We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2026:97 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8130

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:97
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 22-06-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8130
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Verweerster was vanaf 2016 als verpleegkundige en praktijkondersteuner somatiek betrokken bij behandeling van klaagsters hoge bloeddruk en de controle van haar verhoogde cholesterol. Bij een controle in oktober 2023 bleek dat het LDL-cholesterol van klaagster verhoogd was. Klaagster verwijt verweerster dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende rekening te houden met de risico’s van een familiair verhoogde cholesterolgehalte en ten onrechte hiervoor een DNA onderzoek te weigeren. Ze heeft klaagster te laat door de huisarts laten doorverwijzen naar de afdeling cardiologie van het ziekenhuis. Na onderzoek aldaar bleek bij klaagster sprake van fors vernauwde kransslagaders waarvoor zij een dotterbehandeling heeft ondergaan. Het college komt tot het oordeel dat de verpleegkundige niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, onder meer omdat de verpleegkundige niet bekend was met de door klaagster gestelde- maar verder niet onderbouwde- aanwezige familiaire hypercholesterolemie en de verpleegkundige conform de daarvoor geldende richtlijnen heeft gehandeld.  


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 22 juni 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

F,

verpleegkundige,

werkzaam in B,

verweerster, hierna ook: de verpleegkundige,

gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
 

1.1     De verpleegkundige was vanaf 2016 als verpleegkundige en praktijkondersteuner somatiek betrokken bij de behandeling van klaagsters hoge bloeddruk en de controle van haar verhoogde cholesterol. Bij een controle in oktober 2023 bleek dat het LDL cholesterol van klaagster verhoogd was. Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende rekening te houden met de risico’s van een familiair verhoogde cholesterolgehalte en ten onrechte hiervoor een DNA onderzoek te weigeren. Ze heeft klaagster te laat door de huisarts laten doorverwijzen naar de afdeling cardiologie van het ziekenhuis. Na onderzoek aldaar bleek bij klaagster sprake van fors vernauwde kransslagaders waarvoor zij een dotterbehandeling heeft ondergaan.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat de verpleegkundige niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 februari 2025;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 februari 2025;
  • het verweerschrift, ontvangen op 17 april 2025;
  • de repliek met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2025;
  • de dupliek, ontvangen op 26 juni 2025;
  • de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 17 juli 2025;
  • het proces-verbaal van het op 19 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
  • de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 23 september 2025;
  • het medisch dossier, ontvangen op 20 oktober 2025;
  • de brief van de gemachtigde van de verpleegkundige, ontvangen op 28 oktober 2025.

2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 21 april 2026. Ter zitting is deze zaak gezamenlijk behandeld met de klacht die is ingediend tegen twee huisartsen uit de praktijk waar de verpleegkundige werkzaam is. De partijen zijn verschenen. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Mede namens de verpleegkundige is een pleitnotitie voorgelezen die aan het college en de andere partij is overhandigd.

2.3     Op 26 mei 2026 heeft klaagster twee wrakingsverzoeken ingediend. Een verzoek gericht tegen de coördinerend secretaris van het tuchtcollege is bij beslissing van het wrakingscollege van 5 juni 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat alleen leden van het tuchtcollege kunnen worden gewraakt. Het andere verzoek is behandeld op 2 juni 2026 tijdens een digitale zitting, waarbij klaagster, hoewel daarvoor uitgenodigd, niet aanwezig was. Het verzoek werd ingegeven door de beslissing van het college om de door klaagster toegezonden aanvullende stukken, waaronder een nadere toelichting op en correctie van het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026, niet meer bij de beoordeling te willen betrekken. Bij beslissing van 5 juni 2026 is het wrakingsverzoek door het wrakingscollege afgewezen. Naar het oordeel van het wrakingscollege was de beslissing om de aanvullingen op het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026 niet meer aan het procesdossier te willen toevoegen, een procesbeslissing die in het licht op artikel 13 van het Reglement van orde van de Regionale Tuchtcolleges, niet onbegrijpelijk was. Vanwege het wrakingsverzoek is de onderhavige uitspraak die uitgesproken zou worden op 2 juni 2026, enige tijd aangehouden.

3. De feiten
 

3.1     Klaagster, geboren in 1960, is patiënte in de huisartsenpraktijk waar de verpleegkundige, als praktijkondersteuner somatiek werkzaam is. Klaagster is bekend met een verhoogd cholesterol en een hoge bloeddruk. Zij is hiervoor sinds 2007 tweejaarlijks onder controle.
 

