ECLI:NL:TGZRZWO:2026:59 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8744
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:59 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 17-04-2026 |
| Datum publicatie: | 17-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8744 |
| Onderwerp: | Onjuiste behandeling/verkeerde diagnose |
| Beslissingen: | Ongegrond, kennelijk ongegrond |
| Inhoudsindicatie: | Kennelijk ongegronde klacht tegen een huisarts. Klaagster verwijt de huisarts discriminatie, onprofessioneel handelen en nalatigheid. Het college is van oordeel dat een precieze reconstructie van de gesprekken/consulten niet mogelijk is en niet kan worden vastgesteld wat er is gezegd. Ook blijft onduidelijk in hoeverre de herkomst van klaagster in deze situatie een relevant onderwerp was en op welke wijze het is besproken. Duidelijk is wel dat klaagster het refereren aan haar herkomst als kwetsend en discriminerend heeft ervaren. Hiervoor heeft de huisarts zich geëxcuseerd en aangegeven hiervan te hebben geleerd. Daarnaast is van nalatig handelen geen sprake. De huisarts heeft klaagster doorverwezen, telkens te woord gestaan en van advies voorzien, ook omtrent andere zorgvragen. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing in raadkamer van 17 april 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
tegen
C,
huisarts,
werkzaam in B,
verweerster, hierna ook: de huisarts,
gemachtigde: mr. A.W. Hielkema, werkzaam in Utrecht.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster nam contact op met de huisarts wegens zorgen om het niet opbouwen
van spiermassa ondanks krachttraining en voldoende voeding. Zij kwam op consult bij
de huisarts en kreeg een verwijzing naar een sportarts. Klaagster is niet tevreden
met de zorg die zij heeft gekregen. Zij verwijt de huisarts discriminatie, onprofessioneel
handelen en nalatigheid.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’
betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk
is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe
het tot deze beslissing is gekomen.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met de bijlage, ontvangen op 15 juli 2025;
- het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 11 september 2025;
- het aanvullende stuk van klaagster, ontvangen op 31 oktober 2025;
- het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 13 november 2025
en het bericht van klaagster van 20 november 2025 dat zij de klacht wil doorzetten.
2.2 Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college
de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig
waren.
3. De feiten
3.1 Klaagster nam op 7 januari 2025 telefonisch contact op met de huisartsenpraktijk, die de huisarts vanaf 1 januari 2025 eerst deels en vanaf 1 juli 2025 volledig had overgenomen. Klaagster maakte zich zorgen omdat het niet lukte spiermassa op te bouwen ondanks krachttraining en voldoende voeding. De assistente heeft na overleg met de huisarts klaagster teruggebeld. In het medisch dossier is hierover het volgende genoteerd (letterlijk overgenomen):
’’(..)
E: Heeft de minipil evt. een negatieve invloed op de spiermassa?
C: voor zover ik weet. Ik ken haar niet maar als ze uit D komt kan het zijn dat
ze genetisch niet de aanleg heeft tot veel spiermassa. Ze kan proberen wat extra eiwitten/
kreatinine in te nemen, dat zou nog wel wat kunnen helpen.’’
3.2 Op 14 januari 2025 kwam klaagster bij de huisarts op het spreekuur. De huisarts
noteerde:
’’Wil het leger in. Moet daarvoor goede conditie hebben en meer spiermassa/ kracht.
Is nu 1,5 jaar aan het trainen, neemt creatine en eet ongeveer 3000 calorieen per
dag. Komt niet aan in gewicht, wordt niet sterker. Is geadopteerd uit D (..)
heeft een paar keer gesprek met persional trainer gehad.
slank, D vrouw.
Lab in dec en lab vorig jaar: geen afw.
(..)’’
Klaagster werd naar een sportarts in het ziekenhuis verwezen. In de verwijsbrief schreef de huisarts als reden voor de verwijzing:
’’Graag uw onderzoek/ behandeling ivm weinig spiermassa/ laag gewicht ondanks veel
sporten en veel eten. Bij vrouw afkomstig uit D. Lichamelijk oorzaak?’’
