ECLI:NL:TNORAMS:2026:7 Kamer voor het notariaat Amsterdam 780153 / NT RK 25/51
| ECLI: | ECLI:NL:TNORAMS:2026:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-05-2026 |
| Datum publicatie: | 05-08-2026 |
| Zaaknummer(s): | 780153 / NT RK 25/51 |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht, subonderwerp: Nalatenschap |
| Beslissingen: | Klacht niet-ontvankelijk |
| Inhoudsindicatie: | De klacht gaat over de afwikkeling van een nalatenschap en bestaat uit zes klachtonderdelen. De kamer heeft klager niet-ontvankelijk verklaard in de klachtonderdelen één t/m vier vanwege het feit dat de wettelijke driejaarstermijn (artikel 99 lid 21 Wna) ten tijde van het indienen van de klacht (24 november 2025) al verstreken was. Over het vijfde klachtonderdeel heeft de kamer als volgt overwogen. De notaris(klerk) heeft mr. [O] in december 2023 ingeschakeld. De erfgenamen hebben ervoor gekozen ditzelfde te doen op (of rond) 7 maart 2024. Het enkele feit dat mr. [O] gevestigd is in Noord-Brabant, op 150 kilometer afstand van het kantoor van de notaris en in de regio waar de erfgenamen wonen, is onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van partijdig handelen door de notaris(klerk). Dat de erfgenamen er later voor hebben gekozen eveneens mr. [O] in te schakelen, kan de notaris niet worden verweten. De kamer oordeelt dan ook dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren. Over het zesde klachtonderdeel heeft de kamer tot slot het volgende overwogen. De vraag is of de notaris redelijkerwijs tot het passeren van de akte van verdeling mocht overgaan. De kamer beantwoordt deze vraag bevestigend. Voorafgaand aan het passeren van de akte, heeft de notaris zich ervan vergewist alle vragen van klager afdoende te hebben beantwoord en over alle relevante informatie te beschikken. Daarnaast had de notarisklerk op 11 mei 2023, voorafgaand aan het passeren van de akte van verdeling, rekening en verantwoording afgelegd aan de erfgenamen. De kamer is van oordeel dat de notaris op basis van het voorgaande redelijkerwijs tot de conclusie heeft mogen komen dat het geoorloofd was de akte van verdeling te passeren en zal dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM
Beslissing van 26 mei 2026 in de klacht met nummer 780153 / NT RK 25/51 van:
[klager],
wonende te [woonplaats],
tegen:
[notaris],
notaris te [vestigingsplaats],
gemachtigde mr. M.C.J. Höfelt te Amsterdam.
Partijen worden hierna klager en de notaris genoemd.
1. Ontstaan en loop van de procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het klaagschrift met bijlagen van 24 november 2025;
- het verweerschrift met bijlagen van 20 februari 2026;
- de aanvullende producties van klager van 16 maart 2026;
- de pleitaantekening van klager van 8 april 2026 ten behoeve van de mondelinge
behandeling op 14 april 2026.
1.2. Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 14 april 2026 zijn klager
– digitaal – en de notaris verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. De gemachtigde
van de notaris heeft het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen.
Uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
2.1. Op [datum] 2022 is [naam moeder], (de moeder van klager, hierna: erflaatster)
overleden. Haar testament bepaalt dat klager en diens afstammelingen zijn uitgesloten
als erfgenaam. Als erfgenamen heeft zij twee derden benoemd (hierna: de erfgenamen).
2.2. In haar testament heeft erflaatster [R] (haar accountant-administratieconsulent,
hierna: [R])) benoemd tot executeur. Op 18 januari 2022 heeft [R] een declaratie gestuurd
aan de erfgenamen waarin hij 21 uur aan werk declareert.
