ECLI:NL:TGZRZWO:2026:96 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8129
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:96 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8129 |
| Onderwerp: | Niet of te laat verwijzen |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling van haar verhoogde cholesterol in de huisartsenpraktijk waar de huisarts, als waarnemer werkzaam was. De waarnemend huisarts was alleen betrokken bij de doorverwijzing naar de afdeling cardiologie, die diezelfde dag door de huisarts is veranderd in een verwijzing naar het ziekenhuis dat klaagsters voorkeur had. Klaagster verwijt de huisarts kortgezegd dat zij een onzorgvuldige en onlogische doorverwijzing heeft gedaan en hiervoor aantoonbaar en bewust onjuiste redenen heeft opgegeven. Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is, omdat de verwijzing niet onjuist was en van het opgeven van onjuiste redenen hiervoor niet gebleken is. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 22 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
E,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling van haar verhoogde cholesterol in de huisartsenpraktijk waar de huisarts, als waarnemer werkzaam was. De huisarts was alleen betrokken bij de doorverwijzing naar de afdeling cardiologie. In eerste instantie heeft de huisarts klaagster verwezen naar G. Diezelfde middag heeft de huisarts de verwijzing op verzoek van klaagster aangepast naar een verwijzing naar de cardiologen van I. Na onderzoek aldaar bleek bij klaagster sprake van fors vernauwde kransslagaders waarvoor zij een dotterbehandeling heeft ondergaan. Klaagster verwijt de huisarts kortgezegd dat zij een onzorgvuldige en onlogische doorverwijzing heeft gedaan en dat zij hiervoor aantoonbaar en bewust onjuiste redenen heeft gegeven.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 februari 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 februari 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 4 april 2025;
- de repliek met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2025;
- de dupliek, ontvangen op 26 juni 2025;
- de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 17 juli 2025;
- het proces-verbaal van het op 19 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 23 september 2025;
- het medisch dossier, ontvangen op 20 oktober 2025;
- de brief van de gemachtigde van de huisarts, ontvangen op 28 oktober 2025.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren.
2.3 Op 26 mei 2026 heeft klaagster twee wrakingsverzoeken ingediend. Een verzoek gericht tegen de coördinerend secretaris van het tuchtcollege is bij beslissing van het wrakingscollege van 5 juni 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat alleen leden van het tuchtcollege kunnen worden gewraakt. Het andere verzoek is behandeld op 2 juni 2026 tijdens een digitale zitting, waarbij klaagster, hoewel daarvoor uitgenodigd, niet aanwezig was. Het verzoek werd ingegeven door de beslissing van het college om de door klaagster toegezonden aanvullende stukken, waaronder een nadere toelichting op en correctie van het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026, niet meer bij de beoordeling te willen betrekken. Bij beslissing van 5 juni 2026 is het wrakingsverzoek door het wrakingscollege afgewezen. Naar het oordeel van het wrakingscollege was de beslissing om de aanvullingen op het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026 niet meer aan het procesdossier te willen toevoegen, een procesbeslissing die in het licht op artikel 13 van het Reglement van orde van de Regionale Tuchtcolleges, niet onbegrijpelijk was. Vanwege het wrakingsverzoek is de onderhavige uitspraak die uitgesproken zou worden op 2 juni 2026, enige tijd aangehouden.
3. De feiten
3.1 Klaagster geboren in 1960 is patiënt in de huisartsenpraktijk waar de huisarts
ten tijde van de klacht werkzaam was als waarnemend huisarts. Klaagster is bekend
met een verhoogd cholesterol en een hoge bloeddruk.
3.2 Vanaf 2016 werden in het kader van de behandeling van de verhoogde bloeddruk, cholesterolcontroles uitgevoerd bij klaagster door de praktijkondersteuner. Klaagster heeft in de periode 2016 tot 2023 een aantal consulten gehad bij de praktijkondersteuner waarbij haar cholesterol een aantal keren te hoog was.
3.3 Bij controle van de praktijkondersteuner op 10 oktober 2023 bleek het totale
cholesterolgehalte bij klaagster 7.9, waarvan het LDL cholesterol 5.1 was. De LDL/HDL
ratio was nog steeds gunstig. De praktijkondersteuner heeft het risico op hart-en
vaatziekten met het programma U-prevent berekend, dat was 2,7%. Klaagster maakte zich
zorgen, mede door de familiaire belasting, omdat haar zus, die behandeld werd voor
een te hoog cholesterol, in juli 2022 plotseling was overleden met als oorzaak mogelijk
hartfalen of een aneurysma. Klaagster heeft tijdens het consult gevraagd om een DNA-onderzoek,
maar de praktijkondersteuner vond dit niet nodig. Er werd afgesproken om over drie
tot zes maanden nogmaals het cholesterol te prikken en in de tussentijd nog wat extra
leefstijlaanpassingen te doen. Indien het LDL cholesterol bij de volgende controle
nog niet was gedaald zou met een statine kunnen worden gestart.
3.4 Op 4 januari 2024 ontving klaagster een e-mail van de praktijkondersteuner
met de uitslag van het cholesterol bloedonderzoek dat klaagster de dag ervoor had
laten doen. Op dat moment was haar totale cholesterolgehalte gedaald naar 6,8 en het
LDL was 4.1.
3.5 Op 9 januari 2024 had de praktijkondersteuner telefonisch contact met klaagster. Hieruit kwam naar voren dat de zorgen bij klaagster niet waren weggenomen, vooral omdat zij al alle mogelijke leefstijlaanpassingen had gedaan en haar LDL cholesterol wel wat was gedaald, maar nog steeds aan de hoge kant bleef. Afgesproken werd om toch met een statine te starten.