3.3 Vervolgens stuurde de sportarts op 17 maart 2025 een brief naar de huisarts
met daarin een terugkoppeling en de gegeven adviezen aan klaagster.
3.4 Klaagster nam op 25 maart 2025 telefonisch contact op met de praktijk. Zij vertelde dat zij zich gediscrimineerd en niet gehoord voelde door de huisarts. Ook gaf klaagster aan bloedonderzoek en een andere huisarts te willen. Op 27 maart 2025 sprak de huisarts met klaagster over haar ontevredenheid. Hierna is klaagster overgeschreven naar een collega-huisarts binnen dezelfde praktijk.
3.5 Op 23 april 2025 stond er nog een afspraak gepland bij de huisarts. Tijdens dit consult zei klaagster dat zij al langere tijd last had van slaapproblemen en de klachten toenamen. Zij wilde slaapmedicatie en verzocht om een bloedonderzoek. De huisarts liet bloedonderzoek verrichten en wilde de uitslag daarvan afwachten.
3.6 In de dagen daarna was er telefonisch contact over de slapeloosheid van klaagster. De vader van klaagster belde (met medeweten van klaagster) op 25 april 2025 naar de praktijk om zijn zorgen te uiten. Hij vroeg om een paar slaaptabletten voor te schrijven. Na overleg schreef de huisarts tien pillen temazepam voor. Ook adviseerde de huisarts klaagster om in gesprek te gaan met de nieuwe huisarts. Begin mei 2025 vond er een kennismakingsgesprek tussen klaagster en haar nieuwe huisarts plaats.
4. De klacht en de reactie van de huisarts
4.1 Klaagster verwijt de huisarts:
- het doen van discriminerende uitspraken en onheuse bejegening, door afkomst als “probleem” te benoemen zonder medische grond en wetenschappelijke onderbouwing;
- het actief weigeren van basale diagnostiek ondanks het noemen daarvan;
- inconsistent gedrag en het ontkennen van eerder gedane uitspraken;
- het niet op de hoogte zijn van het medisch dossier, dat zelf erkennen en ook geen tijd ervoor op brengen om te lezen;
- het maken van een doorverwijzing naar een sportarts zonder inhoudelijke beoordeling of plan;
- een structureel gebrek aan respect, medische ernst en professionaliteit, lachen om
en bagatelliseren van medische vragen, zoals die over mogelijke hormonale oorzaken.
4.2 De huisarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren, omdat
zij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
De criteria voor de beoordeling
5.1 De vraag is of de huisarts de zorg heeft verleend die van haar verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende huisarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de huisarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Dat een zorgverlener beter anders had kunnen handelen is niet altijd genoeg voor een tuchtrechtelijk verwijt. Verder geldt het uitgangspunt dat zorgverleners alleen tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun eigen handelen.
5.2 Het college oordeelt dat de huisarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
Klachtonderdeel a), c) en f) discriminerende uitspraken, gebrek aan respect en onheuse bejegening
5.3 Vanwege de onderlinge samenhang worden de klachtonderdelen a, c en f gezamenlijk behandeld. Al deze verwijten zien op de bejegening van klaagster door de huisarts, het gedrag van de huisarts en de onderlinge communicatie.
5.4 Het college constateert dat de lezingen van klaagster en verweerster over de bejegening en gedane uitspraken tijdens de consulten uiteenlopen. Het college is uiteraard niet bij de consulten aanwezig geweest en kan alleen al daarom niet vaststellen wat wel en niet gezegd is tijdens de gesprekken. Dat verweerster zich op een wijze heeft gedragen zoals klaagster heeft gesteld en discriminerende uitspraken heeft gedaan die moeten leiden tot een gegrond tuchtrechtelijk verwijt, kan het college dan ook niet vaststellen. Dit betekent niet dat het college meer geloof hecht aan het woord van de huisarts dan aan het woord van klaagster wat betreft hetgeen de huisarts tijdens de consulten heeft gezegd. Echter om te kunnen oordelen dat de huisarts tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, moet het college kunnen vaststellen hoe een en ander is gegaan. Dat kan het college in dit geval niet, mede doordat partijen elkaar hierover tegenspreken. Van belang is hierbij ook dat de aantekeningen in het medisch dossier geen letterlijke weergave is (en ook niet hoeft te zijn) van wat er allemaal is gezegd.
