ECLI:NL:TGZRZWO:2026:98 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8577
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:98 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 26-06-2026 |
| Datum publicatie: | 30-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8577 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een gezondheidszorg-psycholoog kennelijk ongegrond. De gz-psycholoog heeft in civielrechtelijk kader een forensisch onderzoek gedaan, wat heeft geleid tot onder andere een deelrapport over klagers minderjarige zoon. Klager is het, samengevat, niet eens met de inhoud en totstandkoming van dit rapport. Het college oordeelt dat de gz-psycholoog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 26 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
gezondheidszorgpsycholoog, hierna ook: gz-psycholoog,
verweerster,
werkzaam te D,
gemachtigde: mr. A.F. Maatje.
1. De zaak in het kort
1.1 De gz-psycholoog heeft in civielrechtelijk kader een forensisch onderzoek
gedaan, wat heeft geleid tot onder andere een deelrapport over klagers minderjarige
zoon. Klager is het, samengevat, niet eens met de inhoud en totstandkoming van dit
rapport.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht ontvankelijk is, maar kennelijk
ongegrond. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen
te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna
licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 juni 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 24 september 2025;
- de repliek, ontvangen op 14 oktober 2025;
- de dupliek, ontvangen op 2 december 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 24 maart 2026.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
2.3 Klager heeft gelijktijdig met deze klacht, ook een klacht tegen de betrokken
orthopedagoog-generalist ingediend. Deze zaak staat geregistreerd onder zaaknummer
Z2025/8578. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
3. De feiten
3.1 Klager en zijn ex-partner zijn ouders van een minderjarige zoon. Hij is geboren
in 2019. Klager heeft gezag en er is sprake van omgang. Er was een ondertoezichtstelling
van kracht vanaf april 2021, die telkens met een jaar werd verlengd. Op verzoek van
E te F stelde verweerster, voor zover van belang, samen met een orthopedagoog-generalist
(verweerder in de zaak Z2025/8578) een forensisch orthopedagogisch onderzoek in naar
de ontwikkeling, functioneren en opvoedingsbehoeften van de zoon.
3.2 Naast dit onderzoek vond er ook een onderzoek plaats naar onder andere
de persoonlijkheid en/of pedagogische vaardigheden van klager alsmede van de moeder,
haar andere ex-partner (de vader van haar dochter) en hun dochter. Uiteindelijk werd
het totale onderzoek weergegeven in vijf rapportages, die in onderlinge samenhang
dienden te worden gelezen en geïnterpreteerd. De onderzoeken van de ouders zijn onder
verantwoordelijkheid van verweerster als gz-psycholoog uitgevoerd. De rapportages
van beide kinderen zijn onder verantwoordelijkheid van verweerder in de zaak Z2025/8578
uitgevoerd. Uit het rapport volgt dat binnen de onderzoeksopdracht intensief is samengewerkt
door beide onderzoekers.
3.3 Als probleemanalyse en aanleiding van het onderzoek in het rapport over
klagers zoon werd, voor zover van belang, als onderzoeksdoel beschreven (alle citaten
letterlijk overgenomen):
“Welke opvoedsituatie en zorgregeling/verdeling komt het meest tegemoet aan het creëren
van een duurzaam veilige opvoedsituatie voor (…) en [RTG: zoon klager] en welke hulpverlening
moet in het belang van hun ontwikkeling gericht op hunzelf of op hun opvoeders worden
ingezet zodat zij zich het meest optimaal kunnen ontwikkelen?”
3.4 Op 8 april 2024 diende klager een tuchtklacht in tegen verweerster over het rapport voor zover dit op hem persoonlijk betrekking had. Bij beslissing van 8 april 2025 werd deze klacht (onder zaaknummer Z2024/7098, geregistreerd onder ECLI:NL:TGZRZWO:2025:45) door het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle gegrond verklaard en werd aan verweerster de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Het college betrok bij deze beoordeling dat verweerster op basis van beperkte observaties vrij stellige beweringen over klager had geuit. Daarnaast werd het door klager geformuleerde klachtonderdeel ‘slordigheden in rapportage’ gegrond verklaard. Klager diende vervolgens een tuchtklacht in over het rapport dat betrekking heeft op zijn minderjarige zoon.
4. De klacht en de reactie van de gz-psycholoog
4.1 Klager verwijt de gz-psycholoog dat zij:
- een onzorgvuldig onderzoek heeft uitgevoerd;
- conclusies heeft getrokken op basis van aannames en zonder bronvermelding. Tevens zijn deze conclusies onvoldoende onderbouwd;
- suggestieve taal heeft gebruikt door de term ‘gevangenenuitruil’ te gebruiken;
- een feitelijke onjuistheid, ondanks een melding, niet heeft gecorrigeerd.
