ECLI:NL:TGZRZWO:2026:95 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8127
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:95 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 22-06-2026 |
| Datum publicatie: | 22-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8127 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Ongegrond/afwijzing |
| Inhoudsindicatie: | Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling van haar verhoogde cholesterol in de huisartsenpraktijk van verweerder. Ze verwijt de huisarts dat zij bij het opvragen van haar medisch dossier is tegengewerkt en dat de huisarts het dossier onbeveiligd heeft laten versturen door de assistente via de praktijke-mail. Het college komt tot het oordeel dat alhoewel het dossier niet onbeveiligd had mogen worden verstuurd, de huisarts er in dit geval geen verwijt van kan worden gemaakt, omdat de assistente dit heeft gedaan zonder medeweten van de huisarts en in strijd met de geldende afspraken hierover in de praktijk, ook is niet duidelijk onder welke omstandigheden de assistente het dossier via de praktijke-mail heeft verzonden. Van tegenwerking bij het verstrekken van het dossier is het college niet gebleken. De klacht is ongegrond. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 22 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
D,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster heeft een klacht ingediend over de behandeling van haar verhoogde
cholesterol in de praktijk van de huisarts. Ze verwijt de huisarts dat zij bij het
opvragen van haar medisch dossier is tegengewerkt en dat de huisarts het dossier onbeveiligd
heeft laten versturen door de assistente via de praktijke-mail.
1.2 De huisarts heeft weersproken dat hij de verstrekking van het dossier van klaagster heeft tegengewerkt. De huisarts heeft de assistente de instructie gegeven om het dossier uit te printen. Door de assistente is in strijd met het in de praktijk geldende protocol het dossier via de praktijke-mail aan klaagster verstrekt. De huisarts is verder niet betrokken geweest bij de verzending van deze e-mail.
1.3 Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 februari 2025;
- het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 februari 2025;
- het verweerschrift, ontvangen op 8 april 2025;
- de repliek met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2025;
- de dupliek, ontvangen op 26 juni 2025;
- de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 17 juli 2025;
- het proces-verbaal van het op 19 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 23 september 2025;
- het medisch dossier, ontvangen op 20 oktober 2025;
- de brief van de gemachtigde van de huisarts, ontvangen op 28 oktober 2025.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 21 april 2026. Ter zitting is deze zaak gezamenlijk behandeld met de klacht die is ingediend tegen de collega praktijkhouder van de huisarts en de praktijkverpleegkundige. De partijen zijn verschenen. De huisarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en de gemachtigde van de huisarts hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De collega van de huisarts heeft pleitnotities voorgelezen, die door de gemachtigde aan het college en de andere partij zijn overhandigd.
2.3 Op 26 mei 2026 heeft klaagster twee wrakingsverzoeken ingediend. Een verzoek gericht tegen de coördinerend secretaris van het tuchtcollege is bij beslissing van het wrakingscollege van 5 juni 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat alleen leden van het tuchtcollege kunnen worden gewraakt. Het andere verzoek is behandeld op 2 juni 2026 tijdens een digitale zitting, waarbij klaagster, hoewel daarvoor uitgenodigd, niet aanwezig was. Het verzoek werd ingegeven door de beslissing van het college om de door klaagster toegezonden aanvullende stukken, waaronder een nadere toelichting op en correctie van het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026, niet meer bij de beoordeling te willen betrekken. Bij beslissing van 5 juni 2026 is het wrakingsverzoek door het wrakingscollege afgewezen. Naar het oordeel van het wrakingscollege was de beslissing om de aanvullingen op het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026 niet meer aan het procesdossier te willen toevoegen, een procesbeslissing die in het licht op artikel 13 van het Reglement van orde van de Regionale Tuchtcolleges, niet onbegrijpelijk was. Vanwege het wrakingsverzoek is de onderhavige uitspraak die uitgesproken zou worden op 2 juni 2026, enige tijd aangehouden.
3. De feiten
3.1 Klaagster geboren in 1960 is patiënt in de praktijk van de huisarts.
De huisarts is samen met zijn collega praktijkhouder. Klaagster is bekend met een
verhoogd cholesterol en een hoge bloeddruk.
