ECLI:NL:TGZRZWO:2026:85 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8949
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:85 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-06-2026 |
| Datum publicatie: | 08-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8949 |
| Onderwerp: | Geen of onvoldoende zorg |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegrond klacht tegen een neuroloog. Klaagster lijdt aan MS. Zij verwijt de behandelend neuroloog – kort gezegd – dat hij de periode na de start met medicatie heeft nagelaten te reageren op herhaalde signalen van medicatiefalen. Het college overweegt onder meer dat een toename van klachten niet de conclusie rechtvaardigt dat een verkeerde diagnose is gesteld, dan wel dat de ingezette behandeling en diagnostiek niet adequaat was. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 8 juni 2026 op de klacht van:
A,
wonende in C,
klaagster,
tegen
B,
neuroloog,
destijds werkzaam in C,
verweerder, hierna ook: de neuroloog,
gemachtigde: mr. M.J. de Groot, advocaat te Hilversum.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster lijdt aan Multiple Sclerose (MS). Na een verhuizing kwam zij in
behandeling bij de neuroloog en werd gestart met het medicijn ocrelizumab. Klaagster
verwijt de neuroloog – kort gezegd – dat hij in de periode daarna heeft nagelaten
adequaat te reageren op herhaalde signalen van medicatiefalen, waardoor klaagster
onomkeerbare neurologische schade heeft opgelopen.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 26 augustus 2025;
- het verweerschrift met bijlage, ontvangen op 18 november 2025;
- de repliek met bijlagen, ontvangen op 5 januari 2026;
- de dupliek, ontvangen op 27 januari 2026.
2.2 De partijen hebben de gelegenheid gekregen om onder leiding van een secretaris
van het college in gesprek te gaan (mondeling vooronderzoek). Daarvan hebben zij geen
gebruik gemaakt.
2.3 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Na een periode met toenemende klachten werd klaagster in 2020 gediagnosticeerd met MS. Door het MS Centrum D (hierna: het MS Centrum) werd de diagnose RRMS (Relapsing remitting multiple sclerose) met hoge lesion load gesteld. Vanwege een verhuizing werd klaagster begin 2021 door het MS Centrum verwezen naar E (hierna: het ziekenhuis) waar de neuroloog werkt.
3.2 Klaagster werd op 18 februari 2021 door de neuroloog gezien. Besloten werd een MRI-hersenen te laten maken. Op 10 maart 2021 was er telefonisch contact tussen klaagster en de neuroloog, waarbij zij aangaf sinds een aantal dagen uitval van het linkerbeen te hebben. Zij werd de volgende dag door de neuroloog gezien. De neuroloog concludeerde dat sprake was van een nieuwe schub. Besloten werd de MRI af te wachten. Op 25 maart 2021 volgde weer een consult. Op de MRI van de hersenen was een toename van demyeliniserende letsels te zien, waarvan ongeveer zes aankleurden op gadolinium. Als beleid noteerde de neuroloog dat er volgens hem een indicatie was voor tweedelijns therapie in de vorm van ocrelizumab en dat klaagster zou worden besproken met het MS Centrum.
3.3 Op 26 maart 2021 werd genoteerd dat het advies na videoconferentie met F (het MS Centrum) was niet te starten met ocrelizumab vóór volledige Covid vaccinatie en dat eerst één jaar NTZ (natalizumab) kon worden overwogen. Daarna kon – na volledige vaccinatie - worden overgegaan op ocrelizumab. In overleg met klaagster werd besloten (toch) te starten met ocrelizumab. Op 16 en 30 april 2021 volgde toediening van ocrelizumab per infuus.