4.2 De gz-psycholoog heeft het college primair verzocht de klager niet-ontvankelijk
te verklaren en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen, omdat klagers zoon jonger
is dan 16 jaar en beide gezaghebbende ouders moeten instemmen met deze tuchtklacht.
Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de gz-psycholoog
het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid
5.1 Verweerster heeft naar voren gebracht dat klager niet-ontvankelijk is in
de klacht, omdat uit het klaagschrift niet blijkt dat zijn ex-partner instemt met
deze klacht die gaat over het rapport met betrekking tot hun minderjarige zoon. Het
college komt tot het oordeel dat klager wel ontvankelijk is. Volgens artikel 65, eerste
lid, aanhef en onder a, van de Wet op de individuele beroepen in de individuele gezondheidszorg
(Wet BIG) wordt een zaak in eerste aanleg aanhangig gemaakt door indiening van een
klaagschrift door een rechtstreeks belanghebbende. Ouders van een minderjarige cliënt
zijn als wettelijk vertegenwoordigers aan te merken als rechtstreeks belanghebbenden.
Uit artikel 7:447 lid 3 Burgerlijk Wetboek volgt dat de minderjarige patiënt die jonger
is dan 16 jaar, vanwege zijn jeugdige leeftijd in beginsel geacht wordt niet in staat
te zijn tot een behoorlijke waarneming van zijn belangen op dit punt. Daarom zijn
in dat geval in beginsel alleen zijn wettelijke vertegenwoordigers daartoe bevoegd.
De zoon was op het moment van indienen van de klacht vijf jaar. Het college is daarom
van oordeel dat klager als wettelijk vertegenwoordiger van de zoon als rechtstreeks
belanghebbende kan worden beschouwd en daarom bevoegd is de klacht in te dienen. De
Wet BIG biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat beide gezaghebbende ouders
met de tuchtklacht moeten instemmen.
5.2 Het college zal de klacht daarom verder inhoudelijk bespreken.
De criteria voor de beoordeling
5.3 Het college toetst of de gz-psycholoog heeft gehandeld zoals van haar verwacht
mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk handelende en redelijk bekwame gz-psycholoog.
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de gz-psycholoog geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen
handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het
uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun
eigen handelen. Omdat tijdens het mondeling vooronderzoek is gebleken dat de orthopedagoog-generalist
de eindverantwoordelijkheid voor dit rapport droeg, maar dat intensief is samengewerkt
in dit rapport en sommige onderdelen door beiden geschreven zijn, valt er geen duidelijke
scheidslijn te maken tussen de verantwoordelijkheid van beide zorgverleners. Het college
zal hier bij de beoordeling dan ook geen onderscheid in maken.
5.4 Volgens vaste jurisprudentie zijn er de volgende eisen die aan een rapportage
worden gesteld: 1. Het rapport vermeld de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop
het berust; 2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om
de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; 3. In het rapport wordt op inzichtelijk
een consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte
literatuur en de geconsulteerde personen; 5. De rapporteur blijft binnen de grenzen
van zijn deskundigheid. Het college toetst ten volle of het onderzoek door de gz-psycholoog
uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets kan
doorstaan. Daarnaast toetst het college of de gz-psycholoog in redelijkheid tot haar
conclusie heeft kunnen komen (vgl. ECLI:NL:TGCTG:2021:19).
5.5 Het college oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld en zal dat hieronder nader uitleggen.
Klachtonderdeel a) onzorgvuldig onderzoek
5.6 Volgens klager heeft verweerster een onzorgvuldig onderzoek uitgevoerd door de dramadriehoek als diagnostisch kader te gebruiken en onvoldoende balans te brengen in de weging van informatie van de ouders. Verweerster schrijft in haar verweer dat de dramadriehoek is opgenomen in het rapport als theoretisch model ter ondersteuning van het beeld, en nadrukkelijk niet als diagnostisch kader.