2.3. Op 10 januari 2022 heeft [R] ten overstaan van de notaris schriftelijk
verklaard de benoeming tot executeur niet te aanvaarden. Op 20 januari 2022 heeft
de notaris vervolgens een verklaring van executele opgemaakt waarin zij zelf is aangewezen
als executeur van de nalatenschap van erflaatster en volmacht verleent aan notarisklerk
[naam notarisklerk] (hierna: de notarisklerk) om de nalatenschap van erflaatster te
beheren. In de verklaring staat dat [R] heeft verklaard zijn benoeming niet te aanvaarden.
2.4. Op 2 maart 2022 heeft de notarisklerk in opdracht van de erfgenamen een
afschrift van de verklaring van executele aan klager verstrekt via het digitale dossier
dat voor de nalatenschap was aangemaakt. Klager is toen ook geïnformeerd over zijn
onterving en zijn positie als legitimaris.
2.5. Bij e-mail van 3 maart 2022 aan de notarisklerk heeft klager aangekondigd
een beroep te zullen doen op zijn legitieme portie en verzocht om inzage in documenten.
2.6. Op 13 juli 2022 heeft de notarisklerk de volgende documenten aan klager
verstrekt:
- de berekening van de legitieme portie van klager;
- de boedelbeschrijving voor de berekening van de legitieme portie van klager;
- de concept akte van uitkering legitieme portie aan klager;
- een volmacht voor het passeren van de akte uitkering legitieme portie aan klager.
De volmacht bevat een clausule waarin de ondergetekende verklaart kwijting en décharge
te verlenen en afstand te doen van het recht op ontbinding of herscheiding te vorderen.
In de begeleidende e-mail heeft de notarisklerk het volgende verzoek gedaan:
“(…) Graag verneem ik van u of u akkoord bent met de inhoud van de akte en de berekeningen.
Zo ja verzoek ik u vervolgens op een afspraak voor de legalisatie van uw handtekening
in te plannen voor de ondertekening van de volmacht voor het passeren van de akte.
Hierbij geeft u volmacht aan een van de medewerkers van het kantoor om namens u
de akte te ondertekenen. Na het passeren zal ik het bedrag aan u laten overmaken.
(…)”
2.7. Bij e-mail van 18 juli 2022 aan de notarisklerk heeft klager laten weten
zich niet te kunnen vinden in de inhoud van de akte en de berekening. De volmacht
bevatte volgens hem voorwaarden voor de uitkering van de legitieme portie. Klager
was het ook niet eens met de berekening van de legitieme portie en wilde een ondertekende
boedelbeschrijving ontvangen.
2.8. Op 26 juli 2022 heeft de notarisklerk, om klager tegemoet te komen en
in afwijking van haar gebruikelijke praktijk, een getekende boedelbeschrijving beschikbaar
gesteld via het digitale dossier. Ook heeft zij voorgesteld een videobespreking te
houden voor een toelichting en het doornemen van eventuele inhoudelijke vragen.
2.9. In een e-mail van 27 juli 2022 heeft klager ermee ingestemd dat de waarde
van de inboedel van erflaatster op nihil werd gesteld.
2.10. Op 28 juli 2022 hebben klager en de notarisklerk een videobespreking gevoerd.
Er bestond discussie over betalingen die erflaatster in 2012 en 2013 had gedaan aan
[H], destijds een goede vriend van haar (hierna: [H]). Het ging om bedragen tussen
circa € 55.000,- en € 67.000,-. Volgens de erfgenamen ging het om giften die buiten
de berekening van de legitieme massa moesten worden gehouden. Zij hebben dat als volgt
toegelicht: erflaatster had [H] geholpen bij het opzetten van een timmerbedrijf in
Griekenland. Dat het ging om schenkingen blijkt volgens de erfgenamen uit door [H]
geschreven dankbrieven uit 2013. Door die betalingen was erflaatster krap bij kas
komen te zitten. In 2019 heeft zij geprobeerd het geld terug te vorderen. Zij had
daarvoor een advocaat ingeschakeld, maar die heeft uiteindelijk geen nadere actie
ondernomen vanwege verjaring en bewijsproblemen.