3.4 Eind juni 2021 liet klaagster per e-mail weten dat zij verder achteruit was gegaan. Zij gaf aan nog maar 40 meter te kunnen lopen en dat ook haar cognitieve functies verder verslechterd waren. Zij vroeg ook of zij mee kon doen met een studie naar lipoxine A4. Ook twijfelde zij over de diagnose RRMS omdat zij alleen achteruitgang ervaarde. Klaagster dacht daarom zelf meer aan PPMS (Primair progressieve multiple sclerose). Tijdens het spreekuur van 22 juli 2021 kwamen de vragen van klaagster aan de orde. Afgesproken werd de vragen van klaagster over de diagnose, medicatie en de studie voor te leggen aan het MS Centrum.
3.5 Op 7 september 2021 zagen klaagster en de neuroloog elkaar opnieuw. De conclusie van het overleg met de neuroloog van het MS Centrum was dat het op dat moment niet zinvol was de diagnose te herzien, dat het voor de behandeling ook niet uitmaakte en dat het effect van de ocrelizumab moest worden afgewacht, die zowel voor RRMS als voor PPMS geïndiceerd was. De studie naar lipoxine liep nog niet. Klaagster liet weten dat het op dat moment goed ging. Ze dacht zelf dat dit te maken had met het door haar gevolgde dieet. De neuroloog noteerde in het dossier dat klaagster nog geen nieuwe gift ocrelizumab wilde en ook geen nieuwe MRI.
3.6 Op 15 oktober 2021 liet klaagster telefonisch aan de verpleegkundige weten dat zij achteruitgang merkte, met name spieruitval en geheugenproblemen. Op 9 november 2021 volgde toediening van de tweede kuur ocrelizumab.
3.7 Na een COVID-infectie in de tweede helft van november 2021 meldde klaagster tijdens het spreekuur van 14 december 2021 een toename van klachten, met name minder kracht in de benen. Afgesproken werd af te wachten en een nieuwe MRI van de hersenen te laten maken.
3.8 Op 2 februari 2022 volgde een telefonisch consult. Op de MRI van de hersenen waren geen nieuwe laesies zichtbaar. Klaagster gaf aan dat het lopen steeds slechter werd. De neuroloog besloot een MRI van het ruggenmerg (met contrast) te laten maken.
3.9 Klaagster en de neuroloog zagen elkaar weer tijdens het spreekuur van 23 maart 2022. De neuroloog noteerde dat het lopen langzaamaan steeds slechter ging en dat klaagster vooral veel last had van spasticiteit. Ook had zij minder gevoel in de handen. De vooruitgang na de eerste twee behandelingen met ocrelizumab was zij weer kwijt. Klaagster dacht na over stamceltherapie. Op de MRI van het ruggenmerg waren geen overtuigende nieuwe laesies zichtbaar. De neuroloog schreef baclofen voor.
3.10 Op 19 mei 2022 kreeg klaagster de derde kuur ocrelizumab en op 4 november 2022 de vierde kuur.
3.11 In een e-mail van 9 december 2022 aan de verpleegkundige schreef klaagster dat ze achteruitging. Zij had twee krukken nodig en kon slechts korte afstanden lopen. Zij had veel last van spierstijfheid in de benen en ook steeds meer last van spasmes. Klaagster had het gevoel dat het lang duurde voordat de ocrelizumab werkte en dat deze ook weer snel uitgewerkt was. Zij was nog niet begonnen met de eerder voorgeschreven baclofen maar was van plan dat alsnog te doen.
3.12 Op 12 december 2022 noteerde de neuroloog als beleid onder meer het proberen van baclofen en een nieuwe MRI. Op 28 december 2022 noteerde hij dat op de MRI van de hersenen en de MRI van het ruggenmerg geen nieuwe laesies zichtbaar waren. De baclofen had klaagster nog niet geprobeerd vanwege andere klachten.
3.13 Bij een vervolgconsult op 22 februari 2023 meldde klaagster opnieuw een achteruitgang met lopen en op 13 maart 2023 meldde klaagster achteruitgang qua armen, benen en darmen. Van een consult op 14 maart 2023 noteerde de neuroloog dat klaagster benoemde dat zij sinds oktober 2022 steeds verder achteruitging en dat vooral lopen steeds slechter ging. Klaagster twijfelde aan de RR in de diagnose RRMS omdat sprake was van een geleidelijke achteruitgang. De neuroloog noteerde dat naar zijn mening er wel degelijk sprake was van RRMS en dat de beeldvorming nu stabiel was.
3.14 In een e-mail van 12 april 2023 liet klaagster weten die dag bij de maag-darm-leverarts te zijn geweest en dat de toename van haar klachten goed verklaard kon worden door de darmklachten en dat die opgelost, dan wel flink konden worden verbeterd. Ze schreef verder het eens te zijn met het voorstel van de neuroloog de medicatie voort te zetten. Een aparte (bel)afspraak voor nadere afstemming was wat klaagster betreft niet meer nodig.
3.15 Op 8 mei 2023 volgde weer een kuur ocrelizumab.
3.16 Op 11 september 2023 liet klaagster per e-mail weten dat de MS-klachten ondanks een afname van de maag/darmklachten niet waren verminderd. Klaagster schreef verder ondanks de medicatie, dieet en leefstijlaanpassingen een snelle achteruitgang te zien over de achterliggende periode. Ook benoemde zij opnieuw haar twijfel over het type MS. Klaagster verzocht een verwijzing naar het MS Centrum en stelde de vraag of stamceltherapie een optie voor haar was.
3.17 Op 12 september 2023 sprak de neuroloog klaagster telefonisch over deze e-mail. Afgesproken werd dat klaagster zou worden verwezen naar het MS Centrum. De verwijzing werd verzonden op 27 september 2023.
3.18 De terugkoppeling vanuit het MS Centrum was dat sprake was van RRMS met een klinische progressie onder ocrelizumab. Het advies was door te gaan met ocrelizumab en te starten met fampyra.
3.19 Tijdens een spreekuurcontact op 18 december 2023 vertelde klaagster dat zij stamceltherapie zou ondergaan in het buitenland.
3.20 Na de stamceltherapie trad er een verbetering op in de klachten van klaagster. De eerder ontstane invaliditeit is blijven bestaan.
4. De klacht en de reactie van de neuroloog
4.1 Klaagster verwijt de neuroloog:
- nalatigheid bij objectieve klinische verslechtering; ondanks een achteruitgang van EDSS 4 naar 6,5 tijdens de behandeling met ocrelizumab heeft de neuroloog geen aanvullende diagnostiek uitgevoerd, zijn behandeling niet aangepast en geen collegiale consultatie gezocht;
- inadequate diagnostiek ondanks behandelfalen; de neuroloog liet wel MRI-scans uitvoeren, maar consistent zonder gadolinium-contrastvloeistof, een keuze die medisch niet te rechtvaardigen is;
- onjuiste klinische aannames, door consistent te handelen vanuit de verouderde premisse dat een stabiele MRI gelijkstaat aan ziektecontrole. Deze aanname negeert volledig het sinds 2020 wetenschappelijk erkende fenomeen van “progression independent of relaps activity” (PIRA) waarbij MS kan verergeren ondanks stabiele beeldvorming (ook wel “silent progression”);
- verzuim in tijdige verwijzing door klaagster pas na anderhalf jaar klinische achteruitgang
en alleen op haar (herhaald) verzoek te verwijzen naar het MS Centrum D.
4.2 De neuroloog heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
De geleidelijke progressie van de beperkingen van klaagster is door de neuroloog telkens
serieus genomen en leidde tot aanvullend onderzoek, waarbij MRI’s werden herhaald
en bloedonderzoek werd gedaan. De beslissing de behandeling met ocrelizumab voort
te zetten was gebaseerd op de afwezigheid van terugval of nieuwe laesies op de MRI,
de richtlijn MS en consensus binnen de MS-expertisecentra. De keuze niet bij elke
MRI gadoliniumcontrast te gebruiken was in lijn met de geldende protocollen. Dit heeft
te maken met het risico op gadoliniumstapeling in de hersenen. Binnen de medische
wetenschap is bekend dat nieuwe ontstekingen heel goed kunnen worden behandeld met
de gebruikte middelen, maar ook is bekend dat de achteruitgang van het ziektebeeld
op de achtergrond doorgaat. Helaas is daar nog geen wetenschappelijk bewezen behandeling
voor. Om die reden stelt de Richtlijn MS dan ook dat alleen aantoonbare nieuwe ziekteactiviteit
(ontsteking) en/of klinische terugvallen noopt tot aanpassen van de behandeling. Bij
klaagster waren na de start van de medicatie geen nieuwe MRI afwijkingen ontstaan
en de laatste terugval was van juni 2021 in een periode dat de in april 2021 gestarte
medicatie nog niet volledig werkte. Wel was er een langzame achteruitgang van het
lopen. Spasticiteit als gevolg van de ziekteactiviteit voorafgaand aan de start van
de medicatie is geen terugval. Dat geldt ook voor de darmproblemen van klaagster.
Gezien het voorgaande was er geen indicatie voor (terug)verwijzing. Toen klaagster
daar in september 2023 om vroeg heeft de neuroloog haar onverwijld verwezen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de neuroloog de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende neuroloog. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de neuroloog geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt.
5.2 Het college oordeelt dat de neuroloog niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en overweegt ten aanzien van de verschillende klachtonderdelen het volgende.
Klachtonderdeel a) handelen bij klinische verslechtering
5.3 Dit klachtonderdeel gaat over het handelen van de neuroloog in de periode
na de start van de behandeling met ocrelizumab. In deze periode waren de klachten
van klaagster wisselend aanwezig, maar was er over het geheel genomen een achteruitgang,
zonder dat er sprake was van een terugval of schub.
5.4 De neuroloog heeft vanaf de start van de behandeling met ocrelizumab meermaals een MRI laten uitvoeren (in januari 2022 een MRI van de hersenen, in maart 2022 een MRI van het ruggenmerg en in december 2022 zowel een MRI van de hersenen als van het ruggenmerg). Ook werd bloedonderzoek gedaan. Bij een dergelijke langzame progressie, zonder terugval/schub was frequenter MRI-onderzoek niet nodig.
5.5 Ook heeft de neuroloog, mede na door klaagster uitgesproken twijfel over de diagnose RRMS, overleg gehad met een in MS gespecialiseerde collega neuroloog van zijn afdeling en een neuroloog bij het MS Centrum. Van dit overleg noteerde de neuroloog op 7 september 2021 in het dossier dat het effect van de behandeling met ocrelizumab moest worden afgewacht, die zowel geïndiceerd was voor RRMS alsook voor PPMS. Dat in de periode hierna de klachten nog altijd toenamen leidt niet tot de conclusie dat nogmaals overleg had moeten worden gevoerd. Een toename van klachten ondanks de behandeling met ocrelizumab betekent niet dat de behandeling met ocrelizumab niet effectief was. Met de behandeling met ocrelizumab was de beeldvorming stabiel gebleven. Er waren geen nieuwe klinische terugvallen (hierna: relapsen). Desondanks namen de klachten van klaagster toe. Deze toename van klachten ondanks tweedelijnsmedicatie past – helaas – bij het ziektebeeld van klaagster dat bij aanvang van de behandeling werd gekenmerkt door zeer actieve ziekte met een hoge lesion load. In zoverre was nogmaals overleg met het MS Centrum of (andere) collega’s dan ook niet aangewezen. Ook een verandering in medicatie was niet aangewezen. De ocrelizumab was namelijk wel effectief in het voorkomen van relapsen. Daarbij was ocrelizumab al een tweedelijnsmedicatie en was er geen alternatieve behandeling beschikbaar voor gevallen waarin sprake was van een toename van klachten ondanks tweedelijnsmedicatie.
