ECLI:NL:TGZRZWO:2026:91 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/9463
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:91 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-06-2026 |
| Datum publicatie: | 12-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/9463 |
| Onderwerp: | Onjuiste verklaring of rapport |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een psychiater kennelijk ongegrond. Klager werd door de huisarts naar de psychiater verwezen voor een verkort zorg traject. De psychiater sprak klager enkele keren en verrichtte psychiatrisch onderzoek. Met instemming van klager stuurde de psychiater de eindevaluatie naar de huisarts. Klager verwijt de psychiater, samengevat, dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld in zijn verslaglegging richting de huisarts. Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 12 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klager,
tegen
C,
psychiater,
(destijds) werkzaam in B,
verweerder, hierna ook: de psychiater,
gemachtigde: mr. L. Wijnbergen.
1. De zaak in het kort
1.1 Klager werd door de huisarts naar de psychiater verwezen voor een verkort
zorgtraject. De psychiater sprak klager enkele keren en verrichtte psychiatrisch onderzoek.
Op 12 september 2024 stuurde de psychiater met instemming van klager de eindevaluatie
naar de huisarts. Klager verwijt de psychiater, samengevat, dat hij onzorgvuldig heeft
gehandeld in zijn verslaglegging richting de huisarts.
1.2 Het college komt tot het oordeel de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift, ontvangen op 22 december 2025;
- de specialistenbrief, opgestuurd door klager en ontvangen op 10 februari 2026;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 17 maart 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klager werd op 18 juli 2024 door zijn huisarts verwezen naar verweerder als psychiater. Hij was in maart 2024 verwezen naar D maar de huisarts had nog niets gehoord. Op het moment van de verwijzing naar verweerder ging het niet goed met klager, hij was erg somber en woonde tijdelijk bij zijn ouders. Hij wilde graag starten met een antidepressivum.
3.2 Verweerder had vervolgens enkele malen contact met de casemanager van klager over de aanmelding en problematiek. Deze casemanager vertelde dat er sprake leek te zijn van een autisme spectrum stoornis (ASS) bij klager. Verweerder noteerde in zijn verslag van 29 juli 2024 dat mogelijk het toevoegen van medicatie als Risperdal van toegevoegde waarde zou zijn.
3.3 Verweerder sprak klager samen met zijn casemanager tijdens een huisbezoek
op
1 augustus 2024. Hij noteerde dat klager kwam voor een verkort zorgtraject en dat
het doel was hem op medicatie in te stellen op grond van diagnostische bevindingen
waar de huisarts verder mee kon gaan. Ook sprak verweerder kort met klagers moeder.
Verweerder concludeerde na dit gesprek (alle citaten letterlijk opgenomen): “Ernstige ASS bij een man met suicidegedachten waarbij suicidaliteit wordt ontkend.
Hij had moeite seksuele impulsen te controleren en in het verleden mogelijk ook andere.”
Klager werd ingesteld op Risperdal en zijn casemanager zou ambulant contact houden.
Klager verbleef op dat moment bij zijn ouders thuis, maar op lange termijn leek verweerder
dat voor klager wonen in een geschikte beschermde woonvorm of vergelijkbaar beter
was dan zelfstandig wonen.
3.4 Met de casemanager onderhield verweerder vervolgens contact, ook sprak hij klager nog enkele malen. Samen met klager werd besloten het korte zorgtraject af te sluiten en dat de casemanager zou zorgen voor een warme overdacht van haar deel naar een gespecialiseerde instelling voor ASS. Op 11 september 2024 staat in het dossier genoteerd dat klager op de dosering medicatie is ingesteld zoals bedoeld, en dat hij hier ook tevreden over is. Tijdens het gesprek tussen klager, verweerder en de casemanager wordt onder meer afgesproken dat verweerder een brief aan de huisarts zal sturen.