3.2 Vanaf 2016 werden in het kader van de behandeling van de hypertensie, cholesterolwaarden
gecontroleerd door de praktijkondersteuner. Klaagster heeft in de periode 2016 tot
2023 een aantal consulten gehad bij de praktijkondersteuner waarbij haar cholesterol
een aantal keren te hoog was. Klaagster heeft in oktober 2023 herhaaldelijk aan de
praktijkondersteuner gevraagd of een DNA-onderzoek bij haar niet nodig zou zijn in
verband met haar familiaire belasting. De praktijkondersteuner vond dit op grond van
de richtlijnen niet nodig.
3.3 Uiteindelijk is klaagster door de waarnemend huisarts op 16 januari 2024 in eerste instantie doorgestuurd naar G te H en daarna, diezelfde dag, op verzoek van klaagster naar I te B, hierna het ziekenhuis voor nader onderzoek in verband met mogelijk familiaire hypercholesterolemie.
3.4 Na onderzoek in het ziekenhuis bleek sprake van ernstige coronaire stenose en na een hartcatheterisatie bleek sprake van ernstige stenose (90%) RCx kransslagader en dubieus hoge stenose (51-70%) LAD kransslagader. Klaagster is in verband hiermee op 22 maart 2023 met spoed gedotterd in J te K, waarbij een DES stent is geplaatst.
3.5 Op 17 april 2024 heeft klaagster een klacht ingediend bij de praktijk. De
collega praktijkhouder heeft twee gesprekken met klaagster gevoerd naar aanleiding
van haar klacht.
3.6 Hierna heeft klaagster een klacht ingediend bij de Stichting Klachten en Geschillen
in de eerstelijnszorg (SKGE) en in het kader van bemiddeling hebben klaagster en de
collega van de huisarts gecorrespondeerd en hierna is in het kader van de bemiddeling
ook nog een brief verzonden uit naam van de collega van de huisarts, de huisarts en
de praktijkondersteuner.
3.7 Vervolgens heeft klaagster op 17 juni 2024 een verzoek gedaan aan de praktijk om een kopie van haar medische dossier te kunnen ophalen.
De huisarts heeft per zorgmail op 18 juni 2024 voor zover van belang en letterlijk weergegeven het volgende laten weten:” (..) U heeft recht op inzage en een kopie van uw medisch dossier ,(..) Het uitdraaien van een compleet medisch dossier is een flinke klus en kost flink papier, daarom heb ik de volgende vragen:
-heeft u een gerichte periode waarvan u de journaalregels wil ontvangen?
-wil u alleen het huisartsenjournaal of ook de specialistenbrieven lezen?
-is een alternatief mogelijk, zoals een afspraak maken op mijn spreekuur om vragen te bespreken en gericht te zoeken, of een moment dat u alleen uw medisch dossier op de praktijk inziet?
Nogmaals: een kopie van het medisch dossier opvragen is een recht van de patiënt.
Mocht u hiervan gebruik willen maken dan heb ik voor het verwerken van ie vraag wel
een week de tijd nodig omdat het buiten reguliere werktijden gedaan moet worden. Ik
hoor graag van u (..)”.
3.8 In het dossier noteerde de huisarts op diezelfde dag onder kopje administratieve verrichting. “Zij heeft hier recht op graag inplannen in de agenda ruimte van één van de assistentes, dit is ongeveer een uur werk, en patiënte laten weten wanneer het klaar is.”
3.9 In het dossier is op 18 juni 2024 een niet gedateerde e-mail van klaagster opgenomen:
“Goedemorgen dokter D,
Ik begrijp dat het vervelend is maar ik zou toch graag mijn complete medische dossier ontvangen. Dus het huisartsenjournaal en de brieven van specialisten.
Wanneer ik daarbij behulpzaam kan zijn of wanneer u papier aangeleverd wilt hebben, dan is dat geen probleem.
Is er eventueel geen andere digitale wijze om het veilig te versturen? (..)
3.10 De assistente heeft het medisch dossier vervolgens in eerste instantie via Zorgmail aan klaagster verzonden. Klaagster had moeite om dit bericht te openen. Hierop heeft de assistente het dossier via de praktijkmail aan klaagster verzonden. In het dossier is hierover aangetekend: “ onderstaande mail toch via praktijkmail gestuurd mw kon de zorgmail niet openen (..).”