2.11. Bij e-mail van 30 augustus 2022 heeft klager de notarisklerk verzocht het
bedrag van € 67.000,- bij de legitieme massa op te tellen omdat dat een gift betreft
die kennelijk is gedaan en aanvaard met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen
worden benadeeld, zoals bedoeld in artikel 4:67a Burgerlijk Wetboek.
2.12. Bij brief van 6 oktober 2022 heeft de notarisklerk aan klager geschreven
dat zij de berekening van de legitieme massa niet zal aanpassen, om de volgende redenen:
“(…) Bij het opmaken van de berekening van de legitieme massa de dato 6 juli jl. heb
ik mij op de volgende standpunten gesteld;
A. Er is géén sprake van een gift aan de heer [H] medio 2012/2013, aangezien uit
objectieve informatie, o.a. een concept dagvaarding d.d. 23 december 2020 blijkt dat
erflaatster aanspraak maakt op terugbetaling van de verstrekte geldlening aan de heer
[H] (…)
B. In de nalatenschap van erflaatster is sprake van een verjaarde vordering ten
laste van de heer [H]. Uit de administratie van erflaatster is mij niet gebleken dat
de verjaringstermijn tijdig is gestuit, wat betekent dat de vordering is verjaard.
Dat is de reden waarom de vordering niet bij de berekening legitieme is meegenomen.
(…)”
2.13. Op 10 oktober 2022 is aan klager op zijn verzoek een voorschot van € 127.500,-
op zijn legitieme portie uitgekeerd, omdat de afhandeling vertraging zou oplopen door
de discussie over de kwalificatie van de betalingen aan [H].
2.14. Op 17 oktober 2022 heeft klager de notarisklerk gewezen op een oude concept
dagvaarding van de door erflaatster ingeschakelde advocaat, waaruit onder verwijzing
naar stukken uit 2014 en 2015 zou volgen dat de verjaring was gestuit. Klager verweet
de notarisklerk in dit bericht dat zij eenzijdig en partijdig handelde.
2.15. In december 2022 heeft de notarisklerk advies ingewonnen bij mr. [O], advocaat
te Eindhoven (hierna: mr. [O]), over de betalingen aan [H]. Op 13 december 2022 bevestigde
mr. [O] het standpunt van de notarisklerk en adviseerde zij de legitieme portie uit
te betalen zodat alle schulden van de nalatenschap zouden zijn betaald. Als klager
meende dat hij recht had op een hogere legitieme portie, zou hij zelf een procedure
moeten starten.
2.16. Klager heeft ook een advocaat ingeschakeld. Overleg tussen beide advocaten
heeft erin geresulteerd dat in totaal € 2.800,- bij de legitieme massa is opgeteld.
2.17. Op 16 januari 2023 heeft de notarisklerk de definitieve berekening van
de legitieme portie vastgesteld. Op 6 april 2023 heeft zij klager geïnformeerd dat
zij aan die berekening vasthield en dat zij het restant van de legitieme portie aan
klager zal uitkeren “tegen algehele kwijting". Zij heeft het restant bedrag nog diezelfde
dag aan hem overgemaakt.
2.18. Op 11 mei 2023 heeft de executeur aan de erfgenamen de eindrekening en
verantwoording verstrekt. Vervolgens is op 25 mei 2023 de akte van verdeling ondertekend.
In die akte is opgenomen dat de legitieme portie aan klager is uitgekeerd op basis
van de berekening van 16 januari 2023, maar dat klager daarmee niet akkoord is gegaan.
2.19. Op 29 mei 2023 heeft klager de notarisklerk bericht dat hij een gerechtelijke
procedure zou starten. “Gezien de eenzijdige afhandeling tot op heden” heeft klager
aanvullende informatie geëist om de berekening van de legitieme portie te kunnen voltooien
voordat de procedure zou worden gestart. In deze e-mail heeft klager onder meer geschreven:
“(…) (1) Verantwoording van waardevolle roerende goederen: Er was een overeenkomst waarin
de legitimaris akkoord ging met een nihilwaardering van deze goederen als onderdeel
van een schikking. Aangezien er geen daadwerkelijke schikking heeft plaatsgevonden,
verzoek ik u dringend om een overzicht op te stellen van de roerende zaken die deel
uitmaken van de nalatenschap, alsmede de waarde van deze goederen te vermelden. Tevens
wil ik weten op welke basis aanvankelijk werd bepaald dat deze goederen geen waarde
vertegenwoordigen.
