met de opeisingsgronden uit hoofde van het eerste hypotheekrecht. Hij zou dit wel hebben gecontroleerd, maar dit blijkt niet uit het dossier. Dat komt voor risico van de notarissen. Bovendien heeft de eerste hypotheekhouder zich het recht om de lening in zijn geheel op te eisen voorbehouden en is niet gebleken dat zij dit zonder recht doet. Als er al een controle heeft plaatsgehad, is aannemelijk dat deze niet adequaat is geweest.

5.15.    Ten derde bevat de hypotheekakte een bepaling waardoor het hypotheekrecht ook strekt tot zekerheid voor de betaling van toekomstige vorderingen van [vennootschap B] op [vennootschap A]. Het opnemen van deze bepaling in de hypotheekakte kan verstrekkende nadelige (financiële) gevolgen voor de ouders hebben als de zoon nieuwe huurschulden bij [vennootschap B] laat ontstaan. Het had op de weg van de notarissen gelegen om deze bepaling en de gevolgen hiervan op zijn minst expliciet met de ouders te bespreken en toe te lichten om zich ervan te vergewissen dat de wil van de ouders (ook) hierop was gericht. Dat de notarissen dit hebben gedaan, is niet gebleken, waarbij het voor risico van de notarissen komt dat in het dossier hierover geen aantekeningen zijn opgenomen.

5.16.    Op basis van wat hiervoor onder 5.13 tot en met 5.15 is overwogen, is de kamer van oordeel dat de notarissen de ouders onjuist hebben geïnformeerd over de inhoud van de hypotheekakte en dat zij daarmee, ook op dit punt, hun bijzondere waarschuwingsplicht hebben geschonden.

schending van de verzwaarde zorgplicht en de zorg- en informatieplicht – wilscontrole
5.17.    De verplichting tot wilscontrole als element van de notariële zorgplicht op grond van art. 17 lid 1 Wna brengt mee dat een notaris zich ervan vergewist dat de wil van partijen tot uitdrukking komt in de notariële akten. Alleen al vanwege de gebrekkige en onjuiste voorlichting van de ouders en de zoon door de notarissen – zoals hiervoor overwogen – concludeert de kamer dat er geen zorgvuldige wilscontrole heeft kunnen plaatsvinden. Als de inhoud van te ondertekenen stukken voorafgaand aan ondertekening niet (voldoende) bekend of juist toegelicht is, kan er immers niet vanuit worden gegaan dat de wil van partijen gericht was op de rechtsgevolgen van de ondertekende stukken.

5.18.    Verder geldt dat de kamer niet kan vaststellen onder welke omstandigheden de afspraken tussen [vennootschap B] (en/of [vennootschap C]), de ouders en de zoon (namens [vennootschap A]) tot stand zijn gekomen. De feitelijke toedracht acht de kamer echter niet relevant in deze tuchtprocedure: van de notarissen had immers mogen worden verwacht dat zij zich er (actief) van zouden vergewissen dat de ouders en de zoon daadwerkelijk bekend waren met de gevolgen van de geldleningsovereenkomst en de hypotheekakte, en deze gevolgen ook wilden accepteren. Het verweer van de notarissen dat er voor hen geen enkele aanwijzing was dat zich een wilsgebrek voordeed – nu de ouders en de zoon hen op geen enkel moment hierover iets hebben verteld – kan hen dan ook niet baten.

Doordat de notarissen geen adequate wilscontrole hebben uitgevoerd, althans niet ten aanzien van de rechtsgevolgen van de hypotheekakte, hebben de notarissen verzaakt te verifiëren of er mogelijk sprake was van druk vanuit [vennootschap B] (en/of [vennootschap C]) op de ouders om een hypotheekrecht op hun woning te vestigen. Het was echter van wezenlijk belang om dit te controleren, des te meer omdat de ouders zich garant stelden voor hun zoon, die zich in een financieel penibele situatie bevond. Het is niet gebleken dat de lening binnen de overeengekomen termijn (zes maanden) zou kunnen worden terugbetaald.

