ECLI:NL:TNORAMS:2015:15 Kamer voor het notariaat Amsterdam 576813/NT 14-70 SP

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2015:15
Datum uitspraak: 23-04-2015
Datum publicatie: 28-04-2015
Zaaknummer(s): 576813/NT 14-70 SP
Onderwerp: Registergoed
Beslissingen: Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Vast staat dat [B] sinds september 2005 wetenschap had van alle hier relevante feiten; hij wist immers dat klaagster het bedrag van € 95.000,-- had betaald ter voldoening van de waarborgsom die verschuldigd was in het kader van de koop van de woning. Deze wetenschap dient, zoals de oud-notaris terecht aanvoert, te worden toegerekend aan klaagster. Ingevolge artikel 2:240 BW vertegenwoordigt het bestuur de vennootschap, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. [B] heeft als statutair bestuurder dan ook klaagster vertegenwoordigd bij de overboeking van de waarborgsom van € 95.000,-- op 19 juli 2005 op de derdengeldenrekening van de oud-notaris. De wetenschap die bij [B] bestond, dient daarbij tevens als wetenschap van klaagster te gelden. Op basis daarvan moet worden aangenomen dat klaagster vanaf dat moment van betaling bekend was, althans bekend mag worden verondersteld te zijn geweest, met de betaling, die is aangewend ten behoeve van de koop van de woning en met het naderhand passeren van de leveringsakte door de oud-notaris op 21 september 2005. Gelet op het vorenstaande is de kamer van oordeel dat de genoemde termijn van drie jaren (in elk geval) is gaan lopen met ingang van de datum van het passeren van de akte van levering. Nu de onderhavige klacht niet eerder dan 24 november 2014 is ingediend, is de kamer van oordeel dat de klacht is verjaard.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing van 23 april 2015 in de klacht met nummer 576813/NT 14-70 SP van:

TradeConsult S.A.,

gevestigd te Genève, Zwitserland,

klaagster,

raadsman: mr. J. Koekkoek te Haarlem,

tegen:

[oud-notaris],

oud-notaris te [vestigingsplaats],

de oud-notaris,

raadsvrouw: mr. E.A.L. van Emden te ’s-Gravenhage.

Bij de mondelinge behandeling van de klacht op 10 maart 2015 zijn de raadsman van klaagster en de oud-notaris, bijgestaan door zijn raadsvrouw, verschenen. Op de zitting hebben partijen het woord gevoerd en pleitaantekeningen overgelegd.

Uitspraak is bepaald op heden.

  1. Het verloop van de procedure

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

-        klaagschrift met bijlagen van 24 november 2014;

-        verweerschrift met bijlagen van 7 januari 2015;

-        brief van klaagster van 6 maart 2015, met bijlagen;

-        brief van klaagster van 9 maart 2015, met bijlage;

-        brief van klaagster van 11 maart 2015, met bijlage.

  1. De feiten

De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde feiten en omstandigheden:

a.    Op 21 september 2005 heeft de oud-notaris een leveringsakte verleden, waarbij de woning aan [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) door [naam, hierna: A] aan de naamloze vennootschap Bosbridge N.V., gevestigd te Curaçao, (hierna: Bosbridge), is geleverd voor een koopsom van                 € 950.000,--. De nota van afrekening bedroeg in totaal € 1.011.080,42. Voorafgaand aan de levering heeft op diezelfde dag een bespreking tussen de oud-notaris en de heer [naam] (hierna: B), (destijds) bestuurder van Bosbridge, plaatsgevonden. [B] was toentertijd tevens bestuurder van klaagster.

b.   De waarborgsom ten behoeve van genoemde koop van de woning ad € 95.000,-- is op 19 juli 2005 op de derdengeldenrekening van de oud-notaris gestort. De overboeking van deze waarborgsom is geschied vanaf een bankrekening die op naam van klaagster stond.

c.    Op 29 april 2008 heeft klaagster ten laste van Bosbridge conservatoir beslag gelegd op de woning in verband met een door klaagster gestelde vordering van 6 miljoen euro wegens frauduleus handelen van Bosbridge c.q. [B].

