ECLI:NL:TGZRZWO:2026:93 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8668
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:93 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-06-2026 |
| Datum publicatie: | 23-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8668 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, berisping |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een sportarts gegrond. Maatregel: berisping met openbaarmaking in het BIG-register. Klager is gedurende een periode van twee jaar behandeld door de sportarts totdat de behandelingsovereenkomst door de sportarts werd opgezegd. Klager maakt de sportarts verschillende verwijten. Zo vindt hij dat de behandelrelatie ten onrechte is beëindigd, hij onvoldoende is geïnformeerd over de kosten van de behandeling, er sprake is van onjuiste declaraties, en de sportarts buitensporige giften waaronder €100.000,- contant heeft aangenomen. Het college oordeelt dat de klachtonderdelen betreffende niet-transparante behandelkosten en ontijdige/onjuiste declaraties gegrond zijn. Ook heeft de sportarts bij de beëindiging van de behandelingsovereenkomst de sportarts niet voldaan aan de door hem in acht te nemen zorgvuldigheidsregels. Daarnaast oordeelt het college dat het aannemen van de tas met contant geld, drie betalingen via PayPal en Formule 1 tickets in strijd is met de voor de sportarts geldende beroepsnormen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 23 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
gemachtigde: mr. B.P.H. Leijnse,
tegen
C,
sportarts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de sportarts,
gemachtigde: mr. D.H.J. Hooreman.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager is gedurende een periode van twee jaar behandeld door de sportarts
totdat in maart 2024 de behandelingsovereenkomst door de sportarts werd opgezegd.
Klager maakt de sportarts verschillende verwijten. Zo vindt klager dat de behandelrelatie
ten onrechte is beëindigd, hij onvoldoende is geïnformeerd over de kosten van de behandeling,
er sprake is van onjuiste declaraties, en de sportarts buitensporige giften waaronder
€ 100.000,- contant heeft aangenomen. De sportarts vindt dat hij niet tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht gegrond is en legt de maatregel van een berisping op. Hieronder vermeldt het college eerst hoe de procedure is verlopen. Daarna legt het college de beslissing uit.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlagen van 27 juni 2025, ontvangen door het Regionaal Tuchtcollege ’s-Hertogenbosch op 30 juni 2025 en door het Regionaal Tuchtcollege Zwolle ontvangen op 2 oktober 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 oktober 2025;
- de repliek, ontvangen op 20 november 2025;
- de dupliek, ontvangen op 6 januari 2026;
- het proces-verbaal van het op 13 maart 2026 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- de e-mail van (de gemachtigde van) de sportarts van 24 april 2026 met bijlagen.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 12 mei 2026. De sportarts,
zijn gemachtigde en de gemachtigde van klager waren in de zittingszaal aanwezig. Klager
heeft wegens ziekte de zitting bijgewoond via een videoverbinding. De partijen en
hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De sportarts en de gemachtigde
van klager hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij
overhandigd.
3. Wat is er gebeurd?
3.1 De sportarts is sinds 2008 werkzaam als sportarts en sinds 2012 ook als arts
muscoloskeletale geneeskunde (hierna: MSK). Hij heeft zijn eigen praktijk. Klager
heeft een stoornis van het bewegingsapparaat en kauworgaan genaamd temporomandibulaire
dysfunctie (TMD). De stoornis heeft geleid tot een torsie van de wervelkolom, waarvoor
klager in het verleden verschillende behandelingen onderging. In december 2021 nam
klager contact op met de sportarts om de uitlijning van de ruggenwervels, door een
eerdere behandelaar, ongedaan te maken. De sportarts had daarvoor in november 2021
eenmalig, toen klager bij een collega-sportarts in behandeling was, meegekeken en
adviezen gegeven. Klager stond eind december 2021 bij de sportarts voor de deur met
een tas contant geld, namelijk € 100.000,- met het verzoek om hem te behandelen.
3.2 Daarop volgde Whatsappcontact en op 13 januari 2022 vond er een intakegesprek en onderzoek bij de praktijk van de sportarts plaats. Klager wenste een behandeling door gebruik te maken van de zogenaamde Sickesz-methode, een onderdeel van orthomanuele geneeskunde (hierna: OMG). In het intakeverslag staat dat OMG-behandeling een systeembehandeling behelst en behandeling met alleen de Sickesz-methode niet aan te bevelen is. Volgens de sportarts zou klager meer baat hebben bij multidisciplinaire behandeling zoals meer bewegen en psychologische/revalidatie ondersteuning. Klager wilde toch behandeling volgens de Sickesz-methode en tegen het advies van de sportarts in is de behandeling gestart. Er zouden maximaal tien behandelingen plaatsvinden.
