ECLI:NL:TNOKBRE:2012:YC0905 Kamer van toezicht Breda Kl 5/2012

ECLI: ECLI:NL:TNOKBRE:2012:YC0905
Datum uitspraak: 10-12-2012
Datum publicatie: 04-02-2013
Zaaknummer(s): Kl 5/2012
Onderwerp: Personen- en Familierecht
Beslissingen: Klacht ongegrond
Inhoudsindicatie:   Door de notarissen is in voldoende mate aannemelijk gemaakt, dat zij al datgene hebben gedaan wat in hun vermogen lag om te kunnen komen tot het vaststellen van klagers erfdeel en dat van zijn broer in de nalatenschap van hun moeder. Aan de notarissen stonden geen boedelgevens ter beschikking, zodat zij klager terecht hebben gewezen op de omstandigheid dat hun erfdeel diende te worden vastgesteld aan de hand van de destijds niet door hun kantoor gedane successieaangifte. Omdat hun inspanningen voor het verkrijgen van een kopie van die aangifte tot geen resultaat hebben geleid, hebben zij naar aanleiding van het door klager uitgesproken vermoeden wat zijn moeder aan geldmiddelen had nagelaten, contact opgenomen met klagers stiefmoeder en een op basis van dit vermoeden door haar gedaan aanbod tot betaling van de erfdelen aan klager overgebracht. Dit lag ook ter oplossing van de kwestie in de rede.

KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN TE BREDA

Kl 5/2012

Beslissing

op de 28 maart 2012 ingekomen klacht van

[naam],

wonende te [plaatsnaam],

verder te noemen klager,

tegen

notarissen mrs. [naam1] en

[naam2],

beiden gevestigd te Oisterwijk,

verder ook te noemen de notarissen.

1.      Het verloop van de zaak

Na ontvangst van de klacht heeft tussen partijen het schriftelijk debat plaatsgevonden, wat blijkt uit hun brieven van 5 april 2012, 23 april 2012 en 16 mei 2012 (met bijlagen).

De mondelinge behandeling van de klacht door de kamer van toezicht heeft plaatsgevonden op 28 november 2012, waarbij zijn verschenen klager en de notarissen, allen in persoon.

2.      De inhoud van de klacht en het standpunt van klager

Klager verwijt de notarissen dat zij ondanks herhaalde verzoeken weigeren inzicht te verschaffen in de omvang van de nalatenschap van zijn overleden moeder, alsmede inzage te verstrekken van de herroepen testamenten van hun vader.

Klager voert aan dat hij en zijn broer na het overlijden van hun moeder, die een langstlevende testament had, op 24 januari 1986, en nadat hun vader in oktober 1986 was hertrouwd, zich als erfgenamen bij het kantoor van de notarissen hebben gemeld. Volgens klager heeft de voorganger van notaris mr. [naam2] toen verzuimd de erfdelen van zijn moeder vast te stellen, ofschoon dit wettelijk was voorgeschreven op grond van het feit dat hij -klager- op dat moment nog minderjarig was. De notaris had daarvoor volgens de klager de rechtbank moeten inschakelen. Meegedeeld werd echter, aldus klager, dat het voor hem en zijn broer het beste was om de zaak te laten rusten en dat alles goed geregeld was.

Na het overlijden van zijn vader, op 20 december 2009, hebben klager en zijn broer zich weer bij het notariskantoor gemeld, waarbij hen werd meegedeeld, dat zijn vader hen bij testament had onterfd en dat zij dit testament niet mochten inzien, omdat zij er niet in voorkomen. Klager stelt verder dat toen, alsook nadien, ondanks verzoeken daartoe, geen informatie werd verstrekt over de omvang van hun erfdelen van de nalatenschap van hun moeder. Wel hebben zij van notaris mr. [naam1] een brief ontvangen, waarin zij meedeelt, dat hun stiefmoeder op basis van hun bij hun bezoek aan het notariskantoor uitgesproken vermoeden dat hun moeder in ieder geval destijds een bedrag fl. 30.000 bezat, een aanbod doet tot uitbetaling van de erfdelen gebaseerd op dit bedrag, onder de voorwaarde dat zij zouden afzien van hun legitieme ter zake van de nalatenschap van hun vader.