5.5 Een aantal malen lijkt de D herkomst van klaagster aan de orde te zijn geweest.
Er
zijn verschillen in lichaamsbouw tussen verschillende etniciteiten/bevolkingsgroepen.
In hoeverre het in deze situatie een relevant onderwerp is en op welke wijze het is
besproken, blijft onduidelijk. Duidelijk is wel dat klaagster het refereren aan haar
herkomst als kwetsend en discriminerend heeft ervaren. Hiervoor heeft verweerster
zich in het mondeling vooronderzoek geëxcuseerd en heeft aangegeven hiervan te hebben
geleerd. Los van het feit dat een precieze reconstructie van de gesprekken/consulten
niet mogelijk is, moet in aanmerking worden genomen dat een en ander heeft plaatsgevonden
in een interactie tussen mensen en daarmee ook altijd onderhevig is aan persoonlijke
interpretatie. Mogelijk is het optreden van verweerster anders overgekomen dan bedoeld,
maar ook hieromtrent kan het college niets vaststellen. Klachtonderdelen a, c en f
zijn kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b), d) en e) weigeren diagnostiek, niet inlezen in dossier en doorverwijzing zonder plan
5.6 Het college overweegt dat klaagster op 14 januari 2025 een spreekuurconsult omtrent de zorgen van klaagster over het opbouwen van spiermassa heeft gehad. Uit het dossier valt af te leiden dat de huisarts daarbij de tijd en aandacht heeft genomen om een en ander met klaagster te bespreken en diverse adviezen heeft gegeven over mogelijke opties. Dat de huisarts niet op de hoogte was van het dossier van patiënte en zich niet zou hebben ingelezen, zoals klaagster stelt, wordt door de huisarts weersproken. Nu klaagster haar stelling niet heeft onderbouwd noch aannemelijk heeft gemaakt kan dit verwijt, gelet op de uitdrukkelijke betwisting van de huisarts, niet slagen. Naar aanleiding van het consult op 14 januari 2025 heeft de huisarts besloten om geen bloedonderzoek te doen aangezien in 2023 en eind 2024 labonderzoek was verricht waar geen afwijkingen naar voren waren gekomen, maar klaagster door te verwijzen naar de sportarts in het ziekenhuis. Zij heeft uitgelegd dat zij klaagster door wilde verwijzen, omdat een sportarts meer specialistische kennis op dat gebied heeft. Het college kan de huisarts volgen in haar uitleg. Deze handelswijze acht het college zorgvuldig en navolgbaar. Dat klaagster diagnostiek is onthouden of geweigerd kan uit de stukken niet worden opgemaakt. Uit het dossier leidt het college af dat klaagster akkoord was met een afspraak bij de sportarts, waarbij deze zou kijken wat er nodig zou zijn. Bij een doorverwijzing is het gebruikelijk om het verdere beleid/plan over te laten aan de specialist. Dit betreft zowel het onderzoek, aanvullend onderzoek (waaronder bloedonderzoek) als advies en behandeling. Daarnaast heeft verweerster klaagster telkens te woord gestaan en van advies voorzien, ook omtrent andere zorgvragen. Zo heeft de huisarts wel besloten tot het doen van bloedonderzoek toen klaagster zich een aantal maanden na het eerste consult presenteerde met aanhoudende slaapproblemen en heeft zij een kleine hoeveelheid slaapmedicatie voorgeschreven in afwachting van overname door een collega-huisarts. Dat klaagster het niet eens is met de conclusie en het beleid, doet daaraan niet af. Het college ziet dan ook niet wat de huisarts op dit punt tuchtrechtelijk zou kunnen worden verweten. Klachtonderdelen b, d en e zijn kennelijk ongegrond.
Slotsom
5.7 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk
ongegrond zijn.
6. De beslissing
Het college:
verklaart de klacht al haar onderdelen kennelijk ongegrond.
Deze beslissing is gegeven op 17 april 2026 door J. Sap, voorzitter, G.S.H. Vegt en
N.M. Dreteler-Rademaker, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris.
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld
bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.