5.7 Het college erkent dat verweerster in het rapport explicieter had kunnen
benadrukken dat de hiervoor genoemde dramadriehoek geen diagnostisch model was, maar
een middel om een communicatiedynamiek te beschrijven. In zijn algemeenheid is de
‘dramadriehoek’ een goed hulpmiddel om systemisch verstoorde/schadelijke communicatiepatronen
te beschrijven binnen een gezin of tussen gezinsleden. Op deze manier is het ook in
het rapport van verweerster gebruikt, zodat van een tuchtrechtelijk verwijt geen sprake
is. Uit de lijst met beschikbare en geraadpleegde stukken volgt verder dat klager
een aantal stukken heeft aangeboden die niet bij het onderzoek zijn betrokken, omdat
deze geen betrekking hebben op hem of zijn zoon, en van een andere brief ontbreekt
de herkomst en datering. Dit wil echter niet zeggen dat onvoldoende balans is geweest
in de weging van de informatie van beide ouders. Het college stelt vast dat met een
groot aantal informanten is gesproken, waaronder de grootouders en huisarts van de
zoon en G. Ook met de leerkracht van de zoon is gesproken. Van een onevenwichtige
selectie van informatie is naar het oordeel van het college geen sprake. Dat de informatie
die door klager is aangedragen niet is meegewogen omdat deze geen betrekking heeft
op de zoon is navolgbaar. Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) conclusies op basis van aannames en zonder bronvermelding
5.8 Klager benoemt in zijn klaagschrift een aantal zinnen waarvan hij stelt
dat deze zijn gebaseerd op vermoedens of toekomstvoorspellingen zonder empirische
onderbouwing. Het college stelt vast dat, ondanks dat klager in een tweede schriftelijke
ronde en tijdens het mondeling vooronderzoek in de gelegenheid is gesteld te reageren
op de weerlegging van dit verwijt door verweerster, grotendeels heeft nagelaten te
duiden waar de desbetreffende passages zich zouden bevinden in het rapport. De beschrijving
van de overdrachtsmomenten van de zoon, acht het college voldoende zorgvuldig en passend
binnen de deskundigheid van verweerster. Tot slot is, anders dan klager stelt, op
pagina 12 van het rapport G wel als bronvermelding genoemd waar de informatie betreffende
de overdrachtsmomenten vandaan komt. Ook dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c) suggestief taalgebruik
5.9 Volgens klager is de term ‘gevangenenuitruil’ die in het rapport genoemd wordt om de overdracht van de zoon tussen zijn ouders te beschrijven, subjectief en emotioneel geladen en onprofessioneel binnen een forensisch kader. Volgens verweerster heeft zij hiermee op indringende wijze duidelijk willen maken dat de wijze van overdracht tussen ouders potentieel schadelijk kan zijn voor de zoon.
5.10 Het college stelt vast dat deze woordkeuze wellicht minder handig gekozen
is, echter kan hieruit geen tuchtrechtelijk verwijt worden geabstraheerd. Uit de informatie
van G blijkt afdoende hoe dit overdrachtmoment feitelijk ging, namelijk: “bij vader
is de camera in de auto van vader. Deze wordt gebruikt bij het overdrachtsmoment naar
moeder. Moeder heeft op haar beurt dan een telefoon in de hand of in de vensterbank
die de situatie filmt. De overdracht zelf wordt als een schouwspel omschreven, waarbij
vader [zoon] zijn speelgoedmand en [zoon] voor de voordeur van moeder wordt gezet,
vader loopt dan terug naar het trottoir en kijkt op afstand naar [zoon]. Op het moment
dat vader terug is gelopen doet moeder pas de voordeur open. Er is tussen beide ouders
dan geen enkele communicatie.” Door gebruik te maken van beeldend taalgebruik, en
te schrijven dat: “Vooral de overdrachtsmomenten, waarin beide ouders een routine
ontwikkeld hebben die veel wegheeft van een gevangenen uitruil, is voor [zoon] beschadigend”
heeft verweerster voldoende nuance aangebracht in het rapport en het college heeft
er oog voor dat verweerster ook de ernst van de feitelijke situatie voldoende naar
voren wenste te brengen.
Klachtonderdeel d) niet corrigeren feitelijke onjuistheid
5.11 Als laatste verwijt klager verweerster dat zij een feitelijke onjuistheid
in het rapport (de weergave van een verkeerde naam op pagina twee van het rapport)
ondanks zijn verzoek daartoe, niet heeft gecorrigeerd. Uit de definitieve versie van
het rapport, zoals deze bij het verweerschrift is gevoegd, blijkt echter dat deze
verschrijving wel is gecorrigeerd. Tijdens het mondeling vooronderzoek heeft verweerster
uitgelegd dat zij het aangepaste rapport heeft ingeleverd bij het NIFP. Het NIFP geeft
dit vervolgens door aan de Gecertificeerde Instelling, die weer zorgt voor de verspreiding.
Het college kan niet vaststellen waar in deze werkwijze toch een fout in de verspreiding
zou zijn geslopen, waardoor een correctie uiteindelijk niet zou zijn doorgevoerd.
Maar hieruit kan evenmin een tuchtrechtelijk verwijt jegens verweerster worden afgeleid,
waardoor dit laatste klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.
Slotsom
5.12 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de inhoud van het rapport de tuchtrechtelijke toets kan doorstaan en alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 26 juni 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, L.P.T. Raijmakers en N.J. Kroon, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
c. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.