d.   Op 28 mei 2014 heeft de raadsman van klaagster aan de oud-notaris geschreven, voor zover van belang: “Naar onlangs is gebleken is een deel van de koopsom, te weten € 95.000, op 19 juli 2005 door de heer [B], toenmalig bestuurder van cliënte, betaald op uw bankrekening. Cliënte had en heeft echter geen relatie met Bosbridge N.V. en de heer [B] was daartoe niet bevoegd. Bosbridge biedt echter voor zover bekend geen verhaal en heeft ook niet gereageerd op de sommatie dezerzijds tot terugbetaling van dat bedrag wegens onverschuldigde betaling. (..) Voorts merk ik te uwer informatie op dat het restant van de koopsom ook van cliënte afkomstig was en is. Dit bedrag is namelijk door de heer [B] van de bankrekening van cliënte doorgeboekt naar een bedrijf genaamd [naam, hierna C], [C] heeft dat bedrag vervolgens op verzoek van de heer [B] doorgeboekt naar [naam, hierna: D] en [D] heeft dat bedrag op verzoek van de heer [B] aan u betaald. De enige begunstigde van [D] was echter ook de heer [B]. Of en zo ja, in hoeverre u daarmee bekend was, is cliënte niet bekend. Wat cliënte echter wel bekend is, is dat uw wist, althans had moeten weten, dat de koopsom van de woning, € 950.000, aanzienlijk hoger was dan de werkelijke waarde. U had dat ook kunnen nagaan aan de hand van het kadaster. Daaruit blijkt immers, dat de woning op 17 juni 2004 (dus iets meer dan een jaar daarvóór) voor een bedrag ad € 322.500 is verkocht. Daarvóór, op 29 december 2003, was de woning gekocht voor een bedrag ad € 317.646. Daarnaast volgt dat ook uit de WOZ-aanslag; die bedroeg per 1 januari 2005 € 519.000. Die WOZ-aanslag moet u ook onder ogen hebben gehad. Met andere woorden, de reële waarde van de woning was hoogstens ongeveer de helft. Naar de mening van cliënte zou zij geen schade hebben geleden, althans veel minder dan thans het geval is, indien u zich gehouden zou hebben aan uw verplichtingen op grond van de Wet MOT en als u was nagegaan van wie de betalingen afkomstig waren etc. Bij deze wordt u dan ook aansprakelijk gesteld voor alle geleden en nog te lijden schade van cliënte. (..)”    

e.    Daarop heeft mr. J.R.O.C. Langevoord namens de oud-notaris geantwoord op 4 juni 2014, voor zover van belang: “Als beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar van [oud-notaris] benaderen wij u naar aanleiding van uw aansprakelijkstelling van 28 mei 2014. (..) Enig bewijs van uw stellingen overlegt u overigens niet. U meldt in uw brief dat uw cliënte van mening is dat zij schade heeft geleden, waarvoor zij [oud-notaris] aansprakelijk acht, omdat [oud-notaris] zich niet gehouden zou hebben aan zijn verplichtingen op grond van de Wet MOT. Wij tekenen aan dat de nakoming van de Wet MOT niet strekt ter bescherming van de belangen van uw cliënte. Het door u gemaakte verwijt kan dan ook niet dienen als grondslag voor de ingestelde vordering. U maakt nog een opmerking over het feit dat de notaris bekend was met het feit dat de koopsom van de woning in 2005 aanzienlijk hoger lag dan de WOZ-waarde en de verkoopprijs juni 2004 en december 2003. Onduidelijk is ons wat u hiermee wilt zeggen. Een zorgplicht en onderzoeksplicht van de notaris op dit punt strekt eveneens niet ter bescherming van de belangen van uw cliënte. Aanvullend merken wij op dat wij de indruk hebben dat de vermeende vordering van uw cliënte op de notaris verjaard is nu de betaling vanuit TradeConsult SA heeft plaatsgevonden in 2005 en uw cliënte er ook vanaf 2005 van op de hoogte moet zijn geweest dat de betaling verricht is. Gezien bovenstaande zien wij geen aanleiding uit te gaan van enige aansprakelijkheid van de notaris voor schade van uw cliënte. (..)”