5.6 Gelet op het voorgaande komt het college tot de conclusie dat klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond moet worden verklaard. Van nalatigheid bij klinische verslechtering was geen sprake. De door de neuroloog uitgevoerde diagnostiek was voldoende, er is afdoende collegiaal overleg geweest en aanpassing van de behandeling was niet aangewezen.
Klachtonderdeel b) inadequate diagnostiek ondanks behandelfalen (MRI onderzoeken zonder
gadolinium contrast)
5.7 Om de effectiviteit van een behandeling te kunnen meten worden controle-MRI’s gemaakt. Nieuwe laesies zijn ook zichtbaar op MRI-scans zonder contrast. Omdat het gebruik van gadolinium contrast een (cumulatief) risico op gadoliniumstapeling in de hersenen geeft wordt dit gadolinium contrast niet standaard gebruikt. Dit is ook niet nodig omdat nieuwe afwijkingen ook op een MRI-scan zonder contrast zichtbaar zijn. Toevoeging van gadolinium contrast is alleen nodig om te kunnen zien of (nieuwe) laesies actief zijn. Als er geen nieuwe laesies zijn, heeft het gebruik van contrast geen toegevoegde waarde. De keuze van de neuroloog om bij de controle MRI’s niet (altijd) gebruik te maken van contrast is daarmee niet onzorgvuldig. De omstandigheid dat de klachten van klaagster toenamen maakt dat niet anders. Gelet op wat hiervoor onder 5.5 is overwogen kan een toename van klachten bestaan ondanks een stabiele beeldvorming en het uitblijven van relapsen. Een toename van klachten rechtvaardigt dus niet de conclusie dat een verkeerde diagnose is gesteld, dan wel dat de ingezette behandeling en diagnostiek niet adequaat was. Dit betekent dat ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel c) juistheid klinische aannames
5.8 Ondanks de stabiele beeldvorming en afwezigheid van relapsen bij tweedelijnsmedicatie was sprake van een toename van de klachten van klaagster. Zoals eerder is overwogen is dit geen ongewoon beeld. Uit de beschikbare stukken blijkt niet dat de neuroloog deze achteruitgang miskende. Er was ten tijde van de behandeling van klaagster echter simpelweg geen (andere) behandeling beschikbaar die bewezen effectief was in het voorkomen of tot staan brengen van deze achteruitgang. Ten tijde van de behandeling van klaagster door de neuroloog was bijvoorbeeld stamceltherapie nog geen gebruikelijke behandelmethode die in Nederland werd uitgevoerd. Pas in de tweede helft van 2023 werden de eerste MS-patiënten in Nederland geïncludeerd in een nationale MS-ACT trial (MS en stamceltherapie). Voor een beperkte groep MS-patiënten die aan bepaalde voorwaarden voldeden kwam daarmee, na advisering vanuit een landelijke werkgroep, door de ziektekostenverzekeraar vergoede stamceltherapie beschikbaar. Gelet op het voorgaande is ook klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) tijdigheid verwijzing
5.9 Zoals hiervoor meermaals is overwogen was de toename van klachten bij stabiele beeldvorming en zonder relapsen niet ongewoon bij de ziekte van klaagster. Bij afwezigheid van alternatieven bleef het ingezette beleid met tweedelijnsmedicatie adequaat en in overeenstemming met de geldende richtlijnen. Er was dan ook geen aanleiding voor de neuroloog klaagster op eigen initiatief terug te verwijzen naar het MS Centrum. Dit veranderde op het moment dat klaagster in september 2023 zelf verzocht om een verwijzing naar het MS Centrum voor een second opinion. De neuroloog heeft deze verwijzing vervolgens binnen enkele weken in orde gemaakt. Uit het voorgaande volgt dat van een niet-tijdige verwijzing geen sprake is. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 8 juni 2026 door Th.A. Wiersma, voorzitter, S.T.F.M. Frequin en W.M. Mulleners, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M. Keukenmeester, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.