Er zijn twee opmerkelijke zaken: in de brief van de heer [G] [die de uitvaart van
erflaatster heeft verzorgd, kvhn] wordt gesproken over een auto, terwijl de heer [K]
tijdens een telefonisch gesprek uitgebreid sprak over de staat van de zitbank. Het
verhaal van de heer [K] komt niet overeen met de foto’s van de inboedel in het dossier.
(…)”
2.20. Op 5 juli 2023 heeft de notarisklerk bij brief aan klager het volgende
geschreven over de waardering van de inboedel:
“(…) De aanwezige inboedel was gedateerd en zwaar vervuild met onder andere nicotine aanslag.
Waardevolle bezittingen of sieraden zijn niet aangetroffen zoals al eerder aan u toegelicht.
Op dat moment heb ik mij op het standpunt gesteld om geen taxatie van de inboedel
te laten plaatsen, dat was een kosten-baten analyse.
Uit de correspondentie, onder andere uw email van 30 augustus 2022 blijkt dat u
het eens bent met de waardering van inboedelgoederen voor Nihil.
[Erflaatster] bezat per datum overlijden geen auto/vervoermiddel, vandaar dat deze
ook niet op de boedelbeschrijving is vermeld. De verwarring hierover in de brief met
de heer [G] en het telefoongesprek met de heer [K] is mij niet bekend. (…)”
2.21. Op 21 september 2023 heeft klager, op zijn verzoek, een videobespreking
gevoerd met de notaris en de notarisklerk. Klager heeft een digitale opname gemaakt
van dit gesprek (hierna: de opname).
2.22. Op 23 september 2023 heeft uitvaartondernemer [naam uitvaartondernemer]
(hierna: de uitvaartondernemer), in reactie op vragen die klager hem had gesteld,
aan klager geschreven:
“Ik ben eerder met Dhr [R] bij uw moeder geweest om te praten over de uitvaart op het
moment dat zij zou overlijden.
Ik ben n.l. Uitvaartondernemer.
Alles is anders gelopen omdat uw moeder haar testament heeft veranderd.
Ik ben met Dhr [R] bij de notaris geweest na haar overlijden.
Niet de notaris, maar ik heb Dhr. [R] geadviseerd te stoppen met het executeurschap.
Hij stemde op dat moment daarmee in.
Op dat moment was [R] 85 jaar en nog herstellende van een ziekenhuisopname.
Over de auto is het u bekend.
Ik heb in die dagen contact gehad met de buren.
Ik heb geen idee of zij iets hebben gezien.
De erfgenamen beschikten over een sleutel van het huis.”
2.23. Klager heeft op 5 mei 2024 een schikking getroffen met de erfgenamen. De
notaris en notarisklerk waren daarbij niet betrokken. De erfgenamen werden bijgestaan
door mr. [O].
3. De klacht
De klacht bestaat uit zes klachtonderdelen en richt zich deels ook op het handelen
van de notarisklerk, voor wiens handelen de notaris aansprakelijk is.
3.1. De eerste klacht betreft de verklaring van executele, waarin is opgenomen
dat de aanvankelijk benoemde executeur ([R]) de benoeming niet wilde aanvaarden. Dat
klopt volgens klager niet. Uit meerdere stukken blijkt dat de executeur de benoeming
heeft aanvaard, werkzaamheden heeft verricht en pas na overleg met het notariskantoor
is teruggetreden. De notaris wist of had moeten weten dat wat zij in de verklaring
van executele opnam niet klopte. Dat is niet alleen in strijd met de zorgvuldigheid
die van een (kandidaat-)notaris mag worden verwacht, maar levert ook een strafbaar
feit op, namelijk valse opgave in een authentieke akte, artikel 227 lid 1 Wetboek
van Strafrecht.