  1. De klacht

3.1 Klaagster verwijt de oud-notaris dat op 19 juli 2005 een deel van de koopsom van de woning, te weten € 95.000,--, ten onrechte door de toenmalig bestuurder van klaagster, [B], is betaald op de derdengeldenrekening van de oud-notaris. Klaagster had en heeft echter geen relatie met de koper van de woning en deze toenmalige bestuurder van klaagster was niet bevoegd genoemd bedrag op de bankrekening van de oud-notaris te storten. De oud-notaris had derhalve onderzoek moeten verrichten naar de betrokkenheid van klaagster bij het door [B] onverschuldigd betaalde bedrag van € 95.000,--.

3.2 Klaagster verwijt de oud-notaris voorts dat hij had moeten weten dat de koopsom van de woning ad € 950.000,-- aanzienlijk hoger was dan de werkelijke waarde en verwijst daartoe naar het kadaster, waaruit blijkt dat de woning in de jaren daarvóór voor een aanmerkelijk lager bedrag is verkocht, alsmede naar een WOZ-beschikking waaruit blijkt dat de waarde van de woning per 1 januari 2005 € 519.000,-- bedroeg. De oud-notaris had derhalve een zogenoemde ‘MOT-melding’ moeten doen gezien het aanzienlijke prijsverschil. Hierdoor heeft de oud-notaris gehandeld in strijd met de zorg die hij als notaris had moeten betrachten en heeft hij niet gehandeld zoals het een behoorlijk notaris betaamt.

  1. Het verweer

4.1 Allereerst stelt de oud-notaris dat de klachttermijn uit artikel 99 lid 15 Wna is verstreken, zodat de ingediende klacht is verjaard.

Klaagster had reeds wetenschap van het handelen (of nalaten) van de oud-notaris op 21 september 2005, aangezien [B], als (toenmalige) statutair bestuurder van klaagster, deze wetenschap ook had. De wetenschap van de bestuurder dient immers aan de rechtspersoon te worden toegerekend, gelijk het handelen van die bestuurder op grond van het ‘Kleuterschool Babbel-criterium’ aan de door hem bestuurde vennootschap wordt toegerekend, aldus de oud-notaris.

Subsidiair meent de oud-notaris dat sprake is van een ontijdige klacht, omdat uit de beslaglegging door klaagster in april 2008 blijkt dat klaagster vanaf in elk geval deze datum wetenschap van het gewraakte handelen had. Nu klaagster zelf stelt geen rechtsrelatie te hebben met Bosbridge, kan het niet anders zijn dan dat deze beslaglegging betrekking heeft op de betaling van de waarborgsom in het kader van de levering van de woning, aldus de oud-notaris.

4.2 Ten aanzien van het eerste klachtonderdeel dat de betaling van de waarborgsom onverschuldigd zou zijn, stelt de oud-notaris het volgende. [B], als toenmalig bestuurder van klaagster, heeft op 21 september 2005 expliciet aan de oud-notaris bevestigd dat deze betaling is geschied ten titel van de betaling van de waarborgsom c.q. koopsom door Bosbridge. De oud-notaris verwijst verder naar artikel 6:30 BW, waarin is bepaald dat het wettelijk is toegestaan en ook niet ongebruikelijk is dat (een deel van) een verplichting van een partij bij een akte wordt voldaan door een ander. 

4.3 Tegen het tweede klachtonderdeel, te weten het verwijt dat de oud-notaris het verschil in hoogte tussen de koopprijs en de eerder daarvoor door [A] – voornoemd - betaalde aankoopprijs had moeten opmerken en het verwijt dat de notaris derhalve ten onrechte geen ‘MOT-melding’ zou hebben gedaan, verweert de oud-notaris zich als volgt.

Klaagster was geen partij bij de notariële akte van 21 september 2005, zodat de uit artikel 22 Wna voortvloeiende geheimhoudingsplicht hem verbiedt om mededelingen te doen over de inhoud en achtergronden van deze transactie. Onjuist is de opvatting van klaagster dat een notaris per definitie ook een zorgplicht draagt voor belangen van derden zoals zij; alleen onder bijzondere omstandigheden is dat het geval, aldus de oud-notaris. 

