ECLI:NL:TNORAMS:2015:21 Kamer voor het notariaat Amsterdam 575489/NT14-64SP
| ECLI: | ECLI:NL:TNORAMS:2015:21 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-06-2015 |
| Datum publicatie: | 07-07-2015 |
| Zaaknummer(s): | 575489/NT14-64SP |
| Onderwerp: | Personen- en Familierecht |
| Beslissingen: | Klacht gegrond met berisping |
| Inhoudsindicatie: | Verzaken onderzoeksplicht notaris. Een notaris dient ook waar het een partijverklaring betreft zich ervan te vergewissen of de inhoud ervan, voor zover hij redelijkerwijs kan beoordelen, feitelijk en juridisch juist is. Ook hadden klagers recht op afgifte van een kopie van de 'verklaring van gerechtigheid' en de aangehechte verklaring van erfrecht. Berisping. |
KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM
Beslissing van 16 juni 2015 in de klacht met nummer 575489 / NT 14-64 SP van:
1. [klager sub 1];
2. [klaagster sub 2]
3. [klaagster sub 3],
domicilie kiezend te Amsterdam,
raadsvrouw: mr. M. Groen,
hierna: klagers,
tegen:
[naam notaris],
notaris te [vestigingsplaats],
hierna: de notaris.
1. Het verloop van de procedure
De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:
- klaagschrift met bijlagen van 5 november 2014;
- verweerschrift van 25 januari 2015.
Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 14 april 2015 zijn klager sub 1, bijgestaan door zijn raadsvrouw, en de notaris verschenen. De raadsvrouw van klagers en de notaris hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Uitspraak is bepaald op heden.
2. De feiten
De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde feiten en omstandigheden:
-
Op 18 februari 2014 heeft de notaris een akte met als aanhef ‘VERKLARING VAN GERECHTIGDHEID’
verleden (hierna ook: de akte), als volgt luidend: “Heden (…) verscheen voor mij (….), notaris (..): de heer [de broer van klager sub
1, hierna: X], (….). De comparant verklaarde:
- op dertien november tweeduizend acht (13-11-2008) is te Amsterdam overleden: de heer [naam erflater]; hierna verder te noemen: “erflater”, de overledene was gehuwd met [naam erflaatster], die vervolgens is overleden op zes en twintig oktober tweeduizend twaalf (26-10-2012) te Amsterdam, hierna verder te noemen: “de erflaatster”. Zulks blijkens een verklaring van erfrecht de dato zestien januari tweeduizend veertien (16-01-2014) waarvan een kopie aan deze akte is gehecht;
- hij tezamen met zijn broer [naam] (klager sub 1, KvN) (…) gerechtigd is tot de nalatenschap van “erflater” en “erflaatster” voormeld en mitsdien ieder voor vijftig procent (50%);
- dat hij deze nalatenschap zuiver heeft aanvaardt en dat de rekeningen bij ABN AMRO nummers (..) en (..) geïnd worden;
- uit de brief de dato tien februari twee duizend veertien (10-02-2014) blijkt dat zijn broer [klager sub 1] voornoemd - evenals zijn broer - akkoord is gegaan met uitkering van zijn helft van de nalatenschap waardoor hij na ontvangst daarover zelfstandig kan beschikken, onder de verplichting om de over zijn erfdeel verschuldigde erfbelasting aan de Belastingdienst te voldoen;
- dat diverse kosten van beide genoemde nalatenschappen zijn voldaan;
- dat mitsdien ieder van de genoemde broers gerechtigd zijn tot ieder hun eigen helft van beide nalatenschappen.”
- Na het overlijden van [naam erflater] (hierna: erflater) op 13 november 2008 heeft zijn echtgenote, [naam erflaatster] (hierna: erflaatster), de nalatenschap van erflater zuiver aanvaard (zij was algeheel erfgenaam bij uiterste wilsbeschikking). Erflater en erflaatster hadden samen een dochter: klaagster sub 2. Daarnaast had erflaatster nog een dochter uit een eerdere relatie: klaagster sub 3. Klaagster sub 3 heeft twee zoons: klager sub 1 en [X].
- Uit een verklaring van erfrecht van 28 april 2014, opgemaakt door notaris [naam andere notaris], volgt dat erflaatster bij testament van 24 oktober 1986, welk testament is gewijzigd op 15 september 1992, haar twee kleinzoons, klager sub 1 en [X], tot enig erfgenamen heeft benoemd voor gelijke delen.
- Klaagster sub 2 (als legitimaris van erflater en erflaatster) en klaagster sub 3 (als legitimaris van erflaatster) hebben volgens door hen afgelegde verklaringen (bijlage 3 bij het klaagschrift) aanspraak gemaakt op hun legitieme portie.
- Tussen klagers en [X] is onenigheid ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap. [X] wenst – kort gezegd – niet in te stemmen met het feit dat ook klaagster sub 2 en klaagster sub 3 aanspraak op de nalatenschap maken en hun legitieme portie opeisen. [X] heeft in dat verband op grond van de akte 50% van de gelden die op de in die verklaring vermelde rekeningen van de ABN AMRO-bank (hierna: de bank) stonden opgenomen.
-
Op 16 juni 2014 heeft de raadsman van klager sub 1 aan de notaris geschreven:
“Op 2 april 2014, maar ook wel daarvoor via notaris [naam andere notaris], is door mijn cliënt de heer [X] gevraagd om een kopie van de brief van 10 februari 2014, waarnaar u in uw verklaring van gerechtigheid van 18 februari 2014 verwijst, te willen zenden aan notaris [naam andere notaris] (..). Op 6 mei heb ik u andermaal namens mijn cliënt aangeschreven, u een aantal vragen over de door u afgegeven verklaring gesteld en gevraagd mij bovenbedoelde brief tezamen met uw reactie vóór 12 mei (..) te willen doen toekomen. Ik heb niets vernomen en heb op 15 mei 2014 u mijn email opnieuw doen toekomen, zij het nu per aangetekende brief. Gedagtekend 21 mei 2014 (…) reageerde u daarop. U bevestigde de ontvangst van mijn brief en schreef dat u “voor de partijverklaring overlag zal plegen met uw cliënt”. U schreef ook “Daarna kom ik erop terug”. Ik heb daarop (zie bijlage) op 23 mei 2014 bijgaande email gestuurd (..) Tot op heden heb ik echter niets (meer) van u vernomen. (..) Mij heeft het bericht bereikt dat u deze cruciale brief kwijt zou zijn. Ik kan mij dat niet voorstellen, maar zou wanneer dat het geval is ook graag vernemen. Zoals ik u heb laten weten is bovenbedoelde brief cruciaal, omdat mijn cliënt beweert dat op deze brief niet zijn handtekening draagt en wanneer onder zijn naam al een handtekening prijkt, deze niet van hem is. Op basis van uw verklaring heeft uw cliënte [X], echter wel 50% van de gelden die op de ABN-AMRO rekening stonden opgenomen. Dat is u bekend, maar tot op heden (..) is de brief nog steeds niet in ons bezit en heeft u nog steeds niet inhoudelijk gereageerd. Cliënt acht dat onbetamelijk en heeft mij dan ook verzocht om tussenkomst van de KNB te vragen.”
-
Op 26 juni 2014 heeft de notaris aan de raadsman van klager sub 1 geschreven:
“(..) Vertrouwelijk heb ik aan collega notaris [naam andere notaris] een kopie van de partijakte van 18 februari 2014 doen toekomen. De vragen welke u daarover stelt kan ik, zoals gezegd niet beantwoorden. Voor de eventuele gevolgen die de ABNAMRO daaraan ten onrechte zou hebben verbonden, verwijs ik u naar deze bank.”
- In een brief van 2 juli 2014 heeft de raadsman van klager sub 1 als volgt gereageerd: “Uw brief van 26 juni jl. geeft geen antwoord op mijn vragen. U stuurt mij ook niet het document waarnaar u in de partijakte verwijst en door mijn cliënt de heer [X] zou zijn getekend. (..) De partijakte die u aan uw collega gestuurd heeft is in het bezit van mijn cliënt, maar daar zat niet bovenbedoeld document bij. Deze is door uw collega ook opgevraagd, maar tot op heden heeft u deze niet toegezonden, omdat deze kwijtgeraakt zou zijn (…)”
- Het verzoek tot bemiddeling door de KNB, gedaan door de raadsman van klager sub 1, heeft niet tot het door de raadsman van klager sub 1 gewenste resultaat geleid. Op 17 juli 2014 heeft de notaris aan de KNB het volgende e-mailbericht gezonden: “In antwoord op de mail van de heer Vink (raadsman klager sub 1, KvN) kan ik u meedelen dat bewust gekozen is voor een partijverklaring in plaats van een notariële. Nu mijn cliënt het betreffende stuk niet wenst af te geven kan ik dat niet als notaris gaan doen in strijd met de geheimhoudingsplicht. Dat de collega daar wel voor heeft gekozen is voor zijn rekening. Mijn cliënt heeft een advocaat ingehuurd om zijn belangen in deze te verdedigen. Ik verwijs heer Vink naar deze advocaat hem bekend, neem ik aan.. De naam heb ik op dit moment niet paraat, desgewenst kan ik die verstrekken. Voorafgaande aan mijn vakantie (3 weken) beantwoord ik deze mail van huis uit.”
-
Op 21 juli 2014 heeft de raadsvrouw van klagers in een brief aan de notaris gemeld
dat zij, als opvolger in het dossier van haar kantoorgenoot mr. Vink, naast de belangen
van haar cliënt, klager sub 1, tevens de belangen van klaagsters sub 2 en 3 behartigt
en dat zij de notaris aansprakelijk houden voor de door hen geleden schade: “(..) Naar het zich thans laat aanzien, vissen – kort gezegd – de kinderen, [klaagster
sub 2 en klaagster sub 3] (..), achter het net, in ieder geval voor wat betreft hun
vordering jegens de heer [X] terzake hun legitieme portie. Daarnaast heeft te gelden
dat cliënt, de heer [X], uit hoofde van een overeenkomst van geldlening nog een bedrag
van
€ 70.000,- van de heer [X] heeft te vorderen, welk bedrag uit het saldo van de ervenrekening zou worden voldaan. dit geeft niet alleen eens temeer aan dat [klager sub 1] nimmer heeft ingesteld met enige uitkering aan zijn broer, doch tevens dat hij – nu een en ander vooralsnog niet verhaalbaar lijkt – eveneens schade lijdt.”
- Op 22 juli 2014 heeft de bank aan de raadsvrouw van klagers geschreven: “Er is voor uw cliënten een vervelende situatie ontstaan door toedoen van de heer [X], die zich aan ons heeft gepresenteerd als gerechtigd tot uitbetaling van een bedrag uit de erfenis. Hiertoe heeft hij bewust een inhoudelijk onjuiste verklaring aan ons gepresenteerd. Enige dagen terug hebben wij de heer [X] gesommeerd het door hem ontvangen bedrag terug te betalen. (….) Per vandaag zullen wij de heer [X] alsnog een uiterste datum stellen en wel 30 juli 2014. Mocht het geld niet binnen die termijn zijn terugbetaald dan zullen wij tot dagvaarding van de heer [X] overgaan. (….)”
- Op 1 augustus 2014 heeft de notaris aan de raadsvrouw van klagers laten weten haar brief (van 21 juli 2014 neemt de KvN aan) te hebben ontvangen en de stukken ter overleg doorgezonden te hebben aan zijn verzekeraar, met het verzoek vanwege zijn vakantie over 4 weken te mogen reageren.
- Bij e-mailbericht van 24 september 2014 heeft de raadsvrouw van klagers de notaris (nogmaals) verzocht om inhoudelijk te reageren op haar brief van 21 juli 2014, althans om haar de reactie van de verzekeraar van de notaris te doen toekomen.
- De bank heeft per e-mailbericht van 24 september 2014 aan de raadsvrouw van klagers bericht dat de vordering op [X] ter incasso is gegeven aan haar incassobureau.
3. De klacht
3.1 De notaris heeft de akte opgemaakt en gepasseerd op basis van een onjuiste inhoud en/of zonder de juistheid van de inhoud daarvan te toetsen en/of daarbij onvoldoende rekening gehouden met de belangen van derden, met alle gevolgen van dien.
De notaris heeft zich enerzijds niet vergewist van de juistheid en echtheid van de verklaring van erfrecht van 16 januari 2014 en de brief van 10 februari 2014, terwijl hij anderzijds in de akte de indruk wekt dat wel te hebben gedaan. Wat de brief van 10 februari 2014 betreft had de notaris contact kunnen en moeten opnemen met klager sub 1. Klager sub 1 heeft bedoelde brief niet geschreven, noch voor akkoord ondertekend en kent deze brief niet. Met de inhoud ervan heeft hij anderszins nooit ingestemd, hetgeen ook niet voor de hand ligt aangezien rekening dient te worden gehouden met de legitieme porties van klaagsters sub 2 en klaagster sub 3. De notaris heeft dus niet de zorgvuldigheid betracht die van hem mocht worden verwacht. Ook al is de akte een partij-akte, dat neemt niet weg dat de akte, door de vorm waarin deze thans is gegoten, namelijk een authentieke (notariële) akte met bijbehorende bewijskracht, een zekere ‘extra’ waarde krijgt ten opzichte van de situatie waarin [X] zelf zijn verklaring op papier zou hebben gezet.
3.2 De notaris heeft ten onrechte geweigerd om een afschrift van de akte aan klagers te verstrekken. Klagers zijn weliswaar geen partij bij de akte, maar hebben wel belang bij een juiste inhoud daarvan. Immers, klagers hebben allen een aanspraak op de nalatenschap.
De notaris beroep zich derhalve ten onrechte op zijn geheimhoudingsplicht. Op grond
van artikel 49 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) was de notaris gehouden
tot afgifte.
3.3 De notaris heeft nagelaten tijdig en adequaat te reageren op de hiervoor besproken verzoeken en de aansprakelijkstelling door klagers.
4. Het verweer
De notaris voert aan dat hij bewust heeft gekozen voor een partijverklaring, omdat hij niet alles kon verifiëren. Hij hoefde niet uit te gaan van bewust onjuiste verklaringen, aldus de notaris. De notaris betreurt het dat van zijn akte misbruik is gemaakt en hij het slachtoffer lijkt te zijn van een oplichter. Dat de bank op grond van de akte gehoor heeft gegeven aan het verzoek van [X] om gelden aan hem over te maken, komt echter voor haar rekening, omdat ook voor de bank duidelijk had moeten zijn dat het een partijverklaring was.
Ter zitting heeft de notaris verklaard dat [X] hem niet de achtergrond van zijn verzoek tot het opmaken van de akte heeft uitgelegd. Hij heeft [X] noch bij de eerste bespreking, die ongeveer een half uur duurde, noch bij het opmaken van de akte nadere vragen gesteld omtrent de volgens de akte aangehechte verklaring van erfrecht van 16 januari 2014.
Hij heeft de brief van 10 februari 2010 niet aangehecht aan de akte en kan zich ook niet herinneren dat hij deze heeft gezien; mogelijk had [X] die brief bij zich bij het eerste gesprek, aldus de notaris. De notaris heeft verklaard dat het een haastklus was, die in een drukke agenda moest worden ingepast.
