ECLI:NL:TNORAMS:2015:26 Kamer voor het notariaat Amsterdam 582827 NT/15-15 OJ

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2015:26
Datum uitspraak: 27-08-2015
Datum publicatie: 07-10-2015
Zaaknummer(s): 582827 NT/15-15 OJ
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen:
  • Klacht niet-ontvankelijk
  • Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:  5.4 In klacht 2 verwijt klager de notaris dat hij continu de waarheid heeft verdraaid en zich niet betrouwbaar heeft opgesteld jegens klager. Ter zitting heeft klager dit klachtonderdeel toegelicht door te verwijzen naar de brief van de notaris van 5 maart 2012 aan mr. Abma voornoemd, waarin de notaris de waarheid heeft verdraaid door te schrijven dat de aandelen in de BV aan [A] waren verkocht, terwijl zij in feite aan haar waren toegedeeld, aldus klager. De notaris heeft ter zitting daartegen ingebracht dat deze feiten klager reeds eerder bekend waren en heeft daartoe verwezen naar de eerder gevoerde correspondentie over genoemde toedeling, waarvan klager telkens kopieën heeft ontvangen. Nu klager reeds op 18 mei 2008 wist dat de aandelen in de BV aan [A] zijn toegedeeld, is ook dit klachtonderdeel naar het oordeel van de kamer verjaard en komt de kamer niet toe aan verdere beoordeling. Voor zover klager voorts met dit klachtonderdeel doelt op de processuele houding van de notaris in de civielrechtelijke procedure voor de rechtbank Haarlem in 2012 met betrekking tot de toedeling van de aandelen van de BV aan [A], is dit klachtonderdeel naar het oordeel van de kamer onvoldoende gespecificeerd en derhalve onvoldoende onderbouwd.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 27 augustus 2015 in de klacht met nummer 582827 NT/15-15 OJ van:

[klager],

wonende te [woonplaats],

klager,

tegen:

[de notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

de notaris,

raadsvrouwe: mr. N.E.N. de Louwere te Waalre.

  1. Het verloop van de procedure

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

-        Klaagschrift van 9 februari 2015, ingekomen op 23 februari 2015;

-        brief van klager met bijlagen, ingekomen op 4 maart 2015;

-        brief van klager met bijlage van 20 april 2015, ingekomen op 21 april 2015;

-        verweerschrift van 30 april 2015.

Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 25 juni 2015 zijn klager, de notaris en zijn raadsvrouwe verschenen.

De notaris heeft zich ten aanzien van de klachtonderdelen 1, 3 tot en met 5, 7 tot en met 12 en 14 beroepen op de verjaringstermijn van artikel 99 lid 15 Wna. Nadat de raadsvrouwe het standpunt van de notaris ten aanzien van de verjaring van deze klachtonderdelen had toegelicht en klager daarop had gereageerd, heeft de voorzitter de behandeling geschorst. Na raadkameroverleg is de behandeling voortgezet en hebben partijen het woord gevoerd. Uitspraak is bepaald op heden.

  1. De feiten

De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde feiten en omstandigheden:

  1. De vader van klager (hierna: erflater) is op 15 oktober 2007 te [woonplaats] overleden. Klager is tezamen met zijn zusters [voornaam] (hierna: A) en [voornaam] (hierna: B) [achternaam] als enige erfgenamen benoemd. Tot executeur is benoemd de heer [naam] (hierna: de executeur), te [woonplaats].
  2. Tot de nalatenschap behoren: de woning aan [adres 1] te [woonplaats], het perceel [adres 2] [woonplaats], 100% aandelen [naam] B.V. (hierna: de “BV”), alsmede bankrekeningen en schulden (onder andere in rekening-courant). Het saldo van de nalatenschap bedraagt € 1.382.964,43 (volgens opgave ontwerp voorlopig overzicht d.d. 29 augustus 2008). 
  3. Op 29 november 2007 heeft klager aan de notaris geschreven, voor zover van belang: “Naar aanleiding van ons telefonisch onderhoud heb ik bijgevoegd mijn voorstel voor de overname en de verslagen van onze bespreking. (..) Ik wil de vergadering bij u omdat het mijn inziens het geheel de verkeerde kant op gaat. (..) Ik heb een serieuze overname bod gedaan. Met dit bod zijn we in een keer uit de problemen. Echter na veel aandringen krijg ik een datum door. Dit is 12 december. Daarnaast heb ik diverse belangrijke vragen gesteld waarvan ik tot op heden geen antwoord heb verkregen. Dit o.a. over loonbelasting, btw, vraagprijs woning . schoonmaken woning etc. (..) Het is niet in het belang van het bedrijf om de voorraden uit te delen. Hiermee lossen we niet het probleem op. Wel is het noodzakelijk dat er geen verdere kosten gemaakt wordt en er een duidelijk overzicht komt, zodat we een gedegen plan van aanpak kunnen maken om het bedrijf draaiende te houden en verdere beslagleggingen kunnen verkopen. (..) Waar ik ook ontevreden over ben s het feit dat [A] nu geld uit de zaak ontrekt om haar achterstallige salaris in te lopen. (..)”
  4. Op 17 december 2007 heeft [naam], (toenmalige) gemachtigde en adviseur van klager, een voorstel aan de erfgenamen en aan de notaris gestuurd, waarin is vermeld, voor zover van belang: “(..) Vanwege de problematiek rondom de communicatie tussen enkele betrokken partijen, de executeur testamentair en de betrokken notaris is de wens geuit om een gezamenlijke marsroute te bepalen ten aanzien van de afwikkeling van zaken. (..) Op dit moment is in het eerste gesprek met de notaris gekozen voor het doorlopen van het bedrijf hetgeen door [de executeur] uitgeoefend wordt, conform afspraken gemaakt op 25 Oktober 2007. (..) Indien door de executeur testamentair niet wordt ingegaan op het voorstel voor implementatie van de afhandeling of enig ander duidelijk stappenplan of financieel plan en de communicatie en afspraken niet verbeterd zal [executeur] overgaan tot het opstarten van de ontheffing van de executeur testamentair uit zijn functie. Immers een executeur testamentair heeft doorgaans drie maanden de tijd om de gegevens en waarderingen boven tafel te halen en het implementatie voorstel is erop gericht om deze tijdspanne te halen. (..)”
  5. Op 15 februari 2008 heeft klager aan de notaris geschreven, voor zover van belang : “Hierbij geef ik u mijn formele aanbieding voor de bedrijven [de BV] en [de Handelsonderneming]. De aanbieding is gebaseerd op de vastgestelde financiële cijfers over de jaren 2004 tot en met 2006 van beide ondernemingen en de conceptcijfers van beide ondernemingen voor het jaar 2007. In de vaste activa van de ondernemingen is vastgoed inbegrepen aan [adres 3] en [adres 4] te [woonplaats], het perceel [adres 5] in [woonplaats], [adres 2] in [woonplaats] en een prive pand in [woonplaats]. (..) Uitgangspunt bij de vaststelling van de vermogenswaarde zijn de taxaties van de percelen zoals deze zijn overhandigd door in de laatste bespreking van 29 januari jl. (..) Op basis van de veronderstellingen en na een evaluatie van de financiële cijfers in een afzonderlijke business case is vastgesteld dat de geconsolideerde vermogenswaarde per 31 December 2007 van genoemde ondernemingen € 1.560.000 bedraagt. Mijn aanbieding aan mijn beide andere erfgenamen is een bod van € 1.040.000 in ruil voor de beide ondernemingen en terugbetaling van de aan de onderneming verstrekte leningen. (..)” 
  6. Op 15 februari 2008 heeft de notaris aan de erfgenamen geschreven, voor zover van belang: “Ik heb hedenmiddag ontvangen: * (afgegeven aan de deur) het bod van [A]; * (per e-mail) het bod van [klager]; betreffende de overname van de aandelen van [de BV]. Deze biedingen zend ik u bijgaand ter beoordeling. Voorts bevestig ik de volgende gezamenlijke bespreking bij mij op kantoor voor dinsdag 19 februari 2008 om 10.00 uur. Ik heb in de vorige vergadering begrepen dat iedere betrokkene dan aanwezig (of vertegenwoordigd) zal zijn. De punten die in ieder geval besproken gaan worden, zijn: * beoordeling of zal worden ingegaan op een bod voor wat betreft de aandelen [de BV]; * definitieve vaststelling waarde van pand [adres 2] te [woonplaats] en definitief bod van [A] op dit pand; definitieve keuze van [B] of zij het pand in [woonplaats] wel of niet wil kopen.”
  7. Op 29 april 2008 is ten kantore van de notaris de akte van toedeling gepasseerd waarbij de aandelen in de B.V. aan [A] zijn toegedeeld.
  8. Op 18 mei 2008 heeft [B] de notaris geschreven, voor zover van belang: “Ik ben ervan uit gegaan dat met het bod gedaan door [A] op 15 februari j.l. van 1.800.000,- de openstaande posten(over en weer) vereffend zouden zijn. Dat de pensioenvoorziening/stamrecht van mijn vader toekomt aan de koper ([naam]) maar ook de schulden voorzover die zouden bestaan en welke overigens door mij worden betwist, dat die met het bod en de aankoop vereffend zouden zijn.(zie ook de aanbieding) Nb de koper ([A]) was door middel van haar positie in het bedrijf van alle ins/outs van de BV op de hoogte en ook van  de gemaakte afspraken inzake de vereffening. Rest nog de verdeling en overdracht van het pand aan [adres 2], graag verneem ik op welk termijn dat verwacht wordt. En tenslotte de verkoop en verdeling van het woonhuis in [woonplaats].“
  9. Op 16 juni 2008 heeft de notaris de erfgenamen geschreven : “Bijgaand ter informatie/beoordeling het ontwerp van de akte van verdeling, betreffende de toedeling aan [A] van het pand aan [adres 2] te [woonplaats]. Zoals reeds eerder (bij mijn e-mail d.d. 13-juni 2008) aan u is gemeld, is met [A] de afspraak gemaakt dat de akte van verdeling bij mij op kantoor getekend zal worden op maandag 23 juni 2008 om 9.00 uur. Inmiddels heb ik van zowel [B] als [klager] de bevestiging ontvangen dat zij beiden bij volmacht aanwezig zijn. (..) [De executeur] heeft ook aangegeven dat hij in persoon aanwezig zal zijn.”
  10. Op 23 juni 2008 heeft de notaris de akte van toedeling gepasseerd, waarbij aan [A] het pand aan [adres 2] te [woonplaats] is toegedeeld. 
  11. Op 30 juli 2008 heeft de notaris aan de erfgenamen geschreven, voor zover van belang : “(..) 1. afwikkeling verkoop woning [adres 1] [woonplaats]: (..) Bij deze verzoek ik u om schriftelijke bevestiging dat ik de nota van Groot Containers uit de bij mij aanwezige boedelgelden mag overmaken naar de kopers. 2. successie-aangifte: (..) Vanwege het feit dat ik thans nog een aantal gegevens mis (zie hiervoor ook punt 3 hierna), is uitstel voor het doen van aangifte gevraagd. Dit uitstel is verleend tot 1 oktober 2008 (..) Met het gevraagde uitstel wordt door de Belastingdienst vervolgens meteen ook een voorlopige aanslag opgelegd. (..) Bij deze verzoek ik u om schriftelijke bevestiging dat ik de voorlopige successie-aanslag uit de bij mij aanwezige boedelgelden mag overmaken. 3. aangifte Inkomstenbelasting: (..) Bij deze verzoek ik u om schriftelijke bevestiging dat ik de voorlopige aanslag Inkomstenbelasting 2006 uit de bij mij aanwezige boedelgelden mag overmaken. (..) Tevens zult u door Vanderlaan Groep op korte termijn doen opmaken de slotaangifte Inkomstenbelasting 2007. (..) In deze slotaangifte zal ook melding moeten worden gemaakt van de verkoop door de erfgenamen van het 100%-aandelenpakket in “[de BV]”, zodat vervolgens nog afrekening in de Inkomstenbelasting moet plaatsvinden van het geheel vervreemden van dit aanmerkelijk-belang-aandelenpakket. Zoals reeds eerder door de accountant van [naam] (summier) is voorgerekend, betreft deze afrekening toch een aanzienlijk bedrag aan belasting. (..)” 
  12. Op 29 augustus 2008 heeft de notaris een voorlopige ontwerp opstelling eindafrekening betreffende de nalatenschap van erflater aan de erfgenamen toegezonden.
  13. Op 18 september 2008 heeft de financieel en juridisch adviseur van klager en [B], [naam], aan de notaris geschreven voor zover van belang: ”(..) Uit besprekingen die wij gevoerd hebben met genoemde erfgenamen komt duidelijk naar voren dat er sprake is van informatie achterstand ten aanzien van de financiële stand van zaken van de beide ondernemingen van [erflater], zijnde [de BV] en [de Handelsonderneming] en dat er gezien de concept eindafrekening financiële besluiten zijn genomen die niet gezamenlijk zijn besproken en besloten en die zouden kunnen leiden tot een nadelige fiscale afrekening voor de erfgenamen. Het is evident om een afhandeling van een nalatenschap in gezamenlijk overleg te laten plaatsvinden om zodoende voor alle partijen een fiscaal vriendelijke weg te vinden. Ik stel vast dat dit niet gebeurd is. Daarnaast stellen wij vast dat de voorlopige ontwerp opstelling eindafrekening betreffende nalatenschap van [erflater] Nog niet voor alle partijen duidelijk is. (..) Graag ontvangen wij binnen 14 dagen een schriftelijke reactie vanuit uw kant.”
  14. Op 10 december 2008 heeft de (toenmalige) raadsman van klager, mr. B.J. Mekkelholt (hierna: Mekkelholt), te Alkmaar, de executeur schriftelijk medegedeeld dat klager en [B] zich tot hem hebben gewend met verzoek om nadere informatie terzake de afwikkeling van de nalatenschap. 
  15. Op 24 december 2008 heeft de notaris op het schrijven van Mekkelholt als volgt gereageerd, voor zover van belang: “(..) tot op heden voorafgaand aan alle transacties er overleg is geweest met alle erfgenamen en de executeur (hetzij telefonisch, per brief of per e-mail), waarbij tevens voorafgaand ontwerpen van de betreffende akte(n) zijn toegezonden. Daarnaast zijn alle tot op heden getekende akten in persoon door alle erfgenamen en de executeur getekend (na voorafgaande behandeling/bespreking), behoudens de overdracht van de woning aan [adres 1] te [woonplaats] (alle erfgenamen en de executeur waren op moment van levering op vakantie en hebben voorafgaand een volmacht afgegeven). (..) Voor wat betreft [adres 2] is een dag na de overdracht aan ieder van de beide andere deelgenoten ([klager] en [B]) hun aandeel in de waarde overgemaakt. De netto-opbrengst van het perceel [adres 1] (€ 171.572,32) is in opdracht van de executeur op een derdengeldenrekening van mij gestort als depot voor de op dat moment te verwachten (nog te betalen) inkomstenbelasting en successierechten. 2. Voor wat betreft de overdracht van de aandelen in “[de BV]” (toedeling aan [A]) is het aandeel van zowel [klager] als [B] uitbetaald met (in opdracht van de executeur) inhouding voor ieder van hen van een bedrag groot € 200.000,00. Het totaal ingehouden bedrag van € 400.000,-- is eveneens op de derdengeldenrekening van mij gestort als depot voor de op dat moment te verwachten (nog te betalen) inkomstenbelasting en successierechten. Ook door [A] is een bedrag groot € 200.000,00 voldaan door verrekening met de door erflater te betalen rekeningcourant in “[de BV]” Voor de goede orde moet ik opmerken dat het thans nog niet geheel duidelijk is of het in depot gehouden totaalbedrag uiteindelijk toereikend zal zijn ter betaling van de te verwachten belastingaanslagen en (eventuele) andere kosten. De executeur zal deze in depot gehouden gelden nodig hebben om daarmee (conform de bepalingen van het testament van erflater) de schulden van de nalatenschap te (kunnen) voldoen, zodat uitbetaling aan de erfgenamen niet kan plaatsvinden. 3. Opstelling eindafrekening: Bijgaand zend ik u een bijgewerkt financieel overzicht aan de hand van de thans bij mij bekende financiële gegevens. 4. Post inkomstenbelasting 2007. Deze post is berekend (rekening houdende met afrekening in verband met verkoop “aanmerkelijk belang”-aandelen) door [naam] van Smit en de Wolf belastingadviseurs te Den Haag op € 441.500,00 en door Vanderlaangroep Accountants op € 436.270,00. Deze afrekening heeft niet(s) te maken met het inkomen in enig jaar, maar met de “winst” die (fiscaal) op de verkoop van dit soort aandelen wordt geacht te zijn gemaakt. De totaal verschuldigde inkomstenbelasting zal in de successie-aangifte als schuld kunnen worden opgenomen. Tevens zend ik u een kopie van mijn brief aan Van Elck Groep te Alkmaar in reactie op de brief d.d. 18 september 2008.  Om binnen afzienbare termijn tot een definitieve afwikkeling van de nalatenschap van erflater te komen, lijkt het mij zeer gewenst om een afspraak te maken voor een gezamenlijke bijeenkomst die ertoe zou kunnen leiden de vertroebelde relatie tussen de deelgenoten en executeur kan worden hersteld. (..)”
  16. Tevens heeft de notaris op 24 december 2008 [naam] geschreven: “Betreffende de nalatenschap van [erflater] zend ik u een tweede ontwerp opstelling eindafrekening. Met dit ontwerp zijn ook een aantal door u gestelde vragen beantwoord. (..) Vraag 4: Is door de derde erfgename ([A]) ook een depot gestort. Antwoord: Ook door [A] is een bedrag ad € 200.000,00 voldaan door verrekening met de door erflater te betalen rekeningcourant in “[de BV]” (zie vragen 2 en 6). Vraag 5: Afrekening bedrag € 160.000,00 antwoord: [C] heeft in eerste instantie € 10.000,00 direct ter beschikking gesteld aan de executeur ter betaling van lopende schulden (vooral de openstaande rekening(en) bij Vanderlaangroep). In tweede instantie heeft [C] een bedrag ad € 150.000,00 geleend aan de erfgenamen. Deze totale lening ad € 160.000,00 is geconstateerd bij de hiervoor (onder vraag 3) genoemde hypothecaire geldlening. Deze geldlening is op 14 mei 2008 weer terugbetaald/afgelost aan [C]. Voor de goede orde moet ik opmerken dat volgens de mij bekende gegevens tot op heden geen rente is vergoed aan [C] voor de door hem uitgeleende bedragen. (..)”
  17. Op 2 februari 2009 heeft Mekkelholt de notaris geschreven, met nogmaals een verzoek tot nadere informatie met de woorden, voor zover van belang: “(..)  Uit uw brief maken cliënten op dat u hebt getracht om hen zo veel mogelijk te informeren, doch dit doet aan het gestelde gevoel niet af. Een en ander ligt wellicht ook niet zozeer bij u, als wel bij de executeur, [naam]. (..) Hoewel uit het voorgaande blijkt dat er bij cliënten ook op dit moment nog een geruim aantal vragen leven, staan zij niet afwijzend tegen het door u gedane voorstel om een gezamenlijke bijeenkomst te laten plaatsvinden..(..)”
  18. Op 25 februari 2009 heeft de notaris Mekkelholt bericht: “ (..) Het besluit om de aandelen aan [A] te verkopen is volgens de mij bekende gegevens het (aanzienlijk) verschil in de biedingen door [klager] en [A]. De aandelen zijn derhalve aan de hoogste bieder overgedragen. (..) [Erflater] had ten tijde van zijn overlijden een (aanzienlijke) rekening-courantschuld bij “[de BV]. (..) Zoals ook in mijn brief van 24 december 2008 aan u is gemeld, is tussen de executeur en [A] overeengekomen dat [A] het door haar te deponeren bedrag ad € 200.000,-- zou voldoen door het overnemen van een gedeelte groot € 200.000,-- van gemelde rekening-courantschuld. Deze overname was ook het meest logisch, omdat [A] op dat moment inmiddels de enig aandeelhouder van gemelde BV was geworden. (..)“