3.2. Ten tweede stelt klager onvoldoende te zijn belehrt over de inhoud van de (volmacht ten behoeve van de) akte uitkering legitieme. Op
geen enkel moment heeft de notaris zich ervan vergewist dat hij de inhoud en de gevolgen
van de ondertekening van de volmacht en het passeren van de akte voor hem zou betekenen,
aldus klager.
3.3. De derde klacht is dat gedurende de afwikkeling van de nalatenschap verschillende,
elkaar uitsluitende kwalificaties zijn gegeven van betalingen tot een totaal van €
67.000,- die erflaatster heeft gedaan aan [H]. De kwalificatie van die betalingen
is gewijzigd van gift (waar tot 28 juli 2022 van werd uitgegaan) naar lening (op 28
juli 2022), verjaarde lening (6 oktober 2022) en uiteindelijk weer gift (31 oktober
2023) zonder voorafgaand feitelijk onderzoek en zonder dat op enig moment een volledig
en consistent overzicht van het relevante dossiermateriaal is gepresenteerd. Dit heeft
geleid tot verwarring en onduidelijkheid met wel één constante: de voortdurende en
onterechte uitsluiting van € 67.000,- bij de berekening van de legitieme portie.
3.4. De notaris heeft signalen van onttrekking van goederen genegeerd, geweigerd
daarnaar onderzoek te doen en heeft een partijdige (“asymmetrische”) houding aangenomen.
Volgens klager staat vast dat de erfgenamen kort voor of na het overlijden de auto
van erflaatster hebben afgevoerd. Tijdens de videobespreking van 21 september 2023
heeft de notarisklerk erkend dat zij wist dat de auto was afgevoerd en dat zij heeft
besloten dat niet aan klager te melden. Zij vond dat irrelevant omdat de erfgenamen
erflaatster veel mantelzorg hadden verleend en op eigen kosten haar hondje hebben
gecremeerd, wat is weggestreept tegen het weghalen van de auto. Dat de auto was weggehaald
bewijst volgens klager onomstotelijk dat de erfgenamen toegang hadden tot de woning.
Toen klager meldde dat er zilverwerk en andere goederen vermist werden, had de notaris
moeten onderzoeken of het klopte dat de erfgenamen niets hadden meegenomen. Zij heeft
het omgekeerde gedaan: onderzoek geblokkeerd met gebruik van de nihil-waardering.
Daarmee had klager in de vroege fase van de afwikkeling ingestemd uit vertrouwen,
pragmatisme en coulance, naar zijn overtuiging achteraf ten onrechte.
Klager ziet ook partijdigheid bij de “Griekse gelden”. Welke kwalificatie ook aan
die betalingen werd gegeven, de uitkomst was altijd in het voordeel van de erfgenamen.
3.5. De notaris heeft partijdig gehandeld bij het inschakelen van mr. [O].
Mr. [O] is gevestigd in Noord-Brabant, de regio waar ook de erfgenamen wonen en 150
kilometer verwijderd van de notaris. Dat wekt de indruk dat de keuze voor mr. [O]
niet onafhankelijk door de notaris is gemaakt. Deze schijn van partijdigheid wordt
versterkt door het feit dat mr. [O] als advocaat voor de erfgenamen is opgetreden
in dezelfde kwestie, nadat de notaris haar taak als executeur had neergelegd. De verstrengeling
van de positie van de notaris en de erfgenamen blijkt uit een schikkingsvoorstel van
de erfgenamen, waarbij onder meer als voorwaarde werd gesteld dat de klachten richting
de executeur zouden worden ingetrokken. De notaris heeft toegestaan dat haar persoonlijke
tuchtrechtelijk belang (het voorkomen van een klacht) onderdeel werd van de zakelijke
afwikkeling van de nalatenschap.
3.6. De notaris heeft de afwikkeling van de nalatenschap onbevoegd beëindigd.
Een executeur mag niet tot verdeling en afronding overgaan zolang hij op de hoogte
is van een geschil met een schuldeiser. Dat is recentelijk nog overwogen door de kamer
voor het notariaat (ECLI:NL:TNORDHA:2025:23, overweging 5.4). Bij de beëindiging is
bovendien eenzijdig finale kwijting opgelegd, terwijl kwijting alleen kan worden verleend
door de schuldeiser. De notaris wist dat klager het niet eens was met de berekening
van de legitieme.
4. Het verweer
De notaris heeft de klacht gemotiveerd weersproken. Voor zover van belang wordt
hierna op dat verweer ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Ingevolge artikel 93 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna)
zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak
onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens
deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij behoren te betrachten ten opzichte
van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een
behoorlijk notaris niet betaamt. De kamer dient derhalve te onderzoeken of de handelwijze
van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.
toelaatbaarheid van de opname
5.2. Ter zitting is ter sprake gekomen dat klager de opname in de procedure
heeft gebracht. De gemachtigde van de notaris heeft de kamer gevraagd een oordeel
te vellen over de toelaatbaarheid van de opname in deze procedure.
5.3. De kamer laat de opname toe, voor zover deze verstaanbaar is. De notaris
vindt het niet ethisch dat deze opname buiten haar medeweten is gemaakt, maar betwist
de inhoud daarvan niet (met uitzondering van het niet verstaanbare gedeelte). In het
midden kan blijven of klager onethisch heeft gehandeld door het videogesprek op te
nemen; ook al zou dat zo zijn, betekent dat nog niet dat de kamer van de opname geen
kennis kan nemen. De kamer gaat er, nu de notaris de inhoud van de opname niet betwist,
vanuit dat deze een getrouwe weergave van de bespreking behelst.
ontvankelijkheid – algemeen
5.4. Voordat de kamer aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht kan toekomen,
moet (ambtshalve) worden beoordeeld of klager ontvankelijk is in de klacht. Op grond
van artikel 99 lid 21 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren
na de dag waarop de tot klacht gerechtigde kennis heeft genomen van het handelen of
nalaten van een notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven.
Als de klacht wordt ingediend na verloop van drie jaren na de dag waarop een klager
kennis heeft genomen of redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van het handelen
of nalaten van de notaris waarop de klacht betrekking heeft, wordt de klager niet-ontvankelijk
verklaard.
5.5. Het is vaste rechtspraak van het gerechtshof Amsterdam (de hoogste notariële
tuchtrechter) dat de wettelijke driejaarstermijn begint te lopen op de dag na de dag
waarop een klager daadwerkelijk bekend is met het verweten handelen of nalaten van
de notaris. Voor de aanvang van de klachttermijn is de feitelijke (objectieve) kennis
van klager van het handelen of nalaten van de notaris bepalend en niet de persoonlijke
(subjectieve) kennis dat dit handelen of nalaten mogelijk tuchtrechtelijk onjuist
zou kunnen zijn (vergelijk Gerechtshof Amsterdam 27 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:354).
Anders gezegd: de driejaarstermijn begint niet pas te lopen op het moment dat de klager
zich realiseert dat de notaris mogelijk een tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.
De beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als de gevolgen van
het handelen of nalaten van de notaris redelijkerwijs pas na het verstrijken van de
driejaarstermijn bekend zijn geworden. In dat geval verloopt de termijn voor het indienen
van een klacht een jaar na de datum waarop de gevolgen redelijkerwijs als bekend geworden
zijn aan te merken.
5.6. Hoewel de feiten in 2022 hebben plaatsgevonden, is de klacht volgens klager
ontvankelijk. De tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van de feiten is pas aan het licht
gekomen door de erkenningen van de notaris in het videogesprek van 21 september 2023
en de verklaring van de uitvaartondernemer van 23 september 2023, aldus klager. Vóór
dat moment verkeerde klager in de veronderstelling dat sprake was van administratieve
onnauwkeurigheden. De kamer beoordeelt hierna per klachtonderdeel of klager ontvankelijk
is.
(i) ontvankelijkheid – klachtonderdelen 1 t/m 4
5.7. Klachtonderdeel 1 ziet op de verklaring van executele die door de notaris
op 20 januari 2022 is gepasseerd. Klager is op 2 maart 2022 van de inhoud van deze
verklaring op de hoogte gesteld, toen de notarisklerk per e-mail een afschrift van
de verklaring aan klager zond. De driejaarstermijn is daarmee in elk geval op 3 maart
2022 aangevangen: de dag nadat klager kennisnam van het handelen of nalaten van de
notaris(klerk). Klager realiseerde zich naar eigen zeggen echter pas naderhand, door
de verklaring van de uitvaartondernemer van 23 september 2023 (hiervoor geciteerd
onder 2.23), dat de akte een onjuist beeld schetste. Dat neemt echter niet weg dat
de klacht uiterlijk op 2 maart 2025 had moeten zijn ingediend. Nu klager pas op 24
november 2025 de klacht bij de kamer heeft ingediend, zal hij niet-ontvankelijk worden
verklaard in dit klachtonderdeel.
5.8. Klachtonderdeel 2 ziet op de belehrung met betrekking tot de (volmacht ten behoeve van de) akte uitkering legitieme. Op 13
juli 2022 heeft de notarisklerk de bijbehorende documenten, waaronder de akte uitkering
legitieme en de volmacht, met klager gedeeld. Op 26 juli 2022 heeft de notarisklerk
de boedelbeschrijving gedeeld met klager en voorgesteld een videobespreking te houden
om een en ander toe te lichten. Dit maakt dat de driejaarstermijn in elk geval op
27 juli 2022 is aangevangen: de dag nadat klager kennisnam van het handelen of nalaten
van de notaris(klerk). Op 24 november 2025 heeft klager de klacht bij de kamer ingediend
en de driejaarstermijn was toen al verstreken. De kamer zal klager ook niet-ontvankelijk
verklaren is in het tweede klachtonderdeel.
5.9. Het derde klachtonderdeel is gericht op de waardering en kwalificatie
van de ‘Griekse betalingen’. Op 6 oktober 2022 heeft de notarisklerk klager bericht
dat de ‘Griekse betalingen’ niet bij de berekening van de legitieme portie werden
meegenomen. Dit standpunt is daarna niet meer gewijzigd. Daarmee is in elk geval op
7 oktober 2022 de driejaarstermijn aangevangen: de dag nadat klager kennisnam van
het handelen of nalaten van de notaris(klerk). Ook hier geldt dat klager de klacht
op 24 november 2025 bij de kamer heeft ingediend en de driejaarstermijn toen al verstreken
was. De kamer zal klager ook in dit derde klacht-onderdeel niet-ontvankelijk verklaren.
5.10. Het vierde klachtonderdeel is gericht op de vermeende partijdigheid van
de notaris(klerk) met betrekking tot de omvang van de nalatenschap. Klager heeft verklaard
pas tijdens de videobespreking van 21 september 2023 van de notarisklerk te hebben
vernomen dat zij wist dat de auto was afgevoerd en heeft besloten dit niet aan klager
te melden. Klager heeft de notaris(klerk) echter al eerder verweten partijdig te zijn,
nl. onder meer per brief van 17 oktober 2022 (zoals hiervoor opgenomen onder 2.15).
Deze brief van klager was een reactie op, onder meer, de brief van 6 oktober 2022
van de notarisklerk aan klager. Daarmee is op 7 oktober 2022 de driejaarstermijn aangevangen:
de dag nadat klager kennisnam van het handelen of nalaten van de notaris(klerk). De
kamer verwijst naar het hiervoor onder 2.9 overwogene en zal klager ook in dit vierde
klacht-onderdeel niet-ontvankelijk verklaren.