Overigens heeft de oud-notaris destijds wel degelijk aandacht gehad voor het prijsverschil en hiervoor ook een verklaring opgevraagd en verkregen. Ook het feit dat de WOZ-waarde per 1 januari 2005 lager was dan de koopprijs, zegt niets over de werkelijke waarde van de woning. Bovendien ziet de oud-notaris niet in welk redelijk belang klaagster heeft bij dit verwijt, nu Bosbridge en niet klaagster, genoemd bedrag voor de woning heeft betaald.

5.     De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 Wet op het notarisambt (hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens de Wna gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van diegenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. Ingevolge het tweede lid van onderhavig wetsartikel blijven notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen die niet meer als zodanig werkzaam zijn aan de tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van enig in het eerste lid bedoeld handelen of nalaten gedurende de tijd dat zij als zodanig werkzaam waren. De kamer dient te beoordelen of de handelwijze van de oud-notaris een verwijtbare gedraging in de zin van voornoemd artikel oplevert.

5.2 Ingevolge artikel 99 lid 15 Wna kan een klacht echter slechts worden ingediend gedurende drie jaren na de dag waarop de tot klacht gerechtigde van het handelen of nalaten van een notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris dat tot tuchtrechtelijke maatregelen aanleiding kan geven, kennis heeft genomen.

Het motief van de wetgever voor het opnemen van deze termijn is in de wetsgeschiedenis (Tweede Kamer II, 1996-1997, 23 706, nr. 12) als volgt verwoord:

“(…) De reden daarvoor is met name gelegen in het feit dat na verloop van een bepaalde termijn ervan uit moet kunnen worden gegaan dat de betrokkene geen reden ziet om een klacht tegen de notaris in te dienen. Gezien het karakter van de procedure, waarbij elke klager zelf de procedure zonder vormvoorschriften in gang kan zetten, acht ik een dergelijke termijn alleszins aanvaardbaar. De notaris moet ook niet in lengte van jaren kunnen worden achtervolgd met klachten waarvan de feiten door het verstrijken van een te lange termijn nog zeer moeilijk naar behoren zijn vast te stellen. (…)”

Voor de aanvang van de termijn is doorslaggevend wanneer klaagster kennis heeft genomen van het feitelijk handelen (of nalaten) van de oud-notaris en niet wanneer klaagster tot de conclusie is gekomen dat dit handelen (of nalaten) onjuist is.

5.4 Vast staat dat [B] sinds september 2005 wetenschap had van alle hier relevante feiten; hij wist immers dat klaagster het bedrag van € 95.000,-- had betaald ter voldoening van de waarborgsom die verschuldigd was in het kader van de koop van de woning. Deze wetenschap dient, zoals de oud-notaris terecht aanvoert, te worden toegerekend aan klaagster. Ingevolge artikel 2:240 BW vertegenwoordigt het bestuur de vennootschap, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit. [B] heeft als statutair bestuurder dan ook klaagster vertegenwoordigd bij de overboeking van de waarborgsom van € 95.000,-- op 19 juli 2005 op de derdengeldenrekening van de oud-notaris.

De wetenschap die bij [B] bestond, dient daarbij tevens als wetenschap van klaagster te gelden.

Op basis daarvan moet worden aangenomen dat klaagster vanaf dat moment van betaling bekend was, althans bekend mag worden verondersteld te zijn geweest, met de betaling, die is aangewend ten behoeve van de koop van de woning en met het naderhand passeren van de leveringsakte door de oud-notaris op 21 september 2005. Gelet op het vorenstaande is de kamer van oordeel dat de genoemde termijn van drie jaren (in elk geval) is gaan lopen met ingang van de datum van het passeren van de akte van levering. Nu de onderhavige klacht niet eerder dan 24 november 2014 is ingediend, is de kamer van oordeel dat de klacht is verjaard.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

De kamer voor het notariaat:

-                  verklaart de klacht niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door mrs. S.P. Pompe, voorzitter, J.J. Dijk, J.P. van Harseler, Ch.F. Tasseron en P.J. van Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Land-Smorenburg, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2015.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden kennisgeving.