3.5 De volgende dag verzond verweerder een brief aan de huisarts. Hij schreef
onder meer:
“Geachte collega, op 23-07-2024 ben ik begonnen met de medicamenteuze behandeling van
bovenvermelde cliënt. Kort samengevat is er bij betrokkene sprake van ernstige Austisme
Spectrum Stoornis vanaf zijn vroege jeugd. Terugkijkend werd er bij hem op zijn derde
jaar als peuter een ontwikkelingsstoornis vastgesteld. Op zij 10e jaar en 8 maanden werd de diagnose ASS gesteld. Later ging hij naar [naam en plaats
school]. Hij maakte de VMBO-TL af maar werd van school verwijderd omdat hij de loopbaan
adviseur had bedreigt. Wat er precies gebeurt is wordt me niet helemaal duidelijk,
er was niet sprake van fysiek geweld. Op dit moment zie ik een man die je niet tot
nauwelijks aankijkt en niet in staat is contact te maken. Hij spreekt op een wat monotone,
wat oninvoelbare toon en geeft nogal eens geen adequate antwoorden waardoor er geen
wederkerigheid in het contact ontstaat. Tegelijkertijd voel ik hem lijden onder deze
sociale isolatie en afzondering van de sociale wereld om hem heen. Hij vertelt desgevraagd
suicidegedachten te hebben maar hij belooft mij en [casemanager] plechtig dat niet
te zullen doen. Dit lijkt betrouwbaar,, hij heeft nooit eerder een suicidepoging gedaan
zegt hij en dat wordt door [naam en functie casemanager] bevestigd. Op dit moment
is een belangrijke stressfactor dat hij voor de vijfde of zesde keer een “stopgesprek”
heeft met de wijkagent [naam wijkagent]. Betrokkene woont op de negende verdieping
van een relatief nieuw flatgebouw in de wijk [naam wijk] en had een vriendin op de
zeventiende verdieping. Dat raakte uit en sindsdien stuurt hij haar nog berichten
en probeerde aanvankelijk haar soms nog te bezoeken. Dat wilde ze niet en vindt het
stalking. Bij doorvragen zegt hij stalking klopt. Het lukt hem niet goed dat te stoppen.
Hij zegt da hij verlieft op haar was. Geeft als voorbeeld dat toen hij een tijd niets
van haar hoorde bij de buurvrouw van haar ging vragen hoe het met haar was en of ze
haar nog wel eens zag. Hij begrijpt dat zoiets na een eerste stopgesprek moet stoppen
en er niet een vijfde of zesde keer hoort te zijn. In de afgelopen jaren, hoelang
en wanneer, wordt ondanks doorvragen niet precies duidelijk had hij een “seksverslaving”.
Voor zover zijn financiën dat toelieten bezocht hij een keer per week gemiddeld een
prostituee en liep hij een of meerdere keren per dag door de straat van de prostitutiebuurt.
Over zijn verdere seksuele interesses en fysieke seksuele activiteiten wil hij weinig
kwijt op het moment. Hij zegt dat hij er nu geen last meer van heeft. Verder spreken
we uitgebreid over zijn schuldgevoel. Hij zegt da hij een sterk gevoel naar zijn ouders
heeft omdat hij hen teleurstelt. Hij voelt zich schuldig over de prostituees maar
ook over soms overmatig alcohol drinken. Desgevraagd drinkt hij niet teveel alcohol
en is er niet sprake van een alcoholverslaving aldus betrokkene. Hij heeft online
contact met een psycholoog die in E woont met wie hij deze dingen bespreekt. (…) Verder
is hij aangemeld voor PMT maar er is een lange wachttijd. (…)”
Verweerder schreef zijn conclusie en beleid in de brief zoals hiervoor onder 3.3
staat weergegeven en verzocht tot slot de huisarts de Risperdal, 1 mg 1dd1 ‘s avonds
te continueren.
4. De klacht en de reactie van de psychiater
4.1 Klager verwijt de psychiater dat hij in zijn rapportage onjuist heeft gehandeld, door:
- onzorgvuldige, feitelijk onjuiste en ongefundeerde dossiervorming;
- schending van het beginsel van minimale gegevensverwerking;
- strafbare feiten te suggereren in zijn rapportage;
- diagnostische en prognostische uitspraken te doen zonder voldoende onderzoek;
- mogelijk zijn beroepsgeheim te hebben geschonden;
- gebrek aan hoor en wederhoor.
4.2 De psychiater heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
Hij heeft zorgvuldig gehandeld in zijn verslaglegging, de gegevensverwerking was minimaal
en de overdracht aan de huisarts noodzakelijk en proportioneel, gelet op het risicoprofiel
van klager.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de psychiater de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende psychiater. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de psychiater geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.
5.2 Het college oordeelt dat de psychiater niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder verder uitleggen.
Zorgvuldige verslaglegging
5.3 Het college zal de klachtonderdelen gezamenlijk behandelen nu deze er, samengevat,
op neer komen dat de psychiater onzorgvuldig heeft gehandeld in zijn verslaglegging
richting de huisarts van klager. De bevindingen van het verslag dat de psychiater
heeft gemaakt van het consult/huisbezoek op 1 augustus 2024, maken onderdeel uit van
de specialistenbrief richting de huisarts vanwege afronding van de behandeling door
verweerder.
5.4 Het college stelt vast dat uit de onderliggende stukken blijkt dat verweerder
klager verschillende keren heeft gesproken in het kader van een verkort zorgtraject.
De huisarts had klager doorverwezen naar verweerder voor medicamenteuze instelling.
Volgens verweerder had het traject een beperkte consultatieve doelstelling, namelijk
diagnostische verheldering op hoofdlijnen ten behoeve van medicatiekeuze en risico-inschatting,
het instellen van klager op medicatie, inschatting van veiligheid en continuïteit
van zorg en overdracht en advies aan de huisarts.
5.5 Uit de KNMG-richtlijn ‘Omgaan met medische gegevens’ (versie 2024) volgt
dat het met het oog op de kwaliteit en continuïteit van de zorg gebruikelijk is dat
een medisch specialist (zoals verweerder) die een patiënt na een verwijzing heeft
behandeld, de verwijzer (in dit geval de huisarts) op de hoogte stelt. Deze terugkoppeling
gebeurt meestal via een specialistenbrief. Daarin geeft de specialist een antwoord
op de vraag die de verwijzer heeft gesteld. Uit het dossier volgt dat klager verweerder
expliciet toestemming had gegeven voor berichtgeving aan de huisarts.
5.6 Klager stelt zich op het standpunt dat verweerder in de specialistenbrief zware kwalificaties als ‘stalking’, ‘seksverslaving’ en ‘bedreiging’ heeft opgenomen zonder verificatie of objectieve feiten. Verweerder schrijft in zijn verweer dat de vermelding van deze zaken in het dossier een weergave zijn van hetgeen is besproken door klager en verweerder tijdens het psychiatrisch consult op 1 augustus 2024. Het college is met verweerder van oordeel dat het gebruikelijk is om in een dergelijk verslag de weergave van de cliënt tijdens een consult te vermelden, en dat een zorgverlener de weergave van cliënt als zodanig niet hoeft te verifiëren op waarheidsgehalte. Het college heeft geen aanknopingspunten om aan deze weergave te twijfelen. Bovendien wordt uit het verslag duidelijk dat dit hetgeen is wat klager zelf heeft verteld aan verweerder, en dat het geen juridische kwalificatie is van zijn gedrag. Verder kan het college volgen dat de informatie die is opgenomen in de overdrachtsbrief een concreet klinisch doel diende (bijvoorbeeld de mogelijke seksuele bijwerkingen van Risperidon), dat het standaardpraktijk is de namen van andere professionals te vermelden in het kader van afstemming en continuïteit, en dat ook de vermelding van mogelijke suïcidaliteit van belang was voor de risicotaxatie door opvolgende zorgverleners. Wellicht had informatie in de brief naar de huisarts beknopter gekund, maar het college acht de weergave van verweerder in deze brief niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Voor zover klager stelt dat verweerder strafrechtelijke feiten suggereert in zijn specialistenbrief, overweegt het college dat verweerder, zoals eerder is overwogen, de woorden van klager zelf heeft gebruikt. Verder is een aantal woorden tussen aanhalingstekens geplaatst, om te benadrukken dat deze geen juridische of diagnostische kwalificatie hebben maar een weergave of samenvatting van de woorden van klager zelf.
5.7 Hiervoor onder 5.4 is beschreven wat de (diagnostische) opdracht was die verweerder had ontvangen. Op basis van zorgvuldig diagnostisch onderzoek, bestaande uit een psychiatrisch consult met huisbezoek, een vervolgconsult bestaande uit een gesprek met klager en zijn moeder, psychiatrisch consult en meerdere overleggen met de casemanager van klager concludeerde verweerder dat sprake was van ASS en verzocht hij de huisarts de medicatie te continueren. Verder was de uitspraak over woonbehoefte, zo blijkt ook uit de brief, opgenomen om klager in een omgeving te laten verblijven waar kennis en expertise van ASS aanwezig is. De seksuele impulsen, die volgens klager zijn weergegeven zonder diagnostisch bewijs, zijn een weergave van hetgeen klager zelf heeft verteld. Het is daarbij aan een zorgverlener om te bepalen welke informatie in het dossier wordt opgenomen, voor zover dit relevant is voor de zorgverlening. Een recht op hoor en wederhoor, zoals klager stelt, bestaat in dit geval dan ook niet. Wel kan klager, indien hij bepaalde delen uit het dossier verwijderd wil hebben, een verzoek daartoe doen bij de zorgverlener.
5.8 Tot slot is het verwijt van klager dat mogelijk sprake is van schending beroepsgeheim, door de aanduiding ‘intern en extern’ bovenaan de specialistenbrief, ongegrond. Deze volgens verweerder door het systeem automatisch aangemaakte tekst dient er objectief juist toe om de vertrouwelijkheid van het stuk te benadrukken.
Slotsom
5.9 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college verklaart de klacht kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 12 juni 2026 door P.A.H. Lemaire, voorzitter, H.J. Kolthof en H.J. de Boer, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.