ECLI:NL:TNORAMS:2014:12 Kamer voor het notariaat Amsterdam 556383/NT 13-83 J

ECLI: ECLI:NL:TNORAMS:2014:12
Datum uitspraak: 15-04-2014
Datum publicatie: 03-06-2014
Zaaknummer(s): 556383/NT 13-83 J
Onderwerp: Registergoed
Beslissingen: Klacht niet-ontvankelijk
Inhoudsindicatie: Klager is niet-ontvankelijk in zijn klacht.

KAMER VOOR HET NOTARIAAT IN HET RESSORT AMSTERDAM

Beslissing bij vervroeging van 15 april 2014 met nummer 556383/NT 13-83 J van:

[Klager],

wonende te [plaats],

klager,

tegen:

[de notaris],

notaris te [vestigingsplaats],

raadsman: mr. P. Wanders,

de notaris.

1. Het verloop van de procedure

De kamer is uitgegaan van de volgende stukken:

-        het klaagschrift, gedateerd 27 november 2013;

-        de beslissing van het gerechtshof Amsterdam van 12 december 2013, waarin de kamer voor het notariaat in het ressort Amsterdam is belast met de behandeling van de zaak;

-        het verweerschrift van 14 januari 2014;

-        de bij brief van 27 maart 2014 door de raadsman van de notaris overgelegde producties.

Bij de mondelinge behandeling op 3 april 2014 zijn klager en de notaris, bijgestaan door zijn raadsman, verschenen. Klager heeft voorafgaand aan de behandeling aan de kamer een kopie van een bladzijde uit een akte met betrekking tot een ander registergoed dan waarop de klacht ziet overgelegd, waarin zowel de naam van de notaris als een van de notarisleden van de kamer, [naam], voorkomt. De voorzitter heeft daarin geen aanleiding gezien voor een andere samenstelling van de kamer en heeft dat aan partijen meegedeeld. Vervolgens hebben partijen het woord gevoerd, klager aan de hand van een pleitnota.

Op verzoek van de kamer heeft klager een kopie van de leveringsakte van ‘appartementsrecht appartementencomplex [naam]’ van 16 februari 2005 en een kopie van de bladzijden 1, 2 en 22 van de akte van splitsing ‘appartementsgebouw “[naam” overgelegd.

Uitspraak is vastgesteld op 5 juni 2014, maar wordt heden bij vervoeging gedaan.

  1. De feiten

De kamer gaat uit van de volgende voor de beoordeling van de klacht van belang zijnde feiten en omstandigheden:

a.    Klager heeft (samen met zijn echtgenote) een appartementsrecht gekocht met betrekking tot een woning gelegen in appartementencomplex “[naam]”, een woontoren in de nieuwbouwwijk [naam en plaats]. De leveringsakte is gepasseerd op 16 februari 2005, ten overstaan van notaris [naam andere notaris].

b.   In artikel A2 en A3 van voornoemde leveringsakte is vermeld: “2. Het registergoed is door verkoper ([naam B.V], KN) tezamen met meer registergoederen in eigendom verkregen door inschrijving in register Hypotheken 4 (..) van de openbare registers (..) op vijfentwintig mei tweeduizend van een afschrift van een akte van levering op drieëntwintig mei daarvoor voor [de notaris] verleden, (..) 3. Bij akte op veertien december tweeduizend vier voor genoemde notaris [naam van de notaris] verleden, heeft verkoper het registergoed gesplitst in een appartementencomplex, - van welke akte een afschrift werd ingeschreven in het register Hypotheken 4 (..) op vijftien december daarna.”

c.    De notaris is indertijd opgetreden als projectnotaris, waarbij hij in die hoedanigheid instrumenterend is geweest bij het passeren van de hiervoor onder 2b genoemde akten. 

d.   In artikel E van de leveringsakte van 16 februari 2005 is vermeld:

“BIJZONDERE VOORWAARDEN EN BEPALINGEN/GEVESTIGDE ERFDIENSTBAARHEDEN/OVEREENGEKOMEN KWALITATIEVE VERPLICHTINGEN/UITDRUKKELIJKE AANVAARDING

Ter zake van bijzondere voorwaarden en bepalingen van de publiekrechtelijke rechtspersoon: de gemeente [naam plaats], (…) wordt te dezen verwezen naar de hiervoor onder A.2. vermelde akte van levering. Koper verklaart een uittreksel van genoemde akte te hebben ontvangen en verklaart van de inhoud te hebben kennis genomen, met de inhoud in te stemmen, deze te aanvaarden en zich te verbinden tot nakoming als ware hijzelf die verbintenissen aangegaan jegens de in die akte vermelde belanghebbenden bij die verbintenissen. Ter uitvoering van het bovenstaande worden vorenbedoelde bijzondere verplichtingen en/of kettingbedingen door de verkoper aan de koper opgelegd als kettingbeding, zulks onder verbeurte van een direct opeisbare boete gelijk aan de waarde van het verkochte ten tijde van de overtreding bij niet of niet-tijdige nakoming van de verplichting als vorenbedoeld, in dier voege dat bedoelde bepalingen en de onderhavige bepaling bij iedere vervreemding in eigendom of zakelijk genotsrecht aan de opvolgende eigenaar van de eigendom moet worden opgelegd, bedongen en aangenomen, zulks op verbeurte van een gelijke boete als laatstgemeld ten behoeve van de belanghebbenden.”