(ii) ontvankelijkheid – klachtonderdelen 5 en 6
5.11. Het vijfde klachtonderdeel ziet op de inschakeling van mr. [O] door de
notaris(klerk). Het staat vast dat de notaris(klerk) mr. [O] op enig moment vóór 13
december 2022 (de datum waarop laatstgenoemde haar advies uitbracht) heeft ingeschakeld.
Ongeacht de datum waarop klager hiermee bekend is geworden, is dit klachtonderdeel
op tijd ingediend, aangezien de driejaarstermijn op 24 november 2025 nog niet verstreken
was. Klager is daarom ontvankelijk in dit vijfde klachtonderdeel.
5.12. Het zesde klachtonderdeel ziet op de beëindigen van de afwikkeling van
de nalatenschap door de notaris. Naar het oordeel van de kamer markeert het passeren
van de akte van verdeling het beëindigen van de afwikkeling van de nalatenschap door
de notaris. Op 25 mei 2023 heeft de notaris de akte van verdeling gepasseerd. De driejaarstermijn
is op enig moment hierna aangevangen (afhankelijk van de datum waarop klager hiervan
kennis heeft genomen; dit is niet te controleren voor de kamer). Nu klager zijn klacht
heeft ingediend op 24 november 2025, is het ook niet relevant op welke datum klager
kennis heeft genomen van de akte van verdeling. Vast staat dat de klacht binnen de
driejaarstermijn ingediend, nu de driejaarstermijn niet eerder dan 26 mei 2026 zal
verstrijken. Klager is daarom ook ontvankelijk in dit laatste klachtonderdeel.
(i) inhoudelijk – klachtonderdeel 5
5.13. De notaris(klerk) heeft mr. [O] in december 2023 ingeschakeld. De erfgenamen
hebben ervoor gekozen ditzelfde te doen op (of rond) 7 maart 2024. Het enkele feit
dat mr. [O] gevestigd is in Noord-Brabant, op 150 kilometer afstand van het kantoor
van de notaris en in de regio waar de erfgenamen wonen, is onvoldoende om aan te nemen
dat er sprake is van partijdig handelen door de notaris(klerk). Dat de erfgenamen
er later voor hebben gekozen eveneens mr. [O] in te schakelen, kan de notaris niet
worden verweten. De kamer oordeelt dan ook dat de notaris niet tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld en zal dit klachtonderdeel ongegrond verklaren.
(ii) inhoudelijk – klachtonderdeel 6
5.14. De vraag is of de notaris redelijkerwijs tot het passeren van de akte van
verdeling mocht overgaan. De kamer beantwoordt deze vraag bevestigend. Voorafgaand
aan het passeren van de akte, heeft de notaris zich ervan vergewist alle vragen van
klager afdoende te hebben beantwoord en over alle relevante informatie te beschikken.
Daarnaast had de notarisklerk op 11 mei 2023, voorafgaand aan het passeren van de
akte van verdeling, rekening en verantwoording afgelegd aan de erfgenamen. De kamer
is van oordeel dat de notaris op basis van het voorgaande redelijkerwijs tot de conclusie
heeft mogen komen dat het geoorloofd was de akte van verdeling te passeren en zal
dit klachtonderdeel dan ook ongegrond verklaren.
5.15. Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.
6. De beslissing
De kamer voor het notariaat:
-verklaart klager niet-ontvankelijk in de klachtonderdelen 1 tot en met 4;
-verklaart de klachtonderdelen 5 en 6 ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, J.J. Dijk,
W.A. Groen, A.C. Stroeve en A.J.H.M. Janssen, leden en uitgesproken in het openbaar
op 26 mei 2026 door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, in aanwezigheid van mr. N.E.
Slump, secretaris.
Tegen deze beslissing van de kamer voor het notariaat kunnen partijen binnen dertig
dagen na de datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Amsterdam (postadres, postbus 1312, 1000 BH Amsterdam).