3.2     Vanaf 2016 werden de controles uitgevoerd door de verpleegkundige. Bij de intake noteerde de verpleegkundige in het dossier dat sprake was van familiaire belasting vanwege klaagsters vader die voor zijn zestigste levensjaar hartinfarcten had en haar zus die bekend was met een verhoogd cholesterol en hiervoor een statine gebruikte. Het risico bij klaagster werd vanwege de gunstige LDL/HDL ratio tijdens controles in de jaren daaropvolgend steeds laag ingeschat, waardoor verwijzing of medicamenteuze behandeling uitbleef.
 

3.3     Bij controle op 10 oktober 2023 bleek het totale cholesterolgehalte bij klaagster 7,9, waarvan het LDL cholesterol 5.1 was. De LDL/HDL ratio was nog steeds gunstig. De verpleegkundige heeft het risico op hart-en vaatziekten met het programma U-prevent berekend, dat was 2,7%. Klaagster maakte zich zorgen, mede door de familiaire belasting, omdat haar zus, die behandeld werd voor een te hoog cholesterol, in juli 2022 plotseling was overleden met als oorzaak mogelijk hartfalen of een aneurysma. Klaagster heeft tijdens het consult gevraagd om een DNA-onderzoek, maar de verpleegkundige vond dit niet nodig. Er werd afgesproken om over drie tot zes maanden nogmaals het cholesterol te prikken en in de tussentijd nog wat extra leefstijlaanpassingen te doen. Indien het LDL cholesterol bij de volgende controle nog niet was gedaald zou met een statine kunnen worden gestart.

3.4       Klaagster vroeg op 16 oktober 2023 per e-mail aan de verpleegkundige nogmaals of een DNA-onderzoek toch niet aangewezen was, gezien de situatie in haar familie en het overlijden van haar zus in het jaar daarvoor. Klaagster stelde voor om medio december nogmaals bloed te prikken en afhankelijk van de uitslag daarvan eventueel een DNA-onderzoek te doen.

3.5     De verpleegkundige heeft hierop op 17 oktober 2023 per e-mail laten weten:

“(..) Een DNA is niet vlg. stap. Doen ze nooit eigenlijk. Als je v kinds af aan een totaal chol.>8 had gehad hadden we je geadviseerd je familie leden uit de 1e lijn dit te laten testen die nog nooit bloed hebben geprikt. (..) Natuurlijk kun je in dec, je bloed nog eens controleren. En bekijken we dan of medicatie nodig is. Ik zal ook nog even met D [een van de huisartsen] overleggen.(..)

3.6       Op 4 januari 2024 ontving klaagster een e-mail van de verpleegkundige met de uitslag van het cholesterol bloedonderzoek dat klaagster de dag ervoor had laten doen. Op dat moment was haar totale cholesterolgehalte gedaald naar 6,8 en de LDL was 4.1.
 

3.7       Op 9 januari 2024 had de verpleegkundige telefonisch contact met klaagster. Hieruit kwam naar voren dat de zorgen bij klaagster niet waren weggenomen, vooral omdat zij al alle mogelijke leefstijlaanpassingen had gedaan en haar LDL cholesterol wel wat was gedaald, maar nog steeds aan de hoge kant bleef. Afgesproken werd om met de statines te starten.

3.8      Klaagster liet per e-mail van 14 januari 2024 weten de statines nog niet te zijn

gestart en dat de cardiologen uit haar kennissenkring, die zij had geraadpleegd, adviseerden om nader onderzoek te laten doen. Ook vermeldde klaagster dat de huisarts van haar zus haar had laten weten dat haar zus voordat ze plotseling overleed cholesterolverlagers slikte, omdat zij erfelijk belast was. Klaagster maakte zich zorgen over de aanwezigheid van familiaire hypercholesterolemie. De verpleegkundige heeft klaagster hierop gebeld en overleg gehad met de waarnemend huisarts.

3.9     De waarnemend huisarts heeft klaagster daarop, op 16 januari 2024 in eerste instantie doorgestuurd naar G te H voor nader onderzoek in verband met mogelijk familiaire hypercholesterolemie. Klaagster is op haar verzoek diezelfde middag door de waarnemer naar I te B gestuurd.

3.10     Na onderzoek in I bleek sprake van ernstige coronaire stenose en na een hartcatheterisatie bleek sprake van ernstige stenose (90%) RCx kransslagader en dubieus hoge stenose (51-70%) LAD kransslagader. Klaagster is in verband hiermee op 22 maart 2023 met spoed gedotterd in J te K, waarbij een DES stent is geplaatst.

4. De klacht en de reactie van de verpleegkundige
 

4.1     Klaagster verwijt de verpleegkundige dat zij:

  1. stuctureel heeft nagelaten de medische voorgeschiedenis bij de diagnostiek te betrekken;
  2. onvoldoende en onjuiste dossiervorming heeft gevoerd en haar informatieplicht heeft geschonden;
  3. geweigerd heeft nader onderzoek te verrichten en dat zij niet met een arts heeft overlegd;
  4. een onjuiste risicoanalyse heeft uitgevoerd, niet met de huisarts heeft overlegd en geweigerd heeft nader onderzoek te laten doen ondanks herhaalde signalen.

4.2     De verpleegkundige heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De verpleegkundige heeft volgens de richtlijnen gehandeld en wel rekenschap gegeven van de familiaire voorgeschiedenis en dit bij het eerste contact ook in het dossier opgenomen. Er was geen sprake van een verhoogd risico omdat de uitslagen altijd buiten de gevarenzone zijn gebleven, zowel via U-prevent als het NHG-Standaard Cardio Vasculair Risico Management, hierna de NHG-standaard CVRM. Er was daarom geen reden voor een verwijzing en ook niet voor DNA-onderzoek.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5.    De overwegingen van het college


De criteria voor de beoordeling

5.1       De vraag is of de verpleegkundige de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verpleegkundige. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) Het structureel nalaten van het betrekken van de medische voorgeschiedenis bij de diagnostiek.

5.2       Naar het oordeel van het college is hier geen sprake geweest van het structureel  nalaten van het betrekken van de medische voorgeschiedenis bij de diagnostiek. De verpleegkundige was bekend met de familiaire voorgeschiedenis en heeft die ook in acht genomen. Dit blijkt uit het patiëntendossier waarin de verpleegkundige melding heeft gemaakt van de familiaire voorgeschiedenis. Het feit dat er bij klaagster sprake is van een DNA-afwijking was de verpleegkundige, zo heeft zij desgevraagd tijdens de zitting ook verklaard, niet bekend. De enkele, niet onderbouwde, stelling van klaagster dat zij van deze DNA-afwijking wel melding heeft gemaakt, is onvoldoende om daarvan uit te kunnen gaan. Het verwijt, zoals klaagster dat de verpleegkundige maakt in dit klachtonderdeel, treft geen doel en dit klachtonderdeel is om die reden ongegrond.

Klachtonderdeel b) Onvoldoende/onjuiste dossiervoering en het schenden van de informatieplicht.

5.3      Ook dit klachtonderdeel is naar het oordeel van het college ongegrond. Uitgaande van het gegeven dat de DNA-afwijking van klaagster bij de verpleegkundige niet bekend was heeft de verpleegkundige terecht de NHG-Standaard CVRM gevolgd en kon zij gebruik maken van U-prevent teneinde het risico bij klaagster te berekenen. De verpleegkundige heeft de betreffende informatie steeds in het dossier opgenomen. Van het onvoldoende en onjuist dossier voeren is geen sprake. Dit geldt ook voor het volgens klaagster schenden van de informatieplicht door de verpleegkundige. De verpleegkundige heeft klaagster telkens, gelet op de verkregen uitslagen, van adequate informatie voorzien. Er was, gemeten met de gebruikelijke instrumenten (U-prevent) en in aanmerking nemende de niet-verhoogde bloeddruk van klaagster, geen sprake van een verhoogd risico. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is bij dit klachtonderdeel geen sprake. Klachtonderdeel b) is ongegrond.

Klachtonderdelen c) en d) Weigering nader onderzoek te verrichten, niet overleggen met een arts en het uitvoeren van een onjuiste risico-analyse.

5.4       Het college zal hierna beide klachtonderdelen, gelet op de onderlinge samenhang daarvan, gezamenlijk bespreken. Dat de verpleegkundige niet met een (huis)arts zou hebben overlegd over klaagster is niet juist. Tijdens de openbare zitting is dit overleg desgevraagd bevestigd. Evenmin is vast komen te staan dat de verpleegkundige geweigerd zou hebben nader onderzoek te verrichten, nu klaagster na het genoemde overleg is verwezen voor nader onderzoek. Met betrekking tot het uitvoeren van een onjuiste risico-analyse verwijst het college naar hetgeen hiervoor bij de bespreking van klachtonderdeel b) is overwogen. De verpleegkundige heeft het risico van klaagster volgens de regelen der kunst ingeschat en heeft daarbij de hiervoor genoemde NHG-Standaard CVRM gevolgd. Alles overziende komt het college tot het oordeel dat ook de klachtonderdelen c) en d) ongegrond zijn.

Slotsom

5.5     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6.      De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, B. Nijhuis-Prigge en B.F.A. Goosselink, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door A. Tingen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter


 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.