  19.   Op 23 april 2009 heeft Mekkelholt daarop geantwoord: “(..) Duidelijk is dat cliënten voor wat betreft de fiscale afwikkeling ter zake de overgang van de aandelen aan zus [A] voor een voldongen feit zijn gesteld. (..) In dit kader is door cliënten op basis van de eerder door u aangeleverde informatie en/of documentatie een overzicht opgemaakt waaruit blijkt welk bedrag hen nog toekomt, waarbij moet worden opgemerkt dat hierbij geen rekening is gehouden met de successierechten die nog moeten worden afgedragen. Het overzicht is als bijlage bij deze brief gevoegd. Cliënten zijn bereid om op basis van het door hen opgestelde overzicht tot afwikkeling van de nalatenschap over te gaan. Daarbij geldt dat cliënten dan bereid zijn af te zien van controle op de overzichten zoals door u opgesteld. (..) Er van uitgaande dat op basis van het door cliënten opgestelde overzicht tot afwikkeling van de nalatenschap kan worden overgegaan, zullen cliënten niet langer ingaan op de vraag of toewijzing van de aandelen aan zus [A] op goede gronden heeft plaatsgevonden. Evenmin zullen cliënten dan nog ingaan op de (verdere) wijze waarop de afwikkeling van de nalatenschap van hun vader heeft plaatsgevonden.”
  20. Op 15 september 2009 heeft Mekkelholt de notaris bericht: “(..) Met de voorlopige staat van bezittingen en schulden zoals door u opgesteld, kunnen cliënten zich niet verenigen en/of roept vragen op. Een belangrijk punt is en blijft de overname van de aandelen door zus [A] en de daaropvolgende verrekening van de rekening-courantverhouding. (..) Uitgaande van het voorgaande handhaven cliënten het standpunt dat in de voorlopige staat van bezittingen en schulden geen rekening mag worden gehouden met de rekening-courantverhouding die tussen [erflater] en [de BV] bestond. Ik wil u namens cliënten verzoeken de voorlopige staat van bezittingen en schulden op dit punt aan te passen. (..) Een ander verzoek van cliënten betreft de derdenrekening. Specifiek betreft het hierbij dan het saldo op de derdenrekening en de wijze waarop dit tot stand is gekomen. Volgens de staat van baten en lasten zoals gevoegd bij uw brief van 24 december 2008 was er per 26 augustus 2008 nog sprake van een saldo van € 397.663,57. Volgens de staat van baten en lasten zoals gevoegd bij uw brief van 6 mei jl. is er nog “slechts” een bedrag van € 198.687,12. (..)"
  21. De executeur heeft op 24 februari 2010 de aangifte inkomstenbelasting 2007 bij de Belastingdienst ingediend.
  22. De notaris heeft in maart 2010 de aangifte erfbelasting bij de Belastingdienst ingediend.
  23. Op 29 september 2011 heeft de (opvolgend) raadsman van klager, mr. Abma te Purmerend, aan de notaris geschreven, voor zover van belang: “In het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater] zijn er een groot aantal vragen gerezen, die door u zouden moeten worden beantwoord. Blijft een behoorlijke en gedocumenteerde beantwoording achterwege, dan heb ik opdracht om u aansprakelijk te stellen voor de schade die cliënten als gevolg van uw tekortkoming in de behandeling en afwikkeling van de nalatenschap van hun vader hebben geleden, althans de schade die het gevolg is van het verzaken van uw zorgplicht jegens mijn cliënten als mede-erfgenamen. (..)"
  24. Op 5 maart 2012 heeft de notaris daarop geantwoord, voor zover van belang: “ Verkoop aandelen [de BV]: (..) De uiteindelijke verkoop van de aandelen aan [A] is gebaseerd op een gezamenlijk besluit van de erfgenamen (allen steeds in persoon aanwezig). Er bestond voor de executeur geen reden om van dit gezamenlijke besluit af te wijken. Ook aan de uitvoering (levering van de aandelen) van dit gezamenlijke besluit is door de erfgenamen in persoon (dus geen volmacht) medewerking verleend (bij gemelde akte d.d. 29 april 2008). Afrekenen Inkomstenbelasting 2007: Omdat er sprake is geweest van verkoop van de aandelen door de gezamenlijke erfgenamen en dus van een fictieve vervreemding op grond van het bepaalde in artikel 4.16 lid 1 sub e Wet Inkomstenbelasting 2001 (versie 2007), was het noodzakelijk voor de erfgenamen om af te rekenen in de IB-sfeer en is in de aangifte Inkomstenbelasting 2007 aangifte gedaan van een voordeel in box 2. Dit leverde het voordeel op dat de IB-belastingschuld vervolgens in mindering kon worden gebracht op de nalatenschap, waardoor besparing van successierechten voor alle erfgenamen plaatsvond. (..) Bij de e-mail d.d. 29 augustus 2008 is aan de erfgenamen en de executeur als bijlage meegezonden het (voorlopig) ontwerp opstelling eindafrekening (per 26 augustus 2008) van de baten en schulden met alle mutaties. In dit (voorlopig) overzicht wordt (onder meer) bij de schulden opgevoerd: “Inkomstenbelasting 2007 (geschat) € 441.500,00” welke berekening is gebaseerd op de door Smit en de Wolf opgestelde “pro forma berekening successierechten” te weten: afrekening over de ab-aandelen ( € 1.800.000,00 -/- € 34.033,-- x 25%). (..) Bij mijn e-mail d.d. 6 mei 2009 heb ik aan advocaat Mekkelholt toegezonden de reactie op zijn brief d.d. 23 april 2009 in welke reactie is meegezonden een opgave/berekening van