5. De beoordeling
5.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 Wna zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat- notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wna gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van diegenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient te beoordelen of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van voornoemd artikel oplevert.
5.2 De kamer is van oordeel dat de notaris in strijd met zijn uit artikel 17 Wna voorvloeiende zorgplicht heeft gehandeld. Anders dan de notaris meent, dient de notaris ook waar het een partijverklaring betreft zich ervan te vergewissen of de inhoud ervan, voor zover hij redelijkerwijs kan beoordelen, feitelijk en juridisch juist is. Gelet op de door [X] aangeleverde informatie, waaronder de brief van 10 februari 2014, had de notaris nader dienen te onderzoeken of de in de akte verwoorde verklaring van [X] op waarheid berustte. Tevens had de notaris nader onderzoek dienen te verrichten naar de inhoud van de verklaring van erfrecht van 16 januari 2014. De notaris heeft evenwel geen enkel nader onderzoek gedaan en heeft (kennelijk) slechts opgeschreven wat [X] hem verteld heeft, dit terwijl de inhoud van de akte door het gebruik van de woorden ‘blijkens een verklaring van erfrecht’ en ‘uit de brief blijkt’ de suggestie wekt dat de notaris de inhoud van de genoemde stukken heeft geverifieerd.
Daarbij komt dat de notaris door de wijze waarop de akte is opgesteld de niet te verwaarlozen kans heeft aanvaard dat deze zou worden misbruikt. Zowel door de aanhef van de akte als door het verwoorden van de ‘partij-verklaring’ in de derde persoon wordt (ten onrechte) de indruk gewekt dat aan de akte rechten kunnen worden ontleend. Het eerste klachtonderdeel, hiervoor genoemd onder 3.1, is derhalve gegrond.
5.3 De kamer is verder van oordeel dat klagers als belanghebbenden op grond van artikel 49 lid1 Wna recht hadden op afgifte door de notaris van de akte en van de (aangehechte) verklaring van erfrecht van 16 januari 2014. De notaris kan zich ter zake niet op zijn notariële geheimhoudingsplicht beroepen.
Klager sub 1 had tevens recht op afgifte van de brief van 10 februari 2014, alhoewel de kamer uit de door de notaris verstrekte toelichting begrijpt dat de notaris deze brief niet (meer) had. Ook het tweede klachtonderdeel, hiervoor genoemd onder 3.2, is dus gegrond.
5.4 Dat de notaris niet tijdig, dan wel geheel niet, op de verzoeken en aansprakelijkstelling van klagers heeft gereageerd, verdient zeker niet de schoonheidsprijs. Het geruime tijd uitblijven van een inhoudelijke reactie is naar het oordeel van de kamer echter niet zodanig ernstig dat sprake is van tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Dit klachtonderdeel, hiervoor genoemd onder 3.3, wordt daarom ongegrond verklaard.
5.5 De kamer acht het opleggen van een berisping passend en geboden. Met name het verzaken van zijn zorgplicht jegens klagers en het creëren - door het aldus redigeren van de akte - van de schijn van beschikkingsbevoegdheid van [X] ten aanzien van de gelden die vallen in de nalatenschap, rekent de kamer de notaris in ernstige mate aan. Daarbij baart ook de opstelling van de notaris in de klachtzaak en ter zitting de kamer zorgen: de notaris ziet slechts zichzelf als slachtoffer en lijkt zijn eigen tekortkomingen in deze zaak niet of nauwelijks onder ogen te (willen) zien.
Beslissing
De kamer voor het notariaat:
- verklaart de klacht gegrond ten aanzien van de klachtonderdelen genoemd onder 3.1 en 3.2;
- legt de notaris een berisping op;
- verklaart het klachtonderdeel genoemd onder 3.3 ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.P. Pompe, voorzitter, A.H. Schotman, J.H.M. Erkamp, E.H. Huisman en P.J. van Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.B.T. Kienhuis, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.
Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden
kennisgeving.