schending van de verzwaarde zorgplicht en de zorg- en informatieplicht – conclusie
5.19.    Uit het voorgaande volgt dat zowel de kandidaat-notaris (in het traject tot en met de ondertekening van de geldleningovereenkomst en tot aan het passeren van de hypotheekakte door de notaris op 19 december 2024) als de notaris (bij het passeren van de hypotheekakte op 19 december 2024) in strijd hebben gehandeld met de op hen rustende verplichtingen die volgen uit art. 17 lid 1 jo. art. 43 lid 1 Wna. De kamer zal het tweede en derde klachtonderdeel dan ook gegrond verklaren.

5.20.    Het verwijt dat de geldleningsovereenkomst is opgesteld zonder dat er een feitelijke geldstroom plaatsvond is niet terecht. Uit de gang van zaken volgt voldoende dat partijen de bestaande huurschuld van [vennootschap A] wilden omzetten in een geldlening. Een feitelijke geldstroom is dan niet aan de orde. Ook kunnen klagers het de notarissen niet verwijten dat het bedrag van de geldlening niet herleidbaar zou zijn tot een bestaande schuld. Het bedrag van de geldlening is immers door partijen opgegeven.

klachtonderdeel 4 – schending van de nazorgplicht (alleen jegens de notaris)
5.21.    Klagers verwijten de notaris dat hij heeft nagelaten het dossier te heropenen, de hypothecaire inschrijving te rectificeren of deze door te halen, nadat de zoon hem op onder meer 28 april 2025 en 19 mei 2025 hierover had aangeschreven. Het is echter voor een notaris niet mogelijk om, zonder medewerking van alle partijen, een hypotheekakte te rectificeren en/of de hypotheek door te halen. In dit geval was het dus voor de notaris niet mogelijk om het voorgaande te bewerkstelligen en werd dit ook niet van hem verwacht. De kamer zal dit laatste klachtonderdeel ongegrond verklaren.

maatregel – de notaris
5.22.    De notaris heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door de hypotheekakte te passeren zonder hierbij te voldoen aan de op hem rustende verplichtingen die volgen uit art. 17 lid 1 jo. art. 43 lid 1 Wna. De kamer neemt in aanmerking dat (i) er in zekere mate sprake is geweest van zelfstandige dossiervoering door de kandidaat-notaris (de notaris was niet, dan wel zeer beperkt, betrokken in het voortraject van de transactie en stond in geen van de e-mails tussen partijen in de cc) en (ii) het haar ambtshalve bekend is dat de kandidaat-notaris ten tijde van deze transactie negen jaar ervaring had en de notaris daarom ook enigszins mocht vertrouwen op juiste dossiervoering door de kandidaat-notaris. Het voorgaande ontslaat de notaris echter niet van zijn eigen verplichtingen op grond van art. 17 lid 1 jo. art. 43 lid 1 Wna. Dat geldt nog meer omdat het de notaris duidelijk moet zijn geweest dat de ouders zich in een moeilijke positie bevonden, omdat hun zoon in een financieel penibele situatie zat Dat had tot extra zorgvuldigheid bij de notaris moeten leiden. De kamer rekent het de notaris bijzonder aan dat hij de ouders onjuist heeft voorgelicht over het executierecht en de voor de transactie vereiste toestemming van de eerste hypotheekhouder en dat een bankhypotheek is gevestigd, terwijl dit niet (logisch) volgt uit de geldleningsovereenkomst. Daarmee heeft de notaris het vertrouwen dat rechtzoekenden in het notariaat moeten kunnen stellen ernstig geschaad.