3.6 Klaagster liet per e-mail van 14 januari 2024 weten de statine niet te zijn gestart en dat de cardiologen uit haar kennissenkring adviseerden om nader onderzoek te laten doen. Ook vermeldde klaagster dat de huisarts van haar zus haar had laten weten dat haar zus voordat ze plotseling overleed cholesterolverlagers slikte, omdat zij erfelijk belast was. Klaagster maakte zich zorgen over de aanwezigheid van familiaire hypercholesterolemie. De praktijkondersteuner heeft klaagster hierop gebeld en overleg gehad met de huisarts.
3.7 Op 16 januari 2024 heeft de huisarts klaagster gebeld. De huisarts heeft klaagster verwezen naar G te H. De toegangstijd in Zorgdomein bedroeg daar tweeëndertig dagen. Hierna heeft klaagster telefonisch verzocht om de verwijzing aan te passen naar I te B, hierna het ziekenhuis, de toegangstijd bedroeg in Zorgdomein acht dagen. De huisarts heeft de verwijzing hierop aangepast en diezelfde dag klaagster verwezen naar het ziekenhuis.
3.8 Na onderzoek in I bleek sprake van ernstige coronaire stenose en na een hartcatheterisatie bleek sprake van ernstige stenose (90%) RCx kransslagader en dubieus hoge stenose (51-70%) LAD kransslagader. Klaagster is in verband hiermee op 22 maart 2023 met spoed gedotterd in J te K, waarbij een DES stent is geplaatst.
3.9 Op 17 april 2024 heeft klaagster een klacht ingediend bij de praktijk. De praktijkhoudend huisarts heeft twee gesprekken met klaagster gevoerd naar aanleiding van haar klacht. Hierna heeft klaagster een klacht ingediend bij de Stichting Klachten en Geschillen in de eerstelijnszorg (SKGE) en in het kader van bemiddeling hebben klaagster en de praktijkhoudend huisarts nog een tweetal briefwisselingen gevoerd. In de brief van de praktijkhoudend huisarts van 11 juli 2024 is voor zover van belang en letterlijk weergegeven het volgende opgenomen over de verwijzing op 16 januari 2024: “(..) Eerst naar G in H. Dr. [naam huisarts] heeft dat gedaan om het u makkelijk te maken omdat daar een korte wachttijd is en alle onderzoeken op 1 dag kunnen plaatsvinden. (..)” en in de brief van 1 augustus 2024: “ (..) In 2014 was het bovendien ook nog niet mogelijk om in I een hartscan te laten maken.Toen kon alleen een fietsproef (bij klachten) worden verricht en een hartkatheterisatie, waar in u geval geen indicatie voor was (te groot risico bij te kleine kans op afwijkingen). (..) Verder kwamen we bij bestuderen van uw dossier tot de conclusie dat: (..)Dr [naam huisarts] u heeft verwezen heeft naar G om snel duidelijkheid voor u te krijgen en de internist en cardioloog in I op dat moment een lange wachttijd had/heeft.”
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door haar
onlogisch en onjuist te verwijzen waardoor het stellen van een diagnose en behandeling
ernstig is vertraagd en de huisarts voor de verkeerde verwijzing bewust onjuiste redenen
heeft gegeven.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De
huisarts achtte de eerdere verwijzing naar G op dat moment het meest passend voor
klaagster, omdat G vroegdiagnostiek doet, waar in een ziekenhuis geen plaats voor
is. Omdat klaagster geen klachten had was de toegangstijd in Zorgdomein in dat opzicht
niet leidend. Van bewust verdoezelen van de reden voor de verwijzing is geen sprake.
Het was beter geweest als de huisarts zelf aan klaagster nog had uitgelegd dat en
waarom zij in eerste instantie gekozen heeft voor een verwijzing naar G, maar zij
is verder niet meer betrokken geweest bij de communicatie hierover naar klaagster
aangezien de praktijkhoudend huisarts dit verder op zich heeft genomen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
De doorverwijzing naar G en de redenen daarvoor
5.3 Het college kan de huisarts goed volgen in haar beweegreden om klaagster
in eerste instantie te verwijzen naar een kliniek waar vroegdiagnostiek vooropstond.
Er was immers geen sprake van klachten bij klaagster en van tweemaal een (kleine)
uitschieter in de cholesterolwaarden. Op dat moment hoefde de wachttijd daarom geen
doorslaggevende factor te zijn bij de doorverwijzing, maar was het aangewezen om te
kijken naar het meest passende zorgaanbod. Dat in het ziekenhuis bleek dat er sprake
was van een ernstig probleem met klaagsters kransslagaders kon de huisarts op het
moment van de verwijzing niet voorzien. Wel heeft zij direct gehandeld en de verwijzing
diezelfde dag nog aangepast toen bleek dat klaagster de voorkeur gaf aan het ziekenhuis.
Hoewel het college begrijpt dat dit alles voor klaagster heel ingrijpend is (geweest)
en ook dat zij zich met die kennis en wetenschap achteraf beklaagt over de doorverwijzing,
maakt niet dat de doorverwijzing op dat moment niet juist was. De praktijkhouder heeft
in het vervolgtraject de afhandeling van de onvrede van klaagster hierover verder
op zich genomen. Het college is het met de huisarts eens dat zij dit beter zelf in
een gesprek met klaagster nog had kunnen toelichten, maar van het door de huisarts
opgeven van bewust onjuiste redenen voor de verwijzing is het college gezien het voorgaande
niet gebleken.
Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht kennelijk ongegrond is.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 22 juni 2026 door W.P. Claus, voorzitter, G.S.H. Vegt en
M. van Bergeijk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door A. Tingen, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.