ECLI:NL:TGZRZWO:2026:50 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8662

ECLI: ECLI:NL:TGZRZWO:2026:50
Datum uitspraak: 27-03-2026
Datum publicatie: 27-03-2026
Zaaknummer(s): Z2025/8662
Onderwerp: Onjuiste verklaring of rapport
Beslissingen: Ongegrond, kennelijk ongegrond
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een bedrijfs- en verzekeringsarts kennelijk ongegrond. Klager is sinds 2012 arbeidsongeschikt voor zijn werk. Klager startte later een civiele procedure tegen (de verzekeraar van) zijn werkgever. In het kader van deze procedure stelde verweerder een medisch advies op. Klager verwijt verweerder, samengevat, dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het college is van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en dat het rapport zorgvuldig tot stand is gekomen.

REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG

ZWOLLE

Beslissing in raadkamer van 27 maart 2026 op de klacht van:

A,

wonende in B,

klager,

tegen

C,

bedrijfs- en verzekeringsarts,

werkzaam in D,

verweerder.

1. De zaak in het kort
 

1.1     Klager is sinds 2012 arbeidsongeschikt voor zijn werk. Klager startte later een civiele procedure tegen (de verzekeraar van) zijn werkgever. In het kader van deze procedure stelde verweerder een medisch advies op. Klager verwijt verweerder, samengevat, dat dit advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. 
 

1.2     Het college komt tot het oordeel de klacht kennelijk ongegrond is. ‘Kennelijk’ betekent dat het niet nodig is om nog vragen aan de partijen te stellen en dat duidelijk is dat de klacht niet gegrond kan worden verklaard. Hierna licht het college toe hoe het tot deze beslissing is gekomen.
 

2. De procedure
 

2.1     Het college heeft de volgende stukken ontvangen:

  • het klaagschrift met de bijlagen, ontvangen op 25 juni 2025;
  • het verweerschrift met de bijlagen, ontvangen op 29 augustus 2025;
  • aanvullende stukken, opgestuurd door klager en ontvangen op 5 november 2025;
  • een gedachtenpleitnotitie van klager, ontvangen per e-mail op 18 november 2025;
  • het proces-verbaal van het mondelinge vooronderzoek, gehouden op 20 november 2025;
  • aanvullende stukken, te weten een arrest van het gerechtshof E van 19 november 2024, opgestuurd door klager en ontvangen op 2 december 2025;
  • het aanvullend verweerschrift, ontvangen op 16 december 2025.  
     

2.2     Het college heeft de klacht in raadkamer behandeld. Dit betekent dat het college de zaak beoordeeld heeft op basis van de stukken, zonder dat de partijen daarbij aanwezig waren. 
 

3. De feiten
 

3.1  Het college gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.2  Klager was werkzaam als financieel adviseur en functioneel ontwerper. In 2012 meldde hij zich ziek voor dit werk. Sindsdien is hij arbeidsongeschikt. Klager stelt dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden een burn-out heeft gekregen, wat tot zijn arbeidsongeschiktheid heeft geleid en dat dit een rechtstreeks gevolg is van de werkomstandigheden. Volgens klager heeft de werkgever niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht, waardoor zij aansprakelijk is voor de door hem geleden en te lijden schade.

3.3  Vervolgens is klager een civiele procedure tegen (de verzekeraar van) zijn werkgever gestart. In het kader van deze civiele procedure benaderde de gemachtigde van klager destijds verweerder. Deze stelde een medisch advies op, neergelegd in het rapport van

12 januari 2023.

3.4  Uit dit advies volgt dat de gemachtigde van klager een aantal (13) vragen heeft opgesteld, waaronder de volgende vragen (alle citaten letterlijk weergegeven en bij weergave van namen degene die het betreft):
1 – Acht u het op basis van de beschikbare gegevens aannemelijk dat cliënt een burn-out heeft opgelopen?
2 – Zo ja, in welke periode?
(…)
7 – Acht u het op basis van uw expertise aannemelijk dat de burn-out het gevolg is van werkgerelateerde problematiek en/of de arbeidsomvang per week (80-100 uur per week)?
(…)
10 – Is het voor u mogelijk om te duiden in welke mate de werksituatie voor de burn-out heeft gezorgd?


3.5  Verweerder schrijft in zijn rapport dat hij van de gemachtigde van klager 15 bijlagen heeft ontvangen. Op basis van deze stukken heeft hij de vragen beantwoord.
In de beschouwing staat onder meer:
Er is sprake van klachten en beperkingen in de periode van na de ziekmelding op 12-12-2012. De psychische klachten voeren de boventoon en dat was ook de kern van zijn klachten.
De vraag is of de klachten van betrokkene in die periode arbeidsgerelateerd en/of als beroepsziekte aangeduid kunnen worden.
(…)
Bij betrokkene is in die periode door behandelaren de diagnose van burn-out vastgesteld. Dit is gebeurd op basis van anamnese, observatie en afgenomen vragenlijst. Gezien de duur van de klachten, meer dan zes maanden, kan men spreken van een burn-out, wat van toepassing is op betrokkene. Uit de beschikbare gegevens kon ik geen andere oorzaak vinden die het ontstaan van deze klachten zou hebben veroorzaakt. Het ontstaan van deze klachten door hoge werkdruk, gecombineerd met verstoorde arbeidsverhoudingen, is mijns inziens plausibel en kan men spreken van een beroepsziekte
.”

3.6  Klager vorderde bij de kantonrechter schadevergoeding bij de verzekeraar van de werkgever. Bij vonnis van 2 augustus 2023 werden de vorderingen van klager door de kantonrechter afgewezen, omdat klager onvoldoende had gesteld en onderbouwd dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor de werkgever schade had geleden. Klager stelde tegen dit vonnis hoger beroep in.

3.7  Naar aanleiding van een rapport van de medisch adviseur van de verzekeraar van de werkgever rapporteerde verweerder op 7 augustus 2024 nog aanvullend.

3.8  Bij arrest van 19 november 2024 bekrachtigde het gerechtshof E het vonnis van de kantonrechter. Voor zover van belang, overwoog het gerechtshof:
[klager] stelt dat hij een burn-out heeft gehad en dat hij als gevolg daarvan arbeidsongeschikt is geworden. Dat wordt door [de verzekeraar] betwist. Het hof neemt op basis van de door [klager] overgelegde stukken aan dat hij eind 2012 met een burn-out is uitgevallen. (…) Onduidelijk is echter hoelang deze burn-out vervolgens heeft geduurd en in hoeverre de huidige arbeidsongeschiktheid daarmee verband houdt. Ook de door [klager] aangezochte medisch adviseur, [verweerder] (…) rapporteert daarover niets. Hij schrijft alleen dat hij het aannemelijk acht dat [klager] een burn-out heeft opgelopen, officieel na de ziekmelding op 12 december 2012. Het had op de weg van [klager] gelegen concreet met stukken onderbouwd te stellen over de duur van de burn-out en in hoeverre de huidige arbeidsongeschiktheid daarmee verband houdt.

4. De klacht en de reactie van verweerder
 

4.1     Klager verwijt verweerder, samengevat, dat het medisch advies onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daartoe voert klager onder andere aan dat verweerder:

  1. heeft nagelaten relevante feiten en omstandigheden in de beoordeling te betrekken;
  2. de geldende richtlijnen onvolledig heeft toegepast en de Leidraad Afwikkeling beroepsziekten heeft geschonden;
  3. ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om klager een fysiek consult aan te bieden of te onderzoeken;
  4. ten onrechte klager niet heeft gewezen op zijn correctie- en blokkeringsrecht.

Door deze handelswijze heeft klager, zo stelt hij, schade geleden waarvoor hij verweerder civielrechtelijk aansprakelijk houdt.
 

4.2     Verweerder heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.
 

4.3     Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
 

De criteria voor de beoordeling

5.1     De vraag is of verweerder de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende bedrijfs- en/of verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor verweerder geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden.