hoe de definitieve successie-aangifte er uit zou zien aan de hand van de op dat moment (28 april 2009) bekende/beschikbare gegevens. ierHiHierbij is (onder meer) voorgerekend dat ieder van de erfgenamen uiteindelijk nog een bedrag zou moeten terugbetalen/bijbetalen teneinde de verschuldigde belastingen te kunnen betalen. Ook in deze berekening is (wederom) uitgegaan van een bedrag van te betalen Inkomstenbelasting 2007 ad € 441.500,--. (..) Bij mijn e-mail d.d 13 oktober 2010 aan alle erfgenamen, hun adviseurs en de executeur heb ik gemeld: * dat er tot op dat moment (13 oktober 2010) op mijn rekening geen (aanvullende) storting door (een van) de erfgenamen is binnengekomen; dat het op dat moment op mijn rekening aanwezige saldo “Nalatenschap [erflater]” ad € 198.027,36 is overgemaakt naar de Belastingdienst ter gedeeltelijke betaling van gemelde aanslag Inkomstenbelasting 2007. (..) Bij mijn e-mail d.d. 1 december 2010 aan alle erfgenamen, hun adviseurs en de executeur heb ik gemeld: * dat er volgens de (als bijlage meegezonden) mededeling va de Belastingdienst nog een bedrag openstond ad € 294.569,-- als te betalen op gemelde aanslag Inkomstenbelasting 2007; (..) heb ik bij mijn e-mail d.d. 4 maart 2011 (toegezonden aan alle erfgenamen, hun adviseurs en de executeur) aangegeven dat de aanwezige boedelgelden reeds op 13 oktober 2010 geheel waren gebruikt voor gedeeltelijke betaling van gemelde aanslag Inkomstenbelasting 2007, zodat er niet meer (boedel)gelden bij mij beschikbaar waren voor verdere betalingen. (..) Voorts geef ik aan dat er al enige tijd door mij geen (tussen)nota’s meer in deze nalatenschap zijn verzonden, terwijl er wel nog een flinke nota openstaat voor tot op dat moment verrichte werkzaamheden. (..) Lening [C] (..) Deze (totale) lening aan de nalatenschap is geconstateerd bij akte d.d. 12 december 2007. Tot meerdere zekerheid voor de terugbetaling van deze lening is ten behoeve van de heer [naam] een hypotheek gevestigd met als onderpand het pand [adres 2]-huis te [woonplaats]. Deze (hypothecaire) lening is weer geheel afgelost op 14 mei 2008 (..) Rekening-courant vordering Zoals hiervoor al is aangegeven, is vrij kort na het overlijden van erflater gebleken dat op het moment van overlijden van erflater, (..) een grote rekening-courantschuld bestond van erflater bij de BV (= [de BV]). (..) Uitgaande van deze (ontwerp)opstelling is per saldo een te verrekenen bedrag berekend ad € 129.030,16, zodat na aftrek van dit bedrag van de oorspronkelijke rekening-courantschuld (ad € 333.447,25) een restant rekening-courantschuld ontstond van € 204.417,09. Dit laatste bedrag is volgens de mij (tot op heden) bekende gegevens nog steeds het uitgangspunt voor de per saldo restant rekening-courantschuld van de Erven bij de BV. (..)”
  25. Op 6 juni 2012 heeft klager tezamen met [B] de notaris gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem. De vorderingen van klager zijn in deze procedure afgewezen. Klager heeft daartegen met succes beroep ingesteld, waarna aan hem en zijn zuster een bedrag van € 340.000,-- is betaald. De notaris heeft tegen dit arrest cassatie ingesteld. Vervolgens heeft een kort geding plaatsgevonden over de uitvoerbaar bij voorraad verklaring, in welk kort geding de gevorderde voorziening is geweigerd.    
  26. Bij arrest van 18 november 2014 heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld, voor zover van belang: ”(..) Bij het tussenarrest heeft het hof vastgesteld dat de notaris bij de afwikkeling van de nalatenschap van [erflater] een fout heeft gemaakt door appellanten niet te wijzen op de mogelijkheid van het doorschuiven in plaats van terstond afrekenen van het verkrijgingsvoordeel van de aandelen in [de BV] (..) Bij de beoordeling van het beroep op eigen schuld gelden de volgende uitgangspunten die ook in het tussenarrest aan de orde zijn gekomen. [B] en [klager] waren het niet eens met de door de executeur opgestelde conceptaangifte die uitging van het afrekenen van de belastingclaim. Zij hebben de executeur en de notaris bij herhaling gevraagd of er mogelijkheden waren van een fiscaal vriendelijker afwikkeling van de nalatenschap. De executeur beschikte over geen enkele relevante ervaring of deskundigheid op juridisch of fiscaal gebied en ging af op de deskundigheid van de notaris en de juistheid van diens adviezen. De notaris heeft zich tegenover [B] en [klager] steeds op het standpunt gesteld dat er geen alternatief was voor afrekenen. Illustratief is de brief van 5 maart 2012 van de notaris aan de advocaat van [B] en [klager] waarin de notaris – naar het lijkt tegen beter weten in – met nadruk schrijft dat de aandelen aan [A] zijn verkocht en dat afrekenen daarom onvermijdelijk is, niettegenstaande de eveneens in die brief gememoreerde – nota bene door hem zelf verleden – akte van verdeling van aandelen van 29 april 2008. Het hof blijkt bij zijn oordeel in het tussenarrest dat [B] en [klager] de notaris – gelet op zijn taak en functie in het rechtsverkeer – mochten beschouwen als de bij uitstek deskundige en onafhankelijke adviseur, zodat zij op de juistheid van zijn adviezen mochten vertrouwen. (..).”
  1. De klacht