De notaris heeft in zijn verweer noch ter zitting inzicht getoond in het bijzonder onzorgvuldige van zijn handelen. De kamer acht de maatregel van schorsing voor de duur van één week daarom passend en geboden.

maatregel – de kandidaat-notaris
5.23.    De kandidaat-notaris heeft tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld door tegenover klagers onvoldoende invulling te geven aan de op hem rustende verplichtingen uit art. 17 lid 1 jo. art. 43 lid 1 Wna. De kandidaat-notaris heeft weliswaar de hypotheekakte niet gepasseerd, maar heeft wel directe, zelfstandige, betrokkenheid bij de afhandeling van het dossier gehad, waarbij hij verantwoordelijk is geweest voor het gebrek aan zorgvuldige, juiste, berichtgeving richting klagers. Aangezien de kandidaat-notaris niet de eindverantwoordelijkheid draagt, acht de kamer voor hem de maatregel van berisping passend en geboden.

griffierecht
5.24.    Omdat de kamer een klachtonderdeel gegrond verklaart, dienen de notarissen op grond van artikel 99 lid 5 Wna het voor klagers betaalde griffierecht van € 50,- aan klagers te vergoeden.

kostenveroordeling
5.25.    De kamer ziet aanleiding om de notarissen, gelet op artikel 103b lid 1 aanhef en sub a Wna en de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat per 1 januari 2021 (Staatscourant 29 december 2020, nr. 67893), te veroordelen in de kosten die klagers in verband met de behandeling van de klacht redelijkerwijs hebben moeten maken, forfaitair vastgesteld op een bedrag van € 50,-.

5.26.    De notarissen moeten het griffierecht (hiervoor onder 5.24) en de kosten van klagers (hiervoor onder 5.25) binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan klagers voldoen. Klagers dienen daartoe tijdig het hiervoor bestemde rekeningnummer schriftelijk aan de notarissen door te geven.

5.27.    Verder ziet de kamer, nu de kamer een klachtonderdeel gegrond verklaart en de notarissen tevens een maatregel oplegt, in verband met het bepaalde bij artikel 103b, eerste lid onder b, Wna en de richtlijn kostenveroordeling kamers voor het notariaat 2021 (Staatscourant 2020, nr. 67893), aanleiding om de notarissen te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van deze zaak zijn gemaakt. In beginsel wordt per klacht een bedrag van € 2.000,- in rekening gebracht. Omdat de klachten die klagers tegen de notarissen hebben geformuleerd (grotendeels) gelijkluidend zijn, de notarissen daar samen op hebben gereageerd en de klachten vervolgens gecombineerd mondeling zijn behandeld, ziet de kamer aanleiding om de kosten van deze procedures gezamenlijk vast te stellen op een totaalbedrag van € 2.000,- (€ 1.000,- voor de notaris en € 1.000,- voor de kandidaat-notaris). De notarissen dienen binnen vier weken na het onherroepelijk worden van deze uitspraak elk in hun eigen zaak een bedrag van € 1.000,- aan de kamer te betalen. Daarvoor zullen zij een nota ontvangen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) in Utrecht.

5.28.    Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

6.         De beslissing

De kamer voor het notariaat:

- verklaart de klachtonderdelen 1 en 4 jegens de notaris en klachtonderdeel 1 jegens de kandidaat-notaris ongegrond;
- verklaart de klachtonderdelen 2 en 3 jegens de notaris en de kandidaat-notaris gegrond;
- legt aan de notaris een schorsing op voor de duur van één week;
- legt aan de kandidaat-notaris een berisping op;
- veroordeelt de notarissen tot betaling aan klagers van de kosten van klagers van  € 50,- en het griffierecht van € 50,- op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
- veroordeelt de notaris tot betaling van de kosten in verband met de behandeling van de zaak, vastgesteld op een - bedrag van € 1.000,- op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald;
- veroordeelt de kandidaat-notaris tot betaling van de kosten in verband met de behandeling van de zaak, vastgesteld op een bedrag van € 1.000,- op de wijze en binnen de termijn zoals hiervóór bepaald.

Deze beslissing is gegeven door mrs. W.S.J. Thijs, voorzitter, N.C.H. Blankevoort, W.A. Groen, K.Th.J. van Duin en A.J.H.M. Janssen, leden en uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2026 door mr. W.S.J. Thijs, voorzitter, in aanwezigheid van mr. N.E. Slump, secretaris.


Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).