ECLI:NL:TGZRZWO:2026:162 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2025/8554
| ECLI: | ECLI:NL:TGZRZWO:2026:162 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-10-2026 |
| Datum publicatie: | 23-10-2026 |
| Zaaknummer(s): | Z2025/8554 |
| Onderwerp: | Overige klachten |
| Beslissingen: | Gegrond, waarschuwing |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen een arbo-arts deels gegrond, maatregel: waarschuwing. Klaagster is in het kader van haar ziekmelding (verzuimbegeleiding) en het hervatten van haar werk (re-integratie) drie keer op consult geweest bij de arts. De arts heeft een na het consult afgegeven actueel oordeel, inhoudende dat er geen benutbare mogelijkheden zijn, gewijzigd. De klacht gaat over het (niet) communiceren van die wijziging, het meerdere keren herzien van dat actueel oordeel, de dossiervoering en de onafhankelijkheid van de arts binnen de verzuimbegeleiding. De arts voert verweer. Het college oordeelt dat de klacht wat betreft het aanpassen van het actueel oordeel zonder klaagster te informeren gegrond is, dat had beter gemoeten. Ook het klachtonderdeel over wisselende en verwarrende communicatie waardoor klaagster de onafhankelijkheid van de arts in twijfel trok is gegrond. Het klachtonderdeel dat ziet op inconsistenties in het medisch dossier is ongegrond, ook is er geen sprake geweest van antedateren. Bij het bepalen van de maatregel wordt volstaan met waarschuwing nu het zwaartepunt van de klacht bij het gebrekkig en onzorgvuldig communiceren ligt. |
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE VOOR DE GEZONDHEIDSZORG
ZWOLLE
Beslissing van 23 oktober 2026 op de klacht van:
A,
wonende in B,
klaagster,
gemachtigde: mr. J. Faas, werkzaam in Assen,
tegen
C,
arts,
werkzaam in D,
verweerder, hierna ook: de (arbo-)arts,
gemachtigde: mr. P. Willems, werkzaam in Beekbergen.
1. De zaak in het kort
1.1 Klaagster is in het kader van haar ziekmelding (verzuimbegeleiding) en het hervatten van haar werk (re-integratie) drie keer op consult geweest bij de arts. De arts heeft een na het consult afgegeven actueel oordeel, inhoudende dat er geen benutbare mogelijkheden zijn, gewijzigd. De klacht gaat over het (niet) communiceren van die wijziging, het meerdere keren herzien van dat actueel oordeel, de dossiervoering en de onafhankelijkheid van de arts binnen de verzuimbegeleiding. Volgens klaagster heeft de arts frauduleus gehandeld, waardoor haar klachten zijn verergerd. De arts voert verweer.
1.2 Het college komt tot het oordeel dat de klacht deels gegrond is en legt als maatregel een waarschuwing op. Hierna licht het college dat toe.
2. De procedure
2.1 Het college heeft de volgende stukken ontvangen:
- het klaagschrift met bijlagen, ontvangen op 26 mei 2025;
- het verweerschrift met bijlagen, ontvangen op 30 juli 2025;
- het proces-verbaal van het op 23 oktober 2025 gehouden mondelinge vooronderzoek;
- het e-mailbericht van (de gemachtigde van) verweerder, binnengekomen op 20 november
2020, met als bijlage het medisch dossier;
- de repliek met bijlagen, ontvangen op 24 februari 2026;
- de dupliek met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;
- het e-mailbericht van klaagster met bijlage, binnengekomen op 7 september 2026.
2.2 De zaak is behandeld op de openbare zitting van 22 september 2026. De partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. De partijen en hun gemachtigden hebben hun standpunten mondeling toegelicht. Klaagster en haar gemachtigde hebben pleitnotities voorgelezen en aan het college en de andere partij overhandigd.
3. De feiten
3.1 Klaagster meldde zich op 26 september 2024 ziek bij haar werkgever wegens
stressklachten. Haar contract liep tot 26 februari 2025. De arts was als arbo-arts
werkzaam bij arbodienst E en verrichtte zijn werkzaamheden onder supervisie van een
bedrijfsarts. De arts werd betrokken bij de verzuimbegeleiding van klaagster.
3.2 Het eerste consult vond telefonisch plaats op 8 oktober 2024. De arts stelde
naar
aanleiding daarvan de probleemanalyse op, waarin staat dat er geen benutbare mogelijkheden
tot werkhervatting zijn op dat moment, maar wel in de toekomst. Ook schreef de arts
dat er, naast psychische factