We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TGZRZWO:2026:86 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8679

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:86
Datum uitspraak: 19-06-2026
Datum publicatie: 19-06-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8679
Onderwerp: Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose
Beslissingen: Ongegrond/afwijzing
Inhoudsindicatie: Klacht tegen huisarts ongegrond. Klaagster is bij de waarnemend huisarts geweest met aanhoudende vaginale bloedingen bij een positieve zwangerschapstest. De vervolgens gemeten hCG-waarde zou kunnen passen bij een zwangerschapsduur van ongeveer vijf weken. Bij herhaling van de hCG-bepaling een week later bleek de waarde gedaald. Door deze daling werd vermoed dat sprake was van een miskraam. Op advies van verweerder werd klaagster door de assistente geadviseerd om een afspraak te maken voor een echo bij de verloskundige voor de week erna. Uiteindelijk heeft klaagster een aantal weken later op vakantie een spoedoperatie ondergaan vanwege een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Klaagster verwijt de huisarts – samengevat – dat hij onvoldoende alert is geweest, de zorgen van klaagster en haar partner over een mogelijke buitenbaarmoederlijke zwangerschap niet serieus heeft genomen en onjuiste informatie heeft laten verstrekken via de assistente. Het college komt tot het oordeel dat de huisarts de zorgen van klaagster omtrent een buitenbaarmoederlijke zwangerschap wel degelijk serieus heeft genomen. Verder kan het college niet vaststellen dat de huisarts omtrent het verstrekken van informatie tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing van 19 juni 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klaagster,

gemachtigde: F,

tegen

C,

huisarts,

werkzaam in B,

verweerder, hierna ook: de huisarts,

gemachtigde: mr. C.J. van den Ham, werkzaam in Utrecht.

1. De zaak in het kort

1.1       Klaagster is bij de waarnemend huisarts geweest met aanhoudende vaginale bloedingen bij een positieve zwangerschapstest. De vervolgens gemeten hCG-waarde zou kunnen passen bij een zwangerschapsduur van ongeveer vijf weken. Bij herhaling van de hCG-bepaling een week later bleek de waarde gedaald. Door deze daling werd vermoed dat sprake was van een miskraam. Op advies van verweerder werd klaagster door de assistente geadviseerd om een afspraak te maken voor een echo bij de verloskundige voor de week erna. Uiteindelijk heeft klaagster een aantal weken later op vakantie een spoedoperatie ondergaan vanwege een buitenbaarmoederlijke zwangerschap.

    1.       Klaagster verwijt de huisarts – samengevat – dat hij onvoldoende alert is geweest,

de zorgen van klaagster en haar partner over een mogelijke buitenbaarmoederlijke zwangerschap niet serieus heeft genomen en onjuiste informatie heeft laten verstrekken via de assistente.

    1.       Het college komt tot het oordeel dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft

gehandeld en verklaart de klacht ongegrond. Hierna licht het college dat toe.
 

2. De procedure

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 1 juli 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 29 augustus 2025;
  • het proces-verbaal van het op 29 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
  • aanvullende informatie van de gemachtigde van verweerder, ontvangen bij e-mail van 9 januari 2026.

2.2     De zaak is behandeld op de openbare zitting van 8 mei 2026. Klaagster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht.

2.3     Klaagster heeft ook een klacht ingediend tegen de betrokken verloskundige. Deze klacht is geregistreerd onder zaaknummer Z2025/8680 en is gelijktijdig op zitting behandeld. In beide zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.
 

3. De feiten

3.1     Verweerder is huisarts en praktijkhouder van D (verder: de

praktijk).
 

3.2      Klaagster staat sinds 2015 ingeschreven als patiënt in de praktijk.
 

3.3     Klaagster bezocht de praktijk op 24 april 2025 met klachten van vaginaal bloedverlies bij een positieve zwangerschapstest. Zij werd gezien door de waarnemend huisarts. Deze noteerde dat klaagster mogelijk polycysteus ovarium syndroom (verder: PCOS) had en dat klaagster op verschillende momenten bloedingen had gehad. Verder blijkt uit de notitie dat klaagster geen buikpijn of andere klachten had en dat er die dag sprake was van een positieve zwangerschapstest. Het was volgens de waarnemend huisarts op dat moment niet te achterhalen hoe lang klaagster zwanger was of dat er sprake was van een miskraam en er waren geen alarmsignalen en geen aanwijzingen voor een extra-uteriene graviditeit (EUG) (hierna ook: buitenbaarmoederlijke zwangerschap). Geadviseerd werd om de hCG (humaan choriongonadotrofine)-waarde door middel van bloedonderzoek te bepalen en dat bij een hoge hCG-waarde er met een gynaecoloog zou worden overlegd gezien de aanhoudende bloedingen.
 

3.4     Op 25 april 2025 was de hCG-waarde 2333 U/l. De waarnemend huisarts noteerde dat deze waarde past bij de duur van ongeveer vijf weken zwangerschap en dat het lastig te zeggen was of er sprake was van een miskraam. Voorgesteld werd om het hCG-onderzoek een week later te herhalen om te zien of de waarde verder zou stijgen. De waarnemend huisarts probeerde die dag klaagster telefonisch te bereiken, maar kreeg geen gehoor.

Op 28 april 2025 werd het voorstel van de waarnemend huisarts om een week later nogmaals de hCG-waarde te bepalen telefonisch met de partner van klaagster besproken. 

3.5      Op 1 mei 2025 was de hCG-waarde 1860 U/l. Op 2 mei 2025 belde de partner van klaagster naar de praktijk en sprak met de doktersassistente. De assistente overlegde vervolgens met verweerder. In de notitie staat (alle citaten letterlijk weergegeven):


“S Nieuwe HCG uitslag binnen na mogelijke miskraam (bloedverlies tijdens zwangerschap) HCG gedaald. Al 2 weken geen bloedingen meer gehad.
HV: wat kan ik pt doorgeven?
E Bloedverlies tijdens zwangerschap
P Iom E Kan een miskraam niet uitsluiten gezien daling. al een echo gehad via verloskundige? hoe is het nu met de klachten?
S Hebben verloskundige gebeld maar hebben vandaag geen ruimte voor echo. Pt nu erg bang voor evt buitenbaarmoedelijke zwangerschap. Gaat liever zo niet het weekend in gezien maandag ook alles nog dicht is.
HV: kunnen wij hier iets in betekenen?
E Bloedverlies bij zwangerschap
P Gezien geen buikpijnklachten en geen bloedverlies meer minimale kans op buitenbaarmoedrelijke zwangerschap. Advies afspraak maken voor echo bij verloskundige voor volgende week
.”
           

3.6      Op 20 juni 2025 werd klaagster gezien door een waarnemend huisarts van de huisartsenpost. Hier bleek dat klaagster tien dagen ervoor op vakantie een spoedoperatie had ondergaan vanwege een buitenbaarmoedelijke zwangerschap, waarbij een eileider was verwijderd. De hulpvraag van klaagster was om de hechtingen te (laten) verwijderen. Op 23 juni 2025 werd klaagster door de huisartsenpraktijk voor het verwijderen van de hechtingen verwezen naar het ziekenhuis.
 

3.7     Op 24 juni 2025 spraken verweerder en de partner van klaagster elkaar over het beloop en de onvrede daarover. Verweerder noteerde hierover, voor zover relevant:


“Uitgebreid gsp met partner. onvrede over de communicatie. aangegeven dat gezien op 2 mei geen buikpijn en geen bloedverlies er was het advies bleef om een echo uit te voeren. die is naar wat dhr vertelt op vrijdag 9mei uitgevoerd door de verloskundige, onduidelijk wat er gevonden is, beeld van iets wat geweest is?! verslag volgt (is bij ons niet bekend).”

Onder plan noteerde verweerder verder dat hij had aangeboden om een gesprek te plannen op zijn spreekuur om meer duidelijkheid te verschaffen. Afgesproken werd dat de partner van klaagster hiervoor zelf een afspraak zou maken.

3.8      Op 26 juni 2025 spraken verweerder en de partner van klaagster elkaar op het spreekuur van verweerder. Verweerder noteerde:

“Uitgebreid gsp met dhr omtrent het verloop. vanaf 2 mei tot aan de vakantie geen klachten meer gehad, geen bloeding. echo 9 mei mogelijk niet compleet uitgevoerd geeft dhr aan. baarmoeder was goed. Geen EUG werd genoteerd. Lab liet wel het beeld van dalende HCG. op vakantie ineens klachten met bloeding. aldaar geopereerd.”

4. De klacht en de reactie van de huisarts

4.1     Klaagster verwijt de huisarts dat hij:

  1. onvoldoende alert is geweest en niet tijdig een buitenbaarmoedelijke zwangerschap heeft gediagnosticeerd ondanks de signalen;
  2. de zorgen van klaagster en haar partner over een mogelijke buitenbaarmoedelijke zwangerschap niet serieus heeft genomen en onvoldoende zorg heeft verleend, door geen verwijzing naar de gynaecoloog te geven;
  3. op 2 mei 2025 onjuiste (geruststellende) informatie heeft laten verstrekken via de assistente en daar onvoldoende toezicht op heeft gehouden.
     

4.2     De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college

De criteria voor de beoordeling

5.1      De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.

Klachtonderdelen a) onvoldoende alert en b) niet serieus nemen zorgen en onvoldoende zorg verlenen

5.2     Klaagster verwijt de huisarts dat hij onvoldoende alert is geweest en niet tijdig een buitenbaarmoederlijke zwangerschap heeft gediagnosticeerd, ondanks de signalen. Daarnaast stelt klaagster zich op het standpunt dat de huisarts de zorgen van haar en haar partner over een mogelijke buitenbaarmoedelijke zwangerschap niet serieus heeft genomen en onvoldoende zorg heeft verleend, door geen verwijzing naar de gynaecoloog te geven.

5.3     Onder verwijzing naar de NHG-richtlijn “Tubaire Extra Uteriene Graviditeit (EUG) en Zwangerschap met Onbekende Locatie (ZOL)” voert de huisarts aan dat klaagster geen buik- of bekkenpijn heeft geuit en ook geen andere klachten zoals passend bij een EUG. Gelet op het feit dat klaagster op 2 mei 2025 aangaf dat zij sinds twee weken geen bloedverlies meer had en daarnaast gelet op de daling van de hCG-waarde, meende de huisarts dat er een minimale kans aanwezig was op een EUG. Om die reden zag hij geen aanleiding voor een spoedverwijzing naar een verloskundige of gynaecoloog en heeft hij klaagster, meer vanwege haar eigen onrust en angst voor een EUG, geadviseerd om contact te leggen met een verloskundige ter bevestiging van een miskraam.

5.4     Het college acht de uitleg van de huisarts navolgbaar. Vanwege het atypische beloop en het feit dat de klachten niet voldoende pasten bij een EUG, begrijpt het college dat de huisarts uitging van een miskraam. Op basis van het huisartsenjournaal gaat het college er daarbij vanuit dat de relevante informatie is uitgevraagd bij klaagster en haar partner. Op basis daarvan kon de huisarts tot de conclusie komen dat de kans op een EUG minimaal was. Om die reden was verwijzing naar de gynaecoloog niet aan de orde. Uit het feit dat hij klaagster wel geadviseerd heeft naar de verloskundige te gaan, blijkt naar het oordeel van het college dat hij haar zorgen omtrent een EUG wel degelijk serieus heeft genomen.

Dit betekent dat de klachtonderdelen a) en b) ongegrond zijn.

Klachtonderdeel c) laten verstrekken onjuiste informatie

5.5       Volgens klaagster heeft de huisarts op 2 mei 2025 onjuiste (geruststellende) informatie aan hen laten verstrekken en heeft hij daar onvoldoende toezicht op gehouden. De assistente zou expliciet tegen hen gezegd hebben dat een buitenbaarmoederlijke zwangerschap was uitgesloten.

5.6       De huisarts heeft navraag gedaan bij de betreffende assistente. Deze ontkent volgens de huisarts dat zij stellig zou hebben overgebracht dat een EUG in het geheel uitgesloten was door de huisarts. Daarnaast geldt de werkafspraak dat het in het journaal geschreven advies van de huisarts letterlijk door de assistenten wordt teruggekoppeld aan patiënten, juist om te voorkomen dat het op een verkeerde wijze wordt overgebracht. De huisarts heeft genoteerd: “Gezien geen buikpijnklachten en geen bloedverlies meer minimale kans op buitenbaarmoedrelijke zwangerschap. Advies afspraak maken voor echo bij verloskundige voor volgende week”. Hieruit blijkt volgens de huisarts dat de assistente op de hoogte was van het advies en zij heeft dit conform werkafspraak teruggekoppeld aan klaagster en haar partner.

5.7         Niet ter discussie staat dat in het dossier vermeld is dat sprake was van een minimale kans op een buitenbaarmoederlijke zwangerschap. Dat – zoals door klaagster gesteld – sprake zou zijn van een discrepantie tussen deze aantekening en de mededeling van de assistente kan het college niet vaststellen. Het college ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat de huisarts in zoverre onvoldoende toezicht heeft gehouden. De beschikbare stukken bieden geen aanknopingspunten waaruit kan worden afgeleid dat de door de huisarts genoemde werkafspraak ten aanzien van de terugkoppeling van adviezen in dit geval niet zou zijn nageleefd. Het college kan dan ook niet vaststellen dat de huisarts op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Klachtonderdeel c) is hiermee eveneens ongegrond.

Slotsom

5.8     Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht ongegrond zijn.

6. De beslissing

Het college:

  • verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 19 juni 2026 door P.E.M. Messer-Dinnissen, voorzitter,

A.D.J. van Empel en R.M. Oosterhout, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.D. Moeke, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard;
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.