Klager heeft een groot aantal klachten ingediend. De voorzitter gaat uit van de klachten zoals die opnieuw of nader zijn geformuleerd in de brief van klager van 4 maart 2015.

  1.  Het verweer

Voor zover noodzakelijk zal het verweer bij de beoordeling worden besproken.

  1. De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wna gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van diegenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient te beoordelen of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van voornoemd artikel oplevert.

5.2 De kamer heeft met betrekking tot de klachtonderdelen 1, 3 tot en met 5, 7 tot en met 12 en 14 het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 99 lid 15 Wna kan een klacht slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12) als volgt verwoord:

“(…) De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. (…)”

Voor de aanvang van de termijn is doorslaggevend wanneer klager kennis heeft genomen van het feitelijk handelen (of nalaten) van de notaris en niet wanneer klager tot de conclusie is gekomen dat dit handelen (of nalaten) onjuist is.

De onderhavige klacht is bij de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam ingediend op 23 februari 2015.

Uit de ingediende processtukken blijkt de kamer het volgende.

Voor zover klager met klachtonderdeel 1 doelt op de toedeling aan [A] van de akte van toedeling van de aandelen in de BV en de akte van toedeling van het pand [adres 2] te [woonplaats], staat vast dat deze aktes zijn gepasseerd op respectievelijk 29 april 2008 en 23 juni 2008. 

Klachtonderdeel 3 betreft het optreden van de notaris in de periode van 21 november 2007 tot 5 maart 2012. 

Klachtonderdeel 4 betreft de lening van € 160.000,--, die [C] op 14 december 2007 aan de boedel heeft verstrekt, en die op 14 mei 2008 aan hem is terugbetaald. Vast staat dat de notaris dit feit heeft vermeld in zijn brief van 24 december 2008 aan [naam], waarvan aan klager op die datum een kopie is verzonden.

Klachtonderdeel 5 betreft de advisering van de notaris bij de bieding van klager van 15 februari 2008.

Klachtonderdeel 7 ziet op de mededeling van de notaris aan klager op of omstreeks 24 december 2008 dat [A] het bedrag van € 200.000,-- heeft voldaan door verrekening met de door de erflater te betalen rekeningcourant in de BV.

Klachtonderdeel 8 ziet op de zelfde feiten als vermeld in klachtonderdeel 4.

Klachtonderdeel 9 ziet op klachtonderdeel 7.

Klachtonderdeel 10 betreft de bieding van klager d.d. 15 februari 2008, alsmede het e-mailbericht van de notaris d.d. 24 december 2008 aan klager waarin hij een ontwerp opstelling eindafrekening per 27 oktober 2008 meestuurt. 

Klachtonderdeel 11 ziet ook op klachtonderdeel 7.

Klachtonderdeel 12 ziet op de aandelen/effectenrekening van erflater die volgens de notaris in 2008 reeds te gelde is gemaakt en op de rekening van de erven is gestort, hetgeen  klager niet heeft betwist.

Klachtonderdeel 14 ziet op klachtonderdeel 10.

Nu de klacht voor wat betreft bovenstaande klachtonderdelen niet eerder dan op

23 februari 2015 is ingediend, is de kamer van oordeel dat de onderdelen van de klacht als vermeld onder 1, 3 voor zover dit betreft de periode van 21 november 2007 tot 23 februari 2008, 4, 5, 7 tot en met 12 en 14 zijn verjaard.

5.3 De notaris heeft met een beroep op artikel 99 lid 15 Wna ter zitting van 25 juni 2015 betoogd dat de (hiervoor onder 5.2 genoemde) klachtonderdelen 1, 3 tot en met 5, 7 tot en met 12 en 14 zijn verjaard. Desgevraagd heeft klager in reactie daarop ter zitting verklaard zulks voor kennisgeving aan te nemen. Vervolgens heeft de voorzitter de behandeling geschorst voor raadkameroverleg.

Na hervatting van de behandeling heeft de voorzitter aan klager en de notaris medegedeeld 

dat uitsluitend de klachtonderdelen 2, 6, 14, en 15 tot en met 18 zullen worden beoordeeld, aangezien de overige klachtonderdelen op grond van artikel 99 lid 15 Wna zijn verjaard, zoals hiervoor onder 5.2 overwogen.

5.4 In klacht 2 verwijt klager de notaris dat hij continu de waarheid heeft verdraaid en zich niet betrouwbaar heeft opgesteld jegens klager.

Ter zitting heeft klager dit klachtonderdeel toegelicht door te verwijzen naar de brief van de notaris van 5 maart 2012 aan mr. Abma voornoemd, waarin de notaris de waarheid heeft verdraaid door te schrijven dat de aandelen in de BV aan [A] waren verkocht, terwijl zij in feite aan haar waren toegedeeld, aldus klager. De notaris heeft ter zitting daartegen ingebracht dat deze feiten klager reeds eerder bekend waren en heeft daartoe verwezen naar de eerder gevoerde correspondentie over genoemde toedeling, waarvan klager telkens kopieën heeft ontvangen.

Nu klager reeds op 18 mei 2008 wist dat de aandelen in de BV aan [A] zijn toegedeeld, is ook dit klachtonderdeel naar het oordeel van de kamer verjaard en komt de kamer niet toe aan verdere beoordeling.

Voor zover klager voorts met dit klachtonderdeel doelt op de processuele houding van de notaris in de civielrechtelijke procedure voor de rechtbank Haarlem in 2012 met betrekking tot de toedeling van de aandelen van de BV aan [A], is dit klachtonderdeel naar het oordeel van de kamer onvoldoende gespecificeerd en derhalve onvoldoende onderbouwd.

5.5 Klager kan ook niet in zijn zesde klachtonderdeel worden ontvangen.

Klager verwijt de notaris dat hij heeft verzuimd een depotovereenkomst op te maken voor de in depot gehouden gelden van de erfgenamen in verband met de (nog) te betalen aanslagen erf- en inkomstenbelasting.

