ECLI:NL:TGZRZWO:2026:94 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8126

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:94
Datum uitspraak: 22-06-2026
Datum publicatie: 22-06-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8126
Onderwerp: Niet of te laat verwijzen
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Verweerder was in 2014 als huisarts betrokken bij de tweejaarlijkse cholesterol- controle van klaagster in verband met haar hoge bloeddruk. Vanaf 2016 is deze controle overgedragen aan de praktijkondersteuner somatiek. Bij een controle in oktober 2023 bleek dat het LDL cholesterol van klaagster verhoogd was. Klaagster verwijt verweerder onder meer dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende rekening te houden met de risico’s van een familiair verhoogd cholesterolgehalte en dit in 2014 niet goed te noteren in het dossier.  Hierdoor is klaagster te laat doorverwezen naar de afdeling cardiologie van het ziekenhuis. Na onderzoek aldaar bleek bij klaagster sprake van fors vernauwde kransslagaders waarvoor zij een dotterbehandeling heeft ondergaan. Het college komt tot het oordeel dat een deel van de klacht niet-ontvankelijk en dat de huisarts voor het overige niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.


REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 22 juni 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

huisarts,

werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: mr. T.A.M. van Oosterhout, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
 

1.1     De huisarts was in 2014 betrokken bij de tweejaarlijkse cholesterolcontrole[PV1] [MG2]  van klaagster in verband met haar hoge bloeddruk. Vanaf 2016 is deze controle overgedragen aan de praktijkondersteuner somatiek. Bij een controle in oktober 2023 bleek dat het LDL cholesterol van klaagster verhoogd was. Klaagster verwijt de huisarts onder meer dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende rekening te houden met de risico’s van een familiair verhoogd cholesterolgehalte en dit in 2014 niet goed te noteren in het dossier. Hierdoor is klaagster te laat doorverwezen naar de afdeling cardiologie van het ziekenhuis. Na onderzoek aldaar bleek bij klaagster sprake van fors vernauwde kransslagaders waarvoor zij een dotterbehandeling heeft ondergaan.
 

1.2     Het college komt tot het oordeel dat een deel van de klacht niet-ontvankelijk is en dat de huisarts voor het overige niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Hierna licht het college dat toe.

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 5 februari 2025;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 13 februari 2025;
  • het verweerschrift, ontvangen op 15 april 2025;
  • de repliek met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2025;
  • de dupliek, ontvangen op 26 juni 2025;
  • de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 17 juli 2025;
  • het proces-verbaal van het op 19 september 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
  • de brief van klaagster met bijlage, ontvangen op 23 september 2025;
  • het medisch dossier, ontvangen op 20 oktober 2025;
  • de brief van de gemachtigde van de huisarts, ontvangen op 28 oktober 2025.
     

2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 21 april 2026. Ter zitting is deze zaak gezamenlijk behandeld met de klacht die is ingediend tegen de collega praktijkhouder van de huisarts en de praktijkverpleegkundige. De partijen zijn verschenen. De huisarts werd bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De huisarts heeft pleitnotities voorgelezen en zijn gemachtigde heeft deze aan het college en de andere partij overhandigd.

2.3     Op 26 mei 2026 heeft klaagster twee wrakingsverzoeken ingediend. Een verzoek gericht tegen de coördinerend secretaris van het tuchtcollege is bij beslissing van het wrakingscollege van 5 juni 2026 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat alleen leden van het tuchtcollege kunnen worden gewraakt. Het andere verzoek, is behandeld op 2 juni 2026 tijdens een digitale zitting, waarbij klaagster, hoewel daarvoor uitgenodigd, niet aanwezig was. Het verzoek werd ingegeven door de beslissing van het college om de door klaagster toegezonden aanvullende stukken, waaronder een nadere toelichting op en correctie van het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026, niet meer bij de beoordeling te willen betrekken. Bij beslissing van 5 juni 2026 is het wrakingsverzoek door het wrakingscollege afgewezen. Naar het oordeel van het wrakingscollege was de beslissing om de aanvullingen op het proces-verbaal van de zitting van 21 april 2026 niet meer aan het procesdossier te willen toevoegen, een procesbeslissing die in het licht op artikel 13 van het Reglement van orde van de Regionale Tuchtcolleges, niet onbegrijpelijk was. Vanwege het wrakingsverzoek is de onderhavige uitspraak die uitgesproken zou worden op 2 juni 2026, enige tijd aangehouden.

3. De feiten
 

3.1     Klaagster, geboren in 1960, is patiënt in de praktijk van de huisarts.

De huisarts is samen met zijn collega praktijkhouder. Klaagster is bekend met een verhoogd cholesterol. Zij werd behandeld voor een hoge bloeddruk en in verband hiermee werd haar cholesterol sinds 2007 tweejaarlijks gecontroleerd. Op 17 januari 2014 is klaagster hiervoor bij de huisarts op consult geweest. Er was toen sprake van een verhoogd cholesterol (totale cholesterol 7,5 waarvan 4.1 LDL), maar van een gunstige LDL/HDL ratio.

3.2     Vanaf 2016 werden de controles uitgevoerd door de praktijkondersteuner somatiek.

Bij de intake noteerde de praktijkondersteuner in het dossier dat sprake was van familiaire belasting vanwege klaagsters vader die voor zijn zestigste levensjaar hartinfarcten had en haar zus die bekend was met een verhoogd cholesterol en hiervoor een statine gebruikte. Het risico bij klaagster werd vanwege de gunstige LDL/HDL ratio tijdens controles in de jaren daaropvolgend steeds laag ingeschat, waardoor verwijzing of medicamenteuze behandeling uitbleef.

3.3     Bij controle van de praktijkondersteuner op 10 oktober 2023 bleek het totale cholesterolgehalte bij klaagster 7.9, waarvan het LDL cholesterol 5.1 was. De LDL/HDL ratio was nog steeds gunstig. De praktijkondersteuner heeft het risico op hart-en vaatziekten met het programma U-prevent berekend, dat was 2,7%. Klaagster maakte zich zorgen, mede door de familiaire belasting omdat haar zus, die behandeld werd voor een te hoog cholesterol, in juli 2022 plotseling was overleden met als oorzaak mogelijk hartfalen of een aneurysma. Klaagster heeft tijdens het consult gevraagd om een DNA-onderzoek, maar de praktijkondersteuner vond dit niet nodig. Er werd afgesproken om over drie tot zes maanden nogmaals het cholesterol te prikken en in de tussentijd nog wat extra leefstijlaanpassingen te doen. Indien het LDL cholesterol bij de volgende controle nog niet was gedaald zou met een statine kunnen worden gestart.

3.4     Klaagster heeft op 16 oktober 2023 per e-mail aan de praktijkondersteuner nogmaals gevraagd of een DNA-onderzoek toch niet aangewezen was, gezien de situatie in haar familie en het overlijden van haar zus in het jaar daarvoor. Klaagster stelde voor om medio december nogmaals bloed te prikken en afhankelijk van de uitslag daarvan eventueel een DNA-onderzoek te doen.

3.5     De praktijkondersteuner heeft hierop op 17 oktober 2023 per e-mail laten weten:

“(..) Een DNA is niet vlg. stap. Doen ze nooit eigenlijk. Als je v kinds af aan een totaal chol.>8 had gehad hadden we je geadviseerd je familie leden uit de 1e lijn dit te laten testen die nog nooit bloed hebben geprikt. (..) Natuurlijk kun je in dec, je bloed nog eens controleren. En bekijken we dan of medicatie nodig is. Ik zal ook nog even met D [collega verweerder] overleggen.(..)
 

3.6     Op 4 januari 2024 ontving klaagster een e-mail van de praktijkondersteuner met de uitslag van het cholesterol bloedonderzoek dat klaagster de dag ervoor had laten doen. Op dat moment was haar totale cholesterolgehalte gedaald naar 6,8 waarvan 4.1 LDL.
 

3.7     Op 9 januari 2024 had de praktijkondersteuner telefonisch contact met klaagster. Hieruit kwam naar voren dat de zorgen bij klaagster niet waren weggenomen, vooral omdat zij al alle mogelijke leefstijlaanpassingen had gedaan en haar LDL cholesterol wel wat was gedaald, maar nog steeds aan de hoge kant bleef. Afgesproken werd om met een statine te starten.
 

3.8     Klaagster liet per e-mail van 14 januari 2024 weten niet te zijn gestart met de statine en dat twee cardiologen uit haar kennissenkring, die zij had geraadpleegd, adviseerden om nader onderzoek te doen. Ook vermeldde klaagster dat de huisarts van haar zus haar had laten weten dat haar zus voordat ze plotseling overleed cholesterolverlagers slikte, omdat zij erfelijk belast was. Klaagster maakte zich zorgen over de aanwezigheid van familiaire hypercholesterolemie. De praktijkondersteuner heeft klaagster hierop gebeld en overleg gehad met de waarnemend huisarts.
 

3.9    De waarnemend huisarts heeft klaagster daarop, uit naam van de huisarts, op 16 januari 2024 in eerste instantie doorgestuurd naar G te H voor nader onderzoek in verband met mogelijk familiaire hypercholesterolemie. Op verzoek van klaagster is zij diezelfde middag door de waarnemer naar I te B gestuurd.
 

3.10     Na onderzoek in I bleek sprake van ernstige coronaire stenose en na een hartcatheterisatie bleek sprake van ernstige stenose (90%) RCx kransslagader en dubieus hoge stenose (51-70%) LAD kransslagader. Klaagster is in verband hiermee op 22 maart 2023 met spoed gedotterd in J te K, waarbij een DES stent is geplaatst.
 

3.11     Op 17 april 2024 heeft klaagster een klacht ingediend bij de praktijk. De huisarts heeft twee gesprekken met klaagster gevoerd naar aanleiding van haar klacht.
 

3.12     Hierna heeft klaagster een klacht ingediend bij de Stichting Klachten en Geschillen in de eerstelijnszorg (SKGE) en in het kader van bemiddeling hebben klaagster en de huisarts nog een tweetal briefwisselingen gevoerd. In de brief van de huisarts van 11 juli 2024 is voor zover van belang en letterlijk weergegeven het volgende opgenomen over de verwijzing op 16 januari 2024: “(..) Eerst naar G in H. Dr. [naam waarnemend huisarts] heeft dat gedaan om het u makkelijk te maken omdat daar een korte wachttijd is en alle onderzoeken op 1 dag kunnen plaatsvinden. (..)”

en in de brief van 1 augustus 2024:
“ (..) In 2014 was het bovendien ook nog niet mogelijk om in I een hartscan te laten maken. Toen kon alleen een fietsproef (bij klachten) worden verricht en een hartkatheterisatie, waar in u geval geen indicatie voor was (te groot risico bij te kleine kans op afwijkingen). (..) Verder kwamen we bij bestuderen van uw dossier tot de conclusie dat: (..)Dr [naam waarnemend huisarts] u heeft verwezen heeft naar G om snel duidelijkheid voor u te krijgen en de internist en cardioloog in I op dat moment een lange wachttijd had/heeft.”

4. De klacht en de reactie van de huisarts
 

4.1     Klaagster verwijt de huisarts dat hij:

  1. verantwoordelijk moet worden gehouden voor het niet tijdig doorverwijzen van klaagster;
  2. niet transparant heeft gecommuniceerd over de onjuiste doorverwijzing die zijn collega had gemaakt;
  3. hij in 2014 de erfelijke belasting van klaagster niet/onjuist in het medisch dossier heeft vastgelegd.

4.2     De huisarts heeft het college verzocht klaagster niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het gaat over zijn betrokkenheid in 2014 (klachtonderdeel c) en de klacht dus niet inhoudelijk te behandelen. Voor het geval het college de klacht wel inhoudelijk gaat beoordelen, heeft de huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren. De huisarts stelt zich op het standpunt dat het erfelijkheidsonderzoek en de verwijzing niet nodig was vanwege het lage risico volgens U-prevent. Beleid is dat bij een risico van meer dan 20 procent pas wordt verwezen. Daar was bij klaagster geen sprake van, ook was er geen sprake van een LDL >8 of een acute hartdood van een familielid jonger dan 50 jaar. Verwijzing was dus volgens de NHG-Standaard Cardio Vasculair Risico Management (hierna NHG-Standaard CVRM) en U-prevent niet nodig volgens de huisarts. Het beleid van de POH is op basis van de toen aanwezige gegevens dus wel goed geweest. Dat achteraf bleek dat er sprake was van afwijkingen bij klaagster kon op voorhand niet worden voorzien. De huisarts is hier wel van geschrokken, maar dit kan hem zo stelt hij tuchtrechtelijk niet worden verweten. Voor wat betreft de communicatie over de verwijzing weerspreekt de huisarts dat sprake was van niet transparante communicatie.

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college


Ontvankelijkheid

5.1       In klachtonderdeel c) verwijt klaagster de huisarts dat hij in 2014 de erfelijke belasting van klaagster niet, dan wel onjuist in het medisch dossier heeft vastgelegd. Op voet van het bepaalde in artikel 65, vijfde lid, van de Wet BIG kan een tuchtklacht niet meer behandeld worden wanneer het hetgeen waarover wordt geklaagd langer dan 10 jaar geleden heeft plaatsgevonden. Nu dit klachtonderdeel betrekking heeft op een consult in 2014 leidt dit tot het oordeel dat dit klachtonderdeel niet-ontvankelijk is en dat het college dit onderdeel niet inhoudelijk zal bespreken.

De criteria voor de beoordeling

5.2       De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Als uitgangspunt geldt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdeel a) Klaagster houdt de huisarts verantwoordelijk voor het niet-tijdig doorverwijzen van haar.

5.3     Het college stelt vast dat het dossier van klaagster geen aantekening bevat van de door haar genoemde DNA-afwijking. Hoewel klaagster stelt dat zij daar wel melding van heeft gemaakt is dat, gelet op de stelling van de huisarts dat hij daarmee niet bekend was, niet komen vast te staan. Klaagsters enkele, niet nader onderbouwde, stelling is in dit licht onvoldoende. Het niet-bekend zijn met de DNA-afwijking van klaagster is voor het college bij de verdere beoordeling van dit klachtonderdeel een gegeven. Daarvan uitgaande kan niet gezegd worden dat de huisarts te laat heeft verwezen. De huisarts heeft (ter zitting ook) verklaard dat de toepasselijke NHG-Standaard is gevolgd en dat daarbij het risico met behulp van U-prevent laag werd ingeschat. Hij mocht op de risico-ratio, zoals berekend met U-prevent vertrouwen. Hierbij tekent het college aan dat klaagster, zoals zij desgevraagd ook ter zitting heeft bevestigd, nooit klachten heeft gehad. Er bestond dus geen aanleiding om klaagster eerder te verwijzen. Klachtonderdeel a) is om die reden ongegrond.

Klachtonderdeel b) Het niet-transparant communiceren over de onjuiste doorverwijzing door de collega van de huisarts

5.4     Naar het oordeel van het college kan uit het dossier van klaagster, de gewisselde stukken en het verhandelde ter zitting niet worden afgeleid dat sprake was van niet transparante communicatie door de huisarts over de doorverwijzing door zijn collega. De doorverwijzing zelf acht het college overigens ook niet onjuist. De huisarts heeft de verschillende redenen die ten grondslag lagen aan de eerste doorverwijzing naar G door zijn collega, ook in de procedure bij de SKGE, naar het oordeel van het college voldoende en begrijpelijk toegelicht aan klaagster. De stelling van klaagster dat de huisarts hierover niet transparant heeft gecommuniceerd kan dan ook niet worden gevolgd. Klachtonderdeel b) is om die reden ongegrond.


Slotsom

5.5     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat onderdeel c) van de klacht niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De klachtonderdelen a) en b) zijn ongegrond.


6.         De beslissing


Het college:

  • verklaart de klacht voor zover het onderdeel c) betreft niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door W.P. Claus, voorzitter, G.S.H. Vegt, M. van Bergeijk, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door A. Tingen, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 22 juni 2026.

secretaris                                                                                           voorzitter


 

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.

 [PV1]Is dat niet 1 woord? Cholestorolcontrole?

 [MG2]Dat kan inderdaad wel aan elkaar.