e.    In de akte van splitsing ‘appartementsgebouw “[naam]”’ van 14 december 2004, waarin het appartementencomplex in 73 appartementsrechten is gesplitst, wordt in artikel F “Bijzondere bepalingen” eveneens verwezen naar de akte van levering van 23 mei 2000 en vermeld dat van die akte “een woordelijk gelijkluidend uittreksel aan deze akte zal worden gehecht.”

f.    In artikel B5, onder nummer 1 tot en met 73, van de onder 2e genoemde akte wordt het volgende bepaald: “Door de voorgenomen splitsing zullen de navolgende drieënzeventig (73) appartementsrechten ontstaan: (…) het appartementsrecht rechtgevende op het uitsluitend gebruik van de woning met buitenruimte en verder aanbehoren (…) alsmede met een berging en een dubbele parkeerplaats in het souterrain, ten tijde van de splitsing in appartementsrechten bekend als [A] (..)” Deze omschrijving kwam niet geheel overeen met de feitelijke situatie, aangezien er geen parkeerplaatsen zijn gerealiseerd in het souterrain, maar op een gedeeltelijk overdekt buitenterrein. Verder zijn de appartementen gelegen aan de straat “[B]”.

g.   Op 14 mei 2013 heeft de notaris een akte van rectificatie gepasseerd, waarbij de hiervoor genoemde akte van splitsing is gerectificeerd conform de daartoe gegeven beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 januari 2013.

  1. De klacht

In de leveringsakte van het appartementsrecht van 16 februari 2005 wordt  - aldus klager - vermeld dat bij die akte een uittreksel is overhandigd van de akte van 23 mei 2000.

Klager verwijt de notaris dat hij dat uittreksel toen niet heeft gekregen. Hij meent dat het uittreksel door de notaris met opzet is achtergehouden.

  1. Het verweer

4.1 Klager beklaagt zich over het ontbreken van bijlagen bij de akte van 16 februari 2005. Deze akte is echter niet verleden door de notaris, maar door [een andere notaris], zodat klager in zijn klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.2 De notaris beroept zich verder op de vervaltermijn van artikel 99 lid 15 van de Wet op het notarisambt, waarin is bepaald dat een klacht binnen drie jaar na kennisname van het handelen of nalaten van de notaris dient te worden ingediend. De bewuste eigendomsakte van klager dateert uit 2005, terwijl klager ruim acht jaar later pas zijn klacht heeft ingediend.

  1.  De beoordeling

5.1 Ingevolge artikel 93 lid 1 (wet op het Notarisambt, hierna: Wna) zijn notarissen, toegevoegd notarissen en kandidaat-notarissen aan tuchtrechtspraak onderworpen ter zake van handelen of nalaten in strijd met hetzij enige bij of krachtens deze wet gegeven bepaling, hetzij met de zorg die zij als notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris behoren te betrachten ten opzichte van degenen te wier behoeve zij optreden en ter zake van handelen of nalaten dat een behoorlijk notaris, toegevoegd notaris of kandidaat-notaris niet betaamt. De kamer dient te beoordelen of de handelwijze van de notaris een verwijtbare gedraging in de zin van dit artikel oplevert.

5.2 Het verwijt van klager houdt in dat hem bij het passeren van de leveringsakte van

16 februari 2005 stukken zijn onthouden, terwijl in die akte zou zijn vermeld dat die stukken hem toen zijn overhandigd. Aangezien vaststaat dat niet de notaris, maar notaris [naam andere notaris] verantwoordelijk is voor het passeren van voornoemde leveringsakte, kan klager in zijn klacht tegen de notaris niet worden ontvangen.

5.3 Over het verweer van de notaris dat de klacht in verband met de geldende vervaltermijn te laat is ingediend, hoeft de kamer geen uitspraak te doen, aangezien het eerste verweer doel treft.

Beslissing

De kamer voor het notariaat:

-                  verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn klacht.

Deze beslissing is gegeven door mrs. R.H.C. Jongeneel, voorzitter, M.V. Ulrici,

R.H. Meppelink, E.E. von Wolzogen Kühr en A.J.H.M. Janssen, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.B.T. Kienhuis, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2014.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te Amsterdam (postbus 1312, 1000 BH Amsterdam) binnen 30 dagen na de dag van verzending van de aangetekend verzonden kennisgeving.