5.2     Daarnaast zijn er, volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, de volgende eisen die aan een rapportage worden gesteld:

1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust;

2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; 3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen;

4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen;

5. De rapportage beperkt zich tot het deskundigheidsgebied van de rapporteur.

5.3     Het college oordeelt dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld en zal dat hieronder nader uitleggen.

5.4     Gelet op de samenhang zal het college de klachtonderdelen gezamenlijk behandelen nu deze allemaal zien op het door verweerder opgestelde rapport en er, samengevat, op neerkomen dat het advies van verweerder onzorgvuldig tot stand is gekomen waardoor klager in zijn letselschadeprocedure in een nadelige bewijspositie terecht is gekomen 

5.5     Verweerder heeft een medisch advies uitgebracht in verband met een door klager aangespannen letselschadeprocedure tegen zijn werkgever. Dit advies is in opdracht en op basis van de door de gemachtigde van klager (de opdrachtgever) geformuleerde vragen opgesteld; de vraagstelling van de opdrachtgever is hierbij leidend. Het is bij dergelijke adviezen daarnaast gangbaar dat de opdrachtgever de stukken aanlevert op basis waarvan de beoordeling plaatsvindt. Dat is in dit geval ook gebeurd. Het lag op de weg van klager om voorafgaand aan het inschakelen van verweerder als expert met zijn gemachtigde te bespreken wat deze vraagstelling zou moeten zijn, en ook welke stukken hierbij aangeleverd zouden moeten worden. Verweerder hoefde deze vraagstelling en stukken niet in twijfel te trekken en kon en mocht op basis hiervan zijn advies geven.

5.6      De vraagstelling beperkt zich nadrukkelijk tot de periode 2012-2014. Dat verweerder, zoals klager stelt, een aantal zaken die zich nadien hebben voorgedaan niet bij de beoordeling heeft betrokken valt hem dan ook niet te verwijten. Het college overweegt verder dat verweerder niet was gehouden klager een fysiek consult aan te bieden of te onderzoeken. Een onderzoek van klager zelf zou aan de beantwoording van de vragen niet bijdragen, nu de vraagstelling zag op een periode tien jaar daarvoor. Onderzoek op basis van de stukken is dan voorliggend. Daarnaast had verweerder klager niet hoeven wijzen op zijn correctie- of blokkeringsrecht. Klager, althans zijn gemachtigde, had zelf de keuze het advies al dan niet in te dienen tijdens de civiele procedure. Dat verweerder Leidraad Afwikkeling beroepsziekten heeft geschonden, zoals klager stelt, levert geen persoonlijk, tuchtrechtelijk verwijt op alleen al aangezien deze niet van toepassing is op het medisch advies.

5.7     Naar het oordeel van het college voldoet de rapportage (het advies en aanvullend advies) aan de daaraan te stellen eisen. Verweerder heeft een geschikte methode gehanteerd om tot beantwoording te komen van de aan hem voorgelegde vragen en is binnen zijn deskundigheidsgebied gebleven. De feiten, omstandigheden en bevindingen zijn weergegeven in de rapportage. Verweerder vermeldt in zijn rapportage onder ‘Beschouwing’ consistent en inzichtelijk waarom volgens hem sprake was van een burn-out als beroepsziekte. Daarmee is de door hem getrokken conclusie navolgbaar.

5.8     Dat het gerechtshof later heeft geoordeeld dat klager de duur van zijn burn-out onvoldoende heeft onderbouwd met concrete stukken en in hoeverre de huidige arbeidsongeschiktheid daarmee verband houdt, is niet iets wat verweerder tuchtrechtelijk valt te verwijten.

Slotsom

5.9       Uit de overwegingen hiervoor volgt dat alle onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing

De klacht is kennelijk ongegrond.
 

Deze beslissing is gegeven op 27 maart 2026 door J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, F.J. Perquin en M. Prenger, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.H. van Ham, secretaris.

secretaris                                                                                           voorzitter


 


Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:

  1. Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
  • het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
  • als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
  • het college kennelijk onbevoegd is, of
  • voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
     

Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.

  1. Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
  1. Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.


U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg, maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u is verstuurd.
 

Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.