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts dat hij het opvragen van het medisch dossier heeft tegengewerkt en deze onveilig naar haar heeft doen versturen.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De huisarts heeft ontkend dat er sprake is van tegenwerking, hij heeft de instructie gegeven om het dossier te laten printen. Het dossier is door de assistente in eerste instantie via Zorgmail verstuurd, conform de geldende afspraken in de praktijk. Hierna heeft klaagster laten weten dat zij de e-mail van Zorgmail niet kon openen. De assistente heeft toen zonder medeweten van de huisarts en tegen de geldende afspraken in het dossier met de praktijkmail, dus niet beveiligd verzonden. De huisarts kan hiervan geen verwijt worden gemaakt.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
Klachtonderdeel a) Het tegenwerken van de verstrekking van het dossier
5.2 Een huisarts dient bij niet complexe verzoeken over medische gegevens binnen
een maand een reactie te geven aan de patiënt of hij aan het verzoek kan voldoen (zie
hiervoor paragraaf 2.11.8 van de Richtlijn omgaan met medische gegevens van de KNMG).
In dit geval heeft de huisarts een dag na het verzoek van klaagster gereageerd op
het verzoek van klaagster om een afschrift van haar dossier. Hij heeft in eerste instantie
gevraagd of klaagsters verzoek ook met een inzage op de praktijk kon worden gehonoreerd,
maar daarbij ook uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om een afschrift te komen ophalen
op de praktijk. Dat daarvoor een week verwerkingstijd werd gerekend acht het college
gezien het bovenstaande alleszins redelijk. Van enige vorm van tegenwerking bij het
verstrekken van het medisch dossier is het college derhalve niet gebleken. Dit klachtonderdeel
is ongegrond.
Klachtonderdeel b) Het onveilig digitaal laten versturen van het dossier door de assistente
5.3 Vooropgesteld moet worden dat medische gegevens vanwege hun bijzonder vertrouwelijke
karakter alleen via een extra beveiligde e-mailservice, zoals Zorgmail mogen worden
verstuurd (zie hiervoor ook paragraaf 3.2.2.1 over het gebruik van e-mail van de KNMG
Richtlijn omgaan met medische gegevens). Dat de assistente van de huisarts het dossier
van klaagster toch via de gewone praktijkmail heeft verzonden aan klaagster is derhalve
niet juist geweest. De huisarts heeft dit ook erkend. Het is echter de vraag of deze
handelwijze van de assistente in dit geval de huisarts ook tuchtrechtelijk kan worden
aangerekend. Het college is van oordeel dat dit niet het geval is. De huisarts heeft
zelf de uitdrukkelijke instructie gegeven om het dossier uit te printen. Hierna is
het dossier door de assistente conform het in de huisartsenpraktijk geldende protocol
verzonden via Zorgmail. Onder welke omstandigheden de assistente heeft besloten om
klaagster via de niet beveiligde e-mail nogmaals haar dossier toe te zenden is het
college niet duidelijk geworden en klaagster heeft dit ook niet verder onderbouwd.
Ter zitting is gebleken dat dit in de huisartsenpraktijk alleen gebeurt met toestemming
van de patiënt, dan wel in een noodsituatie. Duidelijk is dat de huisarts hier in
het geheel niet bij betrokken is geweest en ook dat de assistente is afgeweken van
het protocol dat hiervoor geldt in de huisartsenpraktijk. Als het gaat om het veilig
verzenden van het dossier is dit een verantwoordelijkheid die een huisarts in beginsel
mag overdragen aan de assistente, mits dit voldoende gewaarborgd is met heldere werkafspraken
en protocollen in de praktijk. Het college is ervan overtuigd geraakt dat in de huisartsenpraktijk
deze afspraken gemaakt zijn. Ter zitting is gebleken dat deze afspraken naar aanleiding
van dit voorval opnieuw onder de aandacht zijn gebracht bij de assistentes. Alles
overziend voert het naar het oordeel van het college te ver om de huisarts in dit
geval een tuchtrechtelijk verwijt te maken dat de assistente buiten zijn medeweten
om en tegen de afspraken van de praktijk in, het dossier via de gewone praktijkmail
naar klaagster heeft verstuurd, te meer omdat onduidelijk is gebleven onder welke
omstandigheden dit precies is gebeurd. Dit klachtonderdeel is derhalve ongegrond.
Slotsom
5.4 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond
zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, G.S.H. Vegt en M. van Bergeijk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door A. Tingen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.