Kl. 5/2012                                                                   pagina 2

beslissing d.d. 10 december 2012

Klager voert verder aan dat zij om inzage van de herroepen testamenten van hun vader hebben verzocht om meer duidelijkheid te verkrijgen. Notaris mr. [naam1] heeft daarop een voorschot gevraagd van € 525, omdat zij een belangenafweging moest maken, waarna de kwestie weer is overgedragen aan notaris mr. [naam2], die zich op zijn beurt heeft beroepen op zijn geheimhoudingsplicht. Eerst na het inschakelen van zijn advocaat , waarvoor hij de nodige kosten heeft moeten maken, heeft hij van de notarissen een afschrift van het laatste testament van zijn vader ontvangen

Klager stelt voorts nog dat het hem en zijn broer niet gaat om het feit dat zij door hun vader zijn onterfd, maar veeleer om de omstandigheid, dat het notariskantoor respectloos met de laatste wens van hun moeder omgaat. Volgens klager worden door de notarissen fouten verdoezeld door een beroep te doen op hun geheimhoudingsplicht.

3.      Het standpunt van de notarissen

Notaris mr. [naam2] voert aan, dat, voor zover hem bekend is, de destijds door de voorganger van notaris mr. [naam1] met betrekking tot de nalatenschap van klagers moeder verrichte werkzaamheden hebben bestaan uit de afgifte van een verklaring van erfrecht. Of daarbij is gesproken over het vaststellen van de erfdelen is de notaris niet bekend. Het was echter volgens de notaris destijds niet gebruikelijk om dit bij akte te doen, aangezien de erfdelen ook uit de successieaangifte waren af te leiden. Deze successieaangifte is overigens niet door hun kantoor verzorgd. De notaris stelt voorts dat de verklaring van erfrecht eerst door zijn voorganger op 26 oktober 1987 is ondertekend, op welk tijdstip klager en zijn broer inmiddels meerderjarig waren.

Verder wijst notaris mr. [naam2] erop dat zijn kantoor pro-actief heeft geprobeerd om de successieaangifte bij de Belastingdienst en bij de administrateur van destijds op te vragen, wat echter tot geen resultaat heeft geleid. Van het verdoezelen van fouten, zoals klager aanvoert, is volgens de notaris geen sprake geweest en de omstandigheid dat de successieaangifte niet is kunnen worden getraceerd, valt zijn kantoor niet aan te rekenen.

Wat betreft het door klager verweten weigeren van inzage in de herroepen testamenten van zijn vader stelt notaris mr. [naam2] zich op het standpunt, dat klager en zijn broer niet kenbaar hebben gemaakt wat hun (zwaarwegend) belang daarbij is, anders dan het vaststellen van hun vordering uit hoofde van de nalatenschap van hun moeder. Dit laatste kan volgens de vakliteratuur  niet als een dergelijk belang worden aangemerkt, wat werd bevestigd door het juridisch bureau van de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie. Aan klager is dit ook bericht bij brief van 24 januari 2012, aldus notaris mr. [naam2].

Niet duidelijk is volgens de notaris wat er niet goed zou zijn aan deze handelwijze. Geprobeerd is om klager en zijn broer te helpen, zonder zelfs kosten in rekening te brengen. Zo is eerst een uitreksel en later alsnog een kopie van het laatste testament van hun vader verstuurd.

Notaris mr. [naam1] voert nog aan dat, voor zover klager het verwijt maakt over het niet vaststellen van de erfdelen na het overlijden van zijn moeder, dit haar ambtsvoorganger raakt en dat dan ook niet kan worden ingegaan op wat destijds gezegd zou zijn.

Kl. 5/2012                                                                   pagina 3

beslissing d.d. 10 december 2012

Daarnaast voert zij aan dat haar inmiddels uit de brief van de door klager ingeschakelde advocaat van 5 juli 2011 is gebleken dat klager, althans zijn advocaat, wel een kopie van de successieaangifte heeft ontvangen, waarover zij, ondanks herhaald verzoek, niet zijn ingelicht. De omvang van klagers vordering en die van zijn broer valt derhalve exact uit te rekenen en het testament van hun moeder kan daarmee volledig en precies worden afgewikkeld. Alsdan kan volgens notaris mr. [naam1] blijken of het aanbod van hun stiefmoeder wel of niet acceptabel is. Omdat klager hen in de waan heeft gelaten dat van de fiscus geen gegevens te verkrijgen waren, is met dat aanbod slechts geprobeerd om in overleg met partijen tot een voor beiden aanvaardbare oplossing te komen.

4.      De beoordeling en de gronden daarvoor

Ter beoordeling staat of de notarissen zijn tekortgeschoten in hun jegens klager als erfgenaam in de nalatenschap van zijn op 24 januari 1986 overleden moeder in acht te nemen zorg- en informatieplicht en daarmee de in artikel 98, lid 1 van de Wet op het notarisambt neergelegde tuchtnorm hebben geschonden.