3.3 Na overleg met zijn accountant nam de sportarts het bedrag van € 100.000,-
als voorschot op in zijn administratie. De behandelingen werden uitgevoerd door de
sportarts in samenwerking met collega MSK-arts F. De sportarts en klager hadden veelvuldig
contact over de behandelingen en het plannen van sessies. Klager benaderde de sportarts
ook buiten werktijd met verzoeken om een sessie. Uiteindelijk hebben er zo’n 47 behandelingen
plaatsgevonden, zowel in de praktijk als op andere locaties in Nederland, afhankelijk
van waar klager op dat moment was. In september 2022 woonden de sportarts en zijn
echtgenote een Formule 1 race in E bij op uitnodiging van klager. Ook maakte klager
verschillende keren (in januari, april en november 2022) via PayPal bedragen over
naar de sportarts van in totaal € 17.000,-. Klager was wisselend tevreden over het
effect van de behandelingen.
3.4 Ondertussen kreeg de sportarts begin 2023 het verzoek van zijn bank om informatie te geven over de herkomst van de verrichte storting van € 100.000,-. Dit leidde tot wantrouwen bij de bank en een onderlinge discussie tussen de sportarts en klager. De bank liet aan de sportarts weten hem niet meer als klant te willen, omdat hij de herkomst van het gestorte geld niet kon verantwoorden. Klager schreef na contact met de sportarts een brief, opgesteld door zijn belastingadviseur, aan de accountant van de sportarts met uitleg over de inkomstenbron van klager en de herkomst van het contante geld. Klager stelde voor om de geldsom aan te merken als een betaling voor de door de sportarts te verrichten medische onderzoekswerkzaamheden. Op 19 maart 2024 liet de sportarts via zijn financieel adviseur per e-mail weten dat hij de behandeling niet wilde voortzetten, omdat deze geen oplossing voor de problemen van klager was. Het laatste consult vond op 20 maart 2024 plaats. Hierna was er over en weer briefcontact tussen partijen over de gemaakte kosten voor de behandelingen en consulten/contactmomenten. Het lukte partijen uiteindelijk niet om er samen uit te komen en een oplossing te vinden wat betreft het kostenoverzicht/eindafrekening.
4. De klacht en de reactie van de sportarts
4.1 Klager verwijt de sportarts dat hij:
- onvoldoende is geïnformeerd over de kosten van de behandeling;
- ontijdig, onjuist en onredelijk heeft gedeclareerd;
- buitensporige geschenken heeft aangenomen;
- voortijdig de behandelrelatie heeft beëindigd.
4.2 De sportarts heeft het college verzocht de klachtonderdelen ongegrond te verklaren. Hij verklaart dat hij meegegaan is in de wensen van klager en achteraf beter zijn eigen grenzen had moeten bewaken. Het financiële aspect heeft geen rol gespeeld in de beslissing van de sportarts om klager te behandelen, maar het door klager betaalde bedrag van € 100.000,- maakte wel dat hij zich verplicht voelde om hem te blijven helpen. De geldbedragen en de Formule 1 tickets ziet de sportarts niet als gift/schenking. Volgens de sportarts is hij voor- en achteraf transparant geweest over de kosten/tarieven. De gehanteerde tarieven staan op zijn website vermeld. Daarnaast heeft de sportarts telkens in de contacten met klager aangegeven wanneer hij het reguliere tarief en wanneer hij het reguliere tarief met een opslag zou hanteren. Ook is de duur van de behandelingen besproken. Verder vindt de sportarts dat hij een deugdelijke en overzichtelijke administratie heeft aangehouden. De eindafrekening betreft een concept en het is niet aan de sportarts te wijten dat klager niet in overleg wilde treden daarover. De sportarts heeft de behandelingen geadministreerd en het behandeloverzicht in het concept aan de hand van zijn praktijkadministratie opgesteld. Tot slot was het volgens de sportarts niet de bedoeling van de brief van 19 maart 2024 om de behandelrelatie eenzijdig te beëindigen. Hij wilde de behandeling alleen nog onder bepaalde voorwaarden voortzetten. Dit is anders overgekomen bij klager. Het onheuse gedrag van klager was overigens volgens de sportarts voldoende reden om over te gaan tot rechtmatige beëindiging van de behandelrelatie.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de sportarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende sportarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
Klachtonderdelen a) en b) onvoldoende informatie geven over de behandelkosten en ontijdig,
onjuist en onredelijk declareren
5.2 Deze klachtonderdelen zullen gezien hun onderlinge samenhang gezamenlijk
worden behandeld.
5.3 Klager verwijt de sportarts dat hij onvoldoende is ingelicht over de kosten van de behandelingen. Zo voert hij aan dat hij niet op de hoogte was van de destijds geldende tarieven en dat hij in de wachtruimte van de praktijk van de sportarts geen tarievenlijst heeft gezien. Ook zegt klager geen informatie te hebben ontvangen over een opslag voor behandelingen/consulten in de avond en weekenden. Daarnaast stelt klager dat de declaraties niet kloppen, dan wel zich in onvoldoende mate laten herleiden tot de op de website vermelde tarieven.
5.4 De sportarts vindt dat hij steeds duidelijk en transparant is geweest over
de door hem gehanteerde tarieven, onder andere omdat deze op zijn website en middels
een tarievenlijst in de praktijk staan. De opslagtarieven zijn volgens de sportarts
besproken met klager via WhatsApp. Bovendien is er tijdens de behandelrelatie nooit
enige discussie geweest over de door de sportarts gehanteerde tarieven. De consulten
zijn geadministreerd en naar daadwerkelijk hieraan bestede tijd gefactureerd.
5.5 Naar het oordeel van het college zijn deze klachtonderdelen gegrond. De sportarts
heeft een verplichting ten aanzien van het informeren over en specificeren van de
in rekening gebrachte behandelkosten/declaraties, zodat de patiënt daarover vragen
kan stellen en er geen onduidelijkheden over kunnen bestaan. Uit de stukken blijkt
niet, en ter zitting is ook niet duidelijk geworden, welke opslagtarieven voor de
consulten buiten de reguliere werktijden golden. Het college constateert dat klager
dus niet (volledig) op de hoogte was van de kosten van de behandeling, terwijl hij
dat wel had moeten zijn. Daarnaast kan niet worden nagegaan of de sportarts op de
juiste wijze heeft gefactureerd, omdat hij nooit tussentijdse facturen heeft verzonden
en de definitieve afrekening pas in de loop van deze tuchtprocedure werd opgesteld.
Het college kan bovendien niet van alle behandelingen/consulten vaststellen op welk
moment deze hebben plaatsgevonden en wat de behandelduur was. De eindafrekening correspondeert
namelijk op meerdere onderdelen niet met de gegevens uit het medisch dossier zoals
het college ter zitting aan verweerder heeft voorgehouden. Reeds daarom slagen de
klachtonderdelen a) en b). Of de declaraties ook onredelijk waren, zoals klager stelt,
laat het college in het midden.
Klachtonderdeel c) buitensporige geschenken aannemen
5.6 Over klachtonderdeel c) kan het college kort zijn: dit is gegrond. De Gedragscode
van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst (hierna:
KNMG) 2022 voor artsen vermeldt onder meer:
’’(…) 12. Als arts voorkom je belangenverstrengeling die de patiënt of die het vertrouwen
in de gezondheidszorg kan schaden. Je bent transparant over je overige belangen. (..)
Zo mag je als arts bijvoorbeeld geen geschenken of andere giften aannemen die niet
in verhouding staan tot wat je normaal gesproken zou krijgen voor je werk (gebruikelijke
honorering).(…)’’
5.7 Het college oordeelt dat het aannemen van de tas met € 100.000,- aan contant geld, de drie betalingen via PayPal en de Formule 1 tickets in strijd is met de voor de sportarts geldende beroepsnormen. Dit los van de vraag of het (contante) geld en de Formule 1 tickets een voorschot of een geschenk waren. De sportarts had moeten beseffen dat hij de buitensporige bedragen en tickets op geen enkele manier mocht aannemen. Het college merkt over de Formule 1 tickets nog op dat het er niet toe doet of klager deze zelf had betaald of niet, een dergelijk ticket vertegenwoordigt een bepaalde waarde in het maatschappelijk verkeer en is met het weggeven daarvan een gift.
Klachtonderdeel d) beëindigen behandelrelatie
5.8 Tussen klager en de sportarts is een behandelingsovereenkomst in de zin
van het Burgerlijk Wetboek (BW) tot stand gekomen. Het college overweegt dat voor
een dergelijke overeenkomst geldt dat op grond van artikel 7:460 BW een hulpverlener
behoudens gewichtige redenen, de behandelingsovereenkomst niet kan opzeggen. Verder
heeft de KNMG in de richtlijn “Niet-aangaan of beëindiging van de geneeskundige behandelingsovereenkomst”
van 2005 en geactualiseerd in 2021 – die gold ten tijde van de beëindiging – verder
opgenomen onder welke voorwaarden (gewichtige redenen) de behandelingsovereenkomst
kan worden beëindigd. Daarnaast staat in die richtlijn een aantal zorgvuldigheidseisen
geformuleerd die de behandelend arts in acht moet nemen bij het beëindigen van de
behandelingsovereenkomst. Zo dient de behandelend arts eerst te waarschuwen voordat
hij tot beëindiging van de behandelingsovereenkomst kan overgaan, dient hij een redelijke
termijn voor die beëindiging in acht te nemen, dient hij te helpen bij het zoeken
naar een andere arts en blijft hij beschikbaar voor noodzakelijke hulp tot een andere
arts is gevonden.
5.9 Zoals hiervoor is overwogen kan een geneeskundige behandelingsovereenkomst worden beëindigd wegens gewichtige redenen zoals een vertrouwensbreuk door onheus gedrag van de patiënt. Het staat niet ter discussie dat er sprake was van dwingend en vervelend gedrag door klager jegens de sportarts, maar dat laat onverlet dat er zorgvuldigheidseisen zijn waar de sportarts zich als zorgverlenend arts aan heeft te houden. Bij de beëindiging van de behandelingsovereenkomst heeft de sportarts naar het oordeel van het college niet voldaan aan de door hem in acht te nemen zorgvuldigheidsregels. Allereerst heeft de sportarts de behandelrelatie per e-mail via zijn financieel adviseur laten beëindigen, terwijl tijdens de tuchtprocedure naar voren kwam dat de sportarts onduidelijk was over zijn wens om de behandeling (definitief) stop te zetten. Daarnaast blijkt niet dat de sportarts daadwerkelijk met klager in overleg is getreden over de gerezen problemen die hij ervaarde door het gedrag van klager of dat de sportarts heeft getracht de vertrouwensrelatie met klager te herstellen. Ook heeft de sportarts nagelaten voorstellen te doen om de behandelrelatie onder voorwaarden voort te zetten en klager te waarschuwen dat opzegging dreigde. Daar komt bij dat de sportarts geen redelijke termijn in acht heeft genomen bij de beëindiging van de behandelingsovereenkomst en zich evenmin beschikbaar heeft gehouden voor spoedklachten. Bovendien had hij klager kunnen verwijzen naar een specialist, eventueel voor een tussenliggende periode. Deze manier van opzeggen is niet zorgvuldig. Gelet hierop is dit klachtonderdeel gegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht gegrond
zijn.
Maatregel
5.11 Nu de klacht geheel gegrond is, moet het college bepalen of het opleggen van een maatregel passend en geboden is. Dat is naar het oordeel van het college het geval. Bij het bepalen van de maatregel neemt het college allereerst mee dat de sportarts op meerdere vlakken tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en daarmee het vertrouwen binnen de beroepsgroep en in de individuele gezondheidszorg ernstig heeft geschaad. Zo heeft hij in strijd met de KNMG gedragsregels gehandeld, buitensporige geschenken aangenomen en is hij binnen de behandelrelatie niet zorgvuldig en transparant te werk gegaan. Het college weegt verder mee dat de sportarts nooit eerder met het tuchtrecht in aanraking is geweest en er sprake was van een ingewikkelde behandelrelatie, die werd ingegeven door de wensen van klager als patiënt. Hoewel de sportarts te maken had met een moeilijke patiënt waren er verschillende momenten waarop hij zich had kunnen en moeten realiseren dat hij tekortschoot in zijn verplichtingen als zorgverlener. Ook ter zitting gaf de sportarts weinig blijk van zelfreflectie of inzicht in de onjuistheid van zijn handelen. Het college ziet onder de hiervoor geschetste omstandigheden aanleiding om de maatregel van een berisping op te leggen. In het belang van de individuele gezondheidszorg besluit het college, op grond van artikel 48, elfde lid, van de Wet BIG, tot openbaarmaking (in het BIG-register) van deze berisping.
Publicatie
5.12 In het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd. Dit algemeen belang is erin gelegen dat andere zorgverleners mogelijk iets van deze zaak kunnen leren. De publicatie zal plaatsvinden zonder vermelding van namen of andere tot personen of instanties herleidbare gegevens.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gegrond;
- legt de maatregel van berisping op;
- besluit tot openbaarmaking van de maatregel van berisping in het BIG-register;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden bekendgemaakt en ter publicatie zal worden aangeboden aan het Tijdschrift voor Gezondheidsrecht, Gezondheidszorg Jurisprudentie en Medisch Contact.
Deze beslissing is gegeven door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, D.S. de Vries, lid-jurist, G.S.H. Vegt, N.M. Dreteler-Rademaker en L.E. de Rycke, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2026.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.