Klager heeft ter zitting toegelicht dat dit klachtonderdeel dient te worden onderscheiden in twee delen: ten eerste had de notaris in 2008 een akte van depot moeten opmaken, hetgeen hij heeft nagelaten. Ten tweede heeft de notaris tussen 2008 en 2010 ontkend dat het depot bestemd was om daaruit de toekomstige aanslagen inkomsten- en erfbelastingen te voldoen.

De notaris heeft in het verweerschrift betoogd dat het inhouden van gelden in depot er niet zonder meer toe leidt dat de notaris een akte van depot moet opmaken. De kamer oordeelt dat aan inhoudelijke beoordeling van de beide delen van dit klachtonderdeel niet kan worden toegekomen nu dit onderdeel ziet op een handelen of nalaten van de notaris daterend vóór 23 februari 2012, en derhalve sprake is van verjaring ex artikel 99 lid 15 Wna.

5.6 Klachtonderdeel 13 betreft de kosten van juridische bijstand die klager en [B] hebben moeten maken om de nodige civielrechtelijke procedures te voeren. “Indien de notaris in 2012 gewoon had toegegeven dat hij een fout had gemaakt, waren mijn zuster en ik nooit naar de rechter gestapt”, aldus klager ter zitting.

De raadsvrouwe van de notaris heeft ter zitting verklaard dat ook in het geval dat de notaris in 2012 zou hebben toegegeven een beroepsfout te hebben gemaakt, dit niet zonder meer meebrengt dat klager geen gerechtelijke procedures was begonnen.  

De kamer oordeelt dat in een klachtprocedure als geregeld in de Wet op het Notarisambt geen schadevergoeding kan worden toegewezen. Dit klachtonderdeel behoeft daarom verder geen bespreking.   

5.7 Ten aanzien van klachtonderdeel 15 heeft klager ter zitting verklaard dat dit onderdeel geen afzonderlijke klacht betreft zodat dit klachtonderdeel geen bespreking behoeft.

5.8 Klachtonderdelen 16, 17 en 18 worden gezamenlijk behandeld en als volgt beoordeeld. Deze onderdelen betreffen – kort samengevat – het verwijt dat de notaris ondanks de uitspraak van het Gerechtshof, op 23 december 2014 een kort geding heeft aangespannen en op 18 februari 2015 cassatieberoep tegen het arrest heeft aangetekend. De kamer overweegt als volgt.

Op 6 juni 2012 heeft klager tezamen met [B] de notaris gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem. De vorderingen van klager en [B] zijn in deze procedure afgewezen. Zij hebben met succes beroep ingesteld, waarna op grond van het door het Hof gewezen arrest aan hem en zijn zuster een bedrag van € 340.000,00 is betaald. De notaris heeft tegen dit arrest cassatie ingesteld. Vervolgens is namens de notaris een kort geding aanhangig gemaakt over de uitvoerbaar bij voorraad verklaring, in welk kort geding de gevorderde voorziening is geweigerd.

De notaris heeft ter zitting toegelicht dat, na het arrest van het Gerechtshof van 18 november 2014 - waarbij de notaris is veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding bestaande uit twee keer het bedrag van € 119.247,00 exclusief rente en overige kosten - een betalingsafspraak tussen de notaris enerzijds en klager en zijn zuster anderzijds is overeengekomen, inhoudende dat de notaris € 200.000,-- aan klager en zijn zuster zou voldoen, en dat de beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar van de notaris voor het resterende bedrag een garantstelling zou afgegeven. Deze verklaring heeft de verzekeraar uiteindelijk echter niet willen verstrekken, reden waarom de notaris genoodzaakt was zich tot de kort gedingrechter te wenden, aldus nog steeds de notaris.

De kamer oordeelt dat hoewel het feitelijk juist is dat de notaris zich niet aan de betalingsafspraak heeft gehouden, het weliswaar in zijn risicosfeer ligt maar het niet aan de notaris kan worden verweten wanneer een derde, in dit geval de beroepsaansprakelijkheids-verzekeraar van de notaris, besluit geen garantstelling af te geven. Dit geldt te meer nu de notaris ter zitting heeft verklaard dat hij op dit gebied slechts een zeer beperkte rol had. Een ieder, dus ook de notaris, heeft het recht zich te verweren in een gerechtelijke procedure. De kamer acht deze klachtonderdelen dan ook ongegrond.

5.9 Voor zover klager heeft bedoeld ook andere onderdelen van de handelwijze van de notaris aan zijn klacht ten grondslag te leggen, is de kamer van oordeel dat hij onvoldoende duidelijk heeft gemaakt welke concrete gedragingen de notaris verder worden verweten. Omdat hij zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, zullen de (mogelijke) overige onderdelen van zijn klacht als kennelijk ongegrond worden afgewezen.

Dat leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De kamer voor het notariaat:

-        verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht tegen de notaris voor zover deze betrekking heeft op de hiervoor weergegeven onderdelen 1 tot en  

         met 12 en 14;

-        verklaart klachtonderdelen 13 en 15 tot en met 18 ongegrond .

Deze beslissing is gegeven door mrs. C.E. van Oosten-van Smaalen, voorzitter, E.R.S.M. Marres, J.D.M. Schoonbrood, Th. W. van Grafhorst en N.T. Vink, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2015.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden kennisgeving.