Daarbij dient te worden vooropgesteld, dat, voor zover de klacht betrekking heeft op het door klager verweten verzuim van het vaststellen van zijn wettelijk erfdeel ten tijde van het overlijden van zijn moeder, omdat hij toen nog minderjarig was, dit verwijt, wat daar materieel inhoudelijk van zij, niet de notarissen, maar de ambtsvoorganger van notaris mr. [naam1] raakt. Buiten dat kan klager niet in dit klachtonderdeel worden ontvangen, nu hij dit verwijt ruimschoots na het verstrijken van de in artikel 99, lid 3 Wna genoemde klachttermijn van drie jaar heeft ingediend. Een voor die zeer late indiening van dit klachtonderdeel geldende rechtvaardigingsgrond is gesteld noch gebleken.

Wat betreft de overige klachtonderdelen geldt naar het oordeel van de kamer het navolgende.

Door de notarissen is in voldoende mate aannemelijk gemaakt, dat zij al datgene hebben gedaan wat in hun vermogen lag om te kunnen komen tot het vaststellen van klagers erfdeel en dat van zijn broer in de nalatenschap van hun moeder. Aan de notarissen stonden geen boedelgevens ter beschikking, zodat zij klager terecht hebben gewezen op de omstandigheid dat hun erfdeel diende te worden vastgesteld aan de hand van de destijds niet door hun kantoor gedane successieaangifte. Omdat hun inspanningen voor het verkrijgen van een kopie van die aangifte tot geen resultaat hebben geleid, hebben zij naar aanleiding van het door klager uitgesproken vermoeden wat zijn moeder aan geldmiddelen had nagelaten, contact opgenomen met klagers stiefmoeder en een op basis van dit vermoeden door haar gedaan aanbod tot betaling van de erfdelen aan klager overgebracht. Dit lag ook ter oplossing van de kwestie in de rede.

Naar de notarissen achteraf terecht hebben geconstateerd heeft klager, althans zijn toenmalige advocaat, wel de hand weten te leggen op een kopie van de successieaangifte. De omstandigheid dat klager daarvan aan de notarissen geen melding heeft gemaakt en hen of een van hen niet in de gelegenheid heeft gesteld aan de hand daarvan de erfdelen te berekenen, moet geheel voor rekening van klager worden gelaten. Daarmee ontvalt aan dit klachtonderdeel iedere deugdelijke feitelijke grondslag.

Ook moet notaris mr. [naam2] worden gevolgd in zijn standpunt, dat klager, die -naar niet ter discussie staat- door zijn onterving geen rechten kan ontlenen aan de door zijn vader herroepen testamenten, een onvoldoende zwaarwegend belang heeft aangevoerd voor de inzage van die testamenten. Juist is de opvatting van notaris mr. [naam2] dat de enkele

Kl. 5/2012                                                                   pagina 4

beslissing d.d. 10 december 2012

omstandigheid, dat klager die inzage wenst voor het kunnen vaststellen van zijn erfdeel in de nalatenschap van zijn moeder, voor het verlenen van die inzage onvoldoende is. De notaris heeft zich dan ook ter zake op juiste grond beroepen op zijn geheimhoudingsplicht. Daarnaast is gebleken dat de notaris klager alsnog is tegemoet gekomen door aan hem een kopie van het laatste testament van zijn vader te verstrekken.

Bij dit alles verdient nog opmerking, dat klager er kennelijk vanuit gaat dat zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder dient te worden begroot op basis van hetgeen zij op het moment van haar overlijden aan vermogen achterliet. Klager miskent daarmee echter dat ingevolge het testament van zijn moeder, een zogeheten langstlevende testament, het klagers vader tijdens zijn leven vrijstond dit vermogen naar eigen goeddunken aan te wenden.

Dit alles maakt dat de klacht ongegrond is.

5.      De beslissing

De kamer van toezicht

verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 10 december 2012 door mrs. C.J.G.M. van der Weide, plaatsvervangend voorzitter, C. Wallis, H. Quispel, J. Kos en L.J.M. Teunissen, allen leden, in tegenwoordigheid van A.C.L.M. de Jong, secretaris, en in het openbaar uitgesproken.

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de kamer van toezicht over de notarissen

en de kandidaat-notarissen te Breda.

Tegen deze beslissing kan binnen 30 dagen na de dag van verzending van de brief waarbij de beslissing is toegezonden hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam