ECLI:NL:TNORAMS:2015:3 Kamer voor het notariaat Amsterdam 571316/NT14-54 B

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2015:3
Datum uitspraak: 05-02-2015
Datum publicatie: 13-02-2015
Zaaknummer(s): 571316/NT14-54 B
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:   Klaagster is geen erfgenaam en heeft derhalve geen belang bij een uitspraak over de boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater. Hetzelfde geldt ten aanzien van de declaratie van de notaris, die ten laste komt van de erfgenamen en dus niet van klaagster. Ook heeft klaagster geen belang bij een klacht over de uitkering van een legaat aan andere legatarissen dan zijzelf. Klacht deels ongegrond wegens onvoldoende onderbouwing.  

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 5 februari 2015 in de klacht met nummer 571316/NT 14-54 B van:

[klaagster],

wonend te [plaats],

klaagster,

tegen:

[de notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

de notaris.

1. Het verloop van de procedure

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

-        klaagschrift met bijlagen van 23 augustus 2014;

-        brief van de secretaris van de kamer van 28 augustus 2014;

-        brief van klaagster van 31 augustus 2014;

-        brief van de secretaris van de kamer van 3 september 2014; 

-        verweerschrift met bijlage van 17 september 2014;

-        brief met bijlagen van klaagster van 18 september;

-        reactie van de notaris van 23 september 2014.

Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 16 december 2014 zijn klaagster en de notaris verschenen. Beiden hebben het woord gevoerd.

Uitspraak is bepaald op heden.

2.  De feiten

De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde feiten en omstandigheden:

  1. Klaagster is de weduwe van de heer [naam erflater], overleden op 6 juni 2013 (hierna: erflater).
  2. De zoon van erflater, [naam zoon] is bij testament van erflater van 12 april 2013 benoemd tot executeur.
  3. De kinderen van erflater zijn de enige erfgenamen.
  4. Klaagster is een van de legatarissen in de nalatenschap van erflater. In het testament heeft erflater aan haar de volgende zaken gelegateerd:

            1.     het recht van vruchtgebruik van de woning te [plaats];

            2.     het recht van vruchtgebruik van het onverdeelde aandeel (50%) van erflater van het chalet [naam chalet].

            Verder heeft erflater een aantal bedragen gelegateerd aan zijn kleindochter, zijn twee stiefkleinkinderen en aan een van zijn dochters.

  1. De notaris heeft zich op 21 juni 2013 als betrokken notaris laten inschrijven in het boedelregister.
  2. In een schriftelijke verklaring van 26 juli 2013 heeft [de zoon van erflater] afstand gedaan van zijn functie als executeur, onder gelijktijdige benoeming van de notaris als executeur, en heeft hij de notaris aangewezen als vereffenaar van de nalatenschap.
  3. De erfgenamen hebben de nalatenschap van erflater op 5 september 2013 beneficiair aanvaard.
  4. Op 10 september 2013 heeft [naam andere notaris], notaris te [vestigingsplaats], een verklaring van erfrecht afgegeven. Daarin staat onder meer dat de erfgenamen de notaris hebben aangewezen om namens hen als vereffenaar op te treden en dat zij hem het beheer over de goederen van de nalatenschap hebben gegeven.
  5. Bij verzoekschrift van 23 december 2013, aangevuld op 13 maart 2014, heeft de notaris de rechtbank Noord-Holland verzocht hem te ontslaan als executeur/vereffenaar, stellende dat hij niet in staat was om zijn vereffeningswerkzaamheden uit te voeren omdat klaagster niet wenste mee te werken aan de verkoop van het chalet in [naam land], terwijl die verkoop noodzakelijk was om de schulden van de nalatenschap te voldoen.
  6. Bij beschikking van 23 mei 2014 heeft de rechtbank Noord-Holland het verzoek van de notaris afgewezen, als volgt overwegend: “Voor wat betreft het verzoek tot ontslag als executeur geldt dat op grond van het testament [de zoon van erflater] tot executeur was aangewezen die de benoeming niet heeft aanvaard. Derhalve is de notaris nooit executeur geweest en kan van ontslag als zodanig geen sprake zijn. De kantonrechter stelt verder vast dat de erfgenamen verplicht zijn om de nalatenschap van erflater te vereffenen volgens de wet. Dat de erfgenamen vervolgens bevoegdheden hebben overgedragen aan de notaris en hem instructies hebben gegeven de vereffening van hen over te nemen doet hieraan niet af. Als vereffenaar treden op de erfgenamen of de door de rechtbank benoemde vereffenaar, hetgeen de notaris in dit geval niet is. Dit betekent dat het niet aan de kantonrechter is om de notaris te ontslaan uit de door hem gestelde functie van vereffenaar. Het is aan de notaris zelf om zijn opdracht te laten wijzigen, terug te geven of te beëindigen indien hij met zijn werkzaamheden niet verder kan. Naar het oordeel van de kantonrechter, staat, gelet op de aard van de opdracht van de erfgenamen aan de notaris, zijn uit de Wet op het notarisambt voortvloeiende ministerieplicht hieraan niet in de weg. (…) De aangewezen weg is dat de erfgenamen bij de rechtbank een verzoek tot benoeming van een vereffenaar indienen en de opdracht aan de notaris beëindigen. De door de rechtbank aan te wijzen vereffenaar kan vervolgens tot voldoening van de schulden en uitkering van de legaten overgaan (..) waarna het overschot aan de erfgenamen ter beschikking kan worden gesteld.”
  7. In overleg met de erfgenamen is de notaris in december 2013 gestopt met zijn werkzaamheden in de nalatenschap van erflater.

3.  De klacht

3.1 Klaagster verwijt de notaris dat hij:

  1. onnodig en overbodig een verzoek bij de rechtbank Noord-Holland heeft ingediend;
  2. een onvolledige boedelbeschrijving heeft opgesteld;
  3. jegens klaagster onbehoorlijk heeft gehandeld door haar te dwingen het chalet en het woonhuis te verkopen;
  4. exorbitant heeft gedeclareerd ten nadele van de boedel tegen een tarief van een executeur, terwijl hij dat niet was;
  5. de legatarissen niet tijdig op de hoogte heeft gesteld van het hun toegekende legaat.

3.2 Klaagster wenst van de notaris een tegemoetkoming te ontvangen voor de door haar betaalde advocaatkosten (€ 6.000,-) voor de verzoekschriftprocedure bij de rechtbank Noord-Holland.

4.  Het verweer

4.1 De notaris meent dat klaagster niet-ontvankelijk is in haar klacht, omdat zij, legataris en geen erfgenaam zijnde, geen belanghebbende is.

Voorts is volgens de notaris het klachtonderdeel met betrekking tot zijn declaratie niet-ontvankelijk, aangezien de kamer niet bevoegd is om over declaratiegeschillen te oordelen.

Ook is klaagster niet-ontvankelijk in haar klacht tot vergoeding van advocaatkosten, aangezien de kamer daartoe niet bevoegd is.

4.2 De notaris heeft het volgende inhoudelijke verweer gevoerd.

Ad 1: Klaagster is door de rechter opgeroepen voor de behandeling van het verzoek van de notaris, niet door de notaris zelf. Bovendien was het haar eigen keuze om een advocaat in te de arm te nemen.

Ad 2: De door klaagster overgelegde boedelbeschrijving is niet door de notaris opgesteld. De notaris heeft een andere, voorlopige, boedelbeschrijving met PM posten opgesteld.

Ad 3: De notaris heeft klaagster uitsluitend geadviseerd om het chalet te verkopen.

Tijdens een bespreking op 24 oktober 2013 heeft de notaris klaagster duidelijk gemaakt dat zij niet gedwongen kan worden haar eigen aandeel te verkopen in het woonhuis en het chalet. Het was de bedoeling van erflater dat het chalet zou worden verkocht om de schulden te kunnen betalen. Klaagster was daarvan op de hoogte.

Ad 4: Van belang is dat de declaratie ten laste van de erfgenamen komt en niet van klaagster, zodat zij geen belanghebbende is.

Ad 5: Het was destijds onduidelijk of de geldlegaten wel konden worden uitbetaald.

De notaris wilde daarom eerst een deugdelijke boedelbeschrijving opstellen. Het kunnen uitkeren van de legaten binnen de in het testament genoemde termijn van zes maanden (en binnen een redelijke termijn daarna) was overigens mede onhaalbaar door de opstelling van klaagster.

4.3 De notaris is overigens van mening dat de beschikking van de rechtbank Noord-Holland juridisch niet correct is: hij is immers door [de zoon van erflater] benoemd als executeur op 26 juli 2013. Van dit feit heeft de notaris klaagster in een e-mailbericht (van 18 juli 2013) op de hoogte gesteld.

5.  De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wna gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van diegenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient te beoordelen of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van voornoemd artikel oplevert.

5.2 Een klacht over het handelen of nalaten van een notaris kan, zo blijkt uit artikel 99 lid 1 Wna, “door een ieder met enig redelijk belang” bij de kamer voor het notariaat worden ingediend. De Memorie van Toelichting op artikel 99 lid 1 Wna (TK, vergaderjaar 2009-2010, 32 250, nr. 3, p. 26-27) meldt daarover het volgende: “In de voorgestelde herziene tekst van het eerste lid wordt geëxpliciteerd dat de kring van degenen die een tuchtrechtelijke klacht kunnen indienen bestaat uit een ieder die enig redelijk belang heeft bij de indiening van een klacht. Dit belang kan volgen uit betrokkenheid bij een specifieke zaak of bestaan uit een belang bij de handhaving van de beroepsnormen en –regels voor het notariaat. Naast de cliënt van de notaris, de KNB en het Bureau kan hierbij, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, worden gedacht aan belangenorganisaties, het openbaar ministerie en instanties die zijn belast met het taken die raken aan werkzaamheden van de notaris, zoals gemeenten, de belastingdienst of het kadaster. Er geldt dan ook een ruim belanghebbendenbegrip: een rechtstreeks belang bij de klacht is niet zonder meer vereist, ook een indirect of afgeleid belang van de klager kan grond zijn voor ontvankelijkheid. Hiermee is een ruime toegang tot de tuchtrechtelijke klachtprocedure beoogd; ter ondersteuning van de corrigerende functie van het tuchtrecht en het zelfreinigend vermogen van de beroepsgroep.”

  5.3 De kamer is van oordeel dat klaagster “enig redelijk belang” ontbeert ten aanzien van de klachtonderdelen hiervoor in 3.1 onder 2, 4 en 5 vermeld, zodat zij in die klachtonderdelen niet door de kamer kan worden ontvangen.

Gelet op het feit dat klaagster geen erfgenaam is, heeft zij immers geen belang bij een uitspraak over de boedelbeschrijving van de nalatenschap van erflater. Hetzelfde geldt ten aanzien van de declaratie van de notaris, die ten laste komt van de erfgenamen en dus niet van klaagster. Ook heeft klaagster geen belang bij een klacht over de uitkering van een legaat aan andere legatarissen dan zijzelf.

5.4 Het is de notaris niet te verwijten dat de rechtbank Noord-Holland klaagster heeft opgeroepen voor haar zitting. Bovendien staat het, gegeven de verklaring van [de zoon van erflater] genoemd onder 2 f , niet vast dat indiening van het verzoek van de notaris bij de rechtbank onnodig of overbodig was. Dat klachtonderdeel (3.1 onder 1 ) zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.5 Nog daargelaten dat het de eigen keuze van klaagster was om voor de procedure bij de rechtbank Noord-Holland een advocaat in te schakelen, is de kamer niet bevoegd te bepalen dat de door haar gemaakte advocaatkosten door de notaris dienen te worden vergoed, zodat klaagster in het klachtonderdeel genoemd onder 3.2 hiervoor niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

5.6 Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, zowel schriftelijk door de secretaris als ter zitting door de kamer, heeft klaagster het klachtonderdeel dat zij door de notaris onder druk zou zijn gezet om het chalet in [naam land] en het woonhuis te verkopen onvoldoende onderbouwd. Ter zitting heeft de notaris weersproken dat hij klaagster onder druk zou hebben gezet. Hij zou haar slechts nadrukkelijk hebben gewezen op de consequenties, indien zij niet tot verkoop zou overgaan. Ter zitting heeft klaagster verklaard die druk wel zo gevoeld te hebben. Nu concrete aanwijzingen daarvoor ontbreken, zal ook dit klachtonderdeel (3.1 onder 3) ongegrond worden verklaard.

5.7 Dat leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De kamer voor het notariaat:

-        verklaart klaagster niet-ontvankelijk voor wat betreft de klachtonderdelen, in de punten 2, 4 en 5 van 3.1 genoemd, alsmede voor wat betreft het klachtonderdeel genoemd onder 3.2;

-        verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter,

M.V. Ulrici, A.M.J.M. Ploumen, E.H. Huisman en P.J. van Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.B.T. Kienhuis, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op

5 februari 2015.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden

kennisgeving.