We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2026:92 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9452

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:92
Datum uitspraak: 12-06-2026
Datum publicatie: 12-06-2026
Zaaknummer(s): Z2025/9452
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing, klacht kennelijk ongegrond. Klacht over handelen in 2017/2018. Klaagster heeft geweigerd toestemming te geven om het dossier op te vragen omdat zij vindt dat ze voldoende informatie heeft overgelegd. Vanwege het ontbreken van het medisch dossier is het niet mogelijk de aan de verwijten ten grondslag gelegd feiten vast te stellen. Uit de wel overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE

Voorzittersbeslissingvan 12 juni 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

tegen

C,

huisarts,

(destijds) werkzaam in D,

verweerster, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: mr. drs. C. van der Kolk-Heinsbroek, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Klaagster verwijt de huisarts dat deze ten onrechte in het medisch dossier heeft genoteerd dat klaagster psychiatrische problemen zou hebben, dat klaagster als ouder niet werd geïnformeerd over een verwijzing van haar dochter en dat de dossiervoering tekortschiet.
 

1.2     De voorzitter komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht de voorzitter toe hoe tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure
 

2.1     De voorzitter heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, in delen ontvangen op 4, 5 en 11 december 2025;
  • de brief van de secretaris aan klaagster van 9 februari 2026;
  • het aanvullende klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 2 maart 2026;
  • de brief van de secretaris aan klaagster van 21 april 2026;
  • de brief van de secretaris aan klaagster van 8 mei 2026.

3. De klacht en de reactie van de huisarts

3.1       Volgens klaagster heeft de huisarts onzorgvuldig gehandeld door ten onrechte in het medisch dossier te noteren dat klaagster psychiatrische problemen zou hebben, klaagster als ouder ten onrechte niet te informeren over een verwijzing van haar dochter en een tekortschietende dossiervoering. 
 

3.2       Namens de huisarts is uitstel verzocht voor het indienen van verweer vanwege de omstandigheid dat zij geen toegang heeft tot het huisartsendossier van klaagster en dat zij ook niet weet wie de opvolgend huisarts is van klaagster, zodat zij de gegevens niet via de opvolgend huisarts op kon vragen.

3.3       Bij brief van 21 april 2026 heeft de secretaris klaagster verzocht om toestemming voor het opvragen van het medisch (huisartsen)dossier over de zorgverlening aan klaagster in de periode dat verweerster haar huisarts was, daar waar dit betrekking had op psychische/psychiatrische problematiek. Klaagster heeft hierop op 4 mei 2026 per e-mail laten weten dat zij zonder deugdelijke en onderbouwde motivering geen aanleiding zag om toestemming te verlenen voor inzage in haar volledige medisch dossier. Bij brief van 8 mei 2026 heeft de secretaris klaagster nogmaals verzocht om toestemming voor het opvragen van het relevante deel van het medisch dossier. Klaagster heeft deze toestemming niet gegeven. Op 20 mei 2026 heeft klaagster nog een handgeschreven brief afgegeven. Daarin schrijft zij onder meer dat zij geen toestemming heeft willen geven voor het delen van haar medisch dossier omdat zij al voldoende medische stukken had aangeleverd. Ook schrijft zij dat zij geen reden ziet waarom er nog steeds geen inhoudelijke reactie van de huisarts ligt.

3.4       De voorzitter gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

4. De overwegingen

4.1       Klaagster heeft ter onderbouwing van haar klaagschrift een verwijsbrief overgelegd (niet in een origineel document, maar gekopieerd in een tekstbestand) en verder grotendeels zwartgelakte stukken, die niet uit het dossier van verweerster lijken te komen, althans niet door een huisarts zijn opgesteld. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de huisarts (ten onrechte) in het medisch dossier heeft genoteerd dat klaagster psychiatrische problemen heeft, dat klaagster niet werd geïnformeerd over een verwijzing en dat de dossiervoering van verweerster tekortschoot.  

4.2       De voorzitter is van oordeel dat een zorgvuldige beoordeling van de door klaagster beschreven verwijten zonder het relevante deel van het huisartsendossier niet mogelijk is. Hierbij is van belang dat de verwijten grotendeels gaan over het dossier. Er zouden zaken in staan die niet juist zijn en de dossiervoering zou te kort schieten. Ook de vraag of de huisarts klaagster heeft geïnformeerd over de verwijzing van dochter, is zonder dossier niet betrouwbaar te beantwoorden, zeker gezien het tijdsverloop sinds het handelen, dat in 2017/2018 zou hebben plaatsgevonden. Nu het handelen in 2017/2018 lijkt te hebben plaatsgevonden is niet aannemelijk dat de huisarts op een zorgvuldige wijze uit haar geheugen kan reageren op de inhoud van de klacht die grotendeels gaat over het dossier. Zelfs al zou de huisarts kunnen reageren op het door klaagster gestelde, dan nog is het voor een college niet mogelijk op een betrouwbare manier de aan de verwijten ten grondslag gelegde feiten voldoende vast te stellen. Klaagster heeft bij herhaling geweigerd toestemming te geven om het dossier op te vragen omdat zij vindt dat ze voldoende informatie heeft overgelegd.

4.3       Gelet op het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat het vanwege het ontbreken van het medisch dossier niet mogelijk is de aan de verwijten ten grondslag gelegde feiten vast te stellen. Uit de wel overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

4.4       De klacht is dus kennelijk ongegrond.

5. De beslissing

De voorzitter verklaart de klacht kennelijk ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 12 juni 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, bijgestaan door

M. Keukenmeester, secretaris.

secretaris                                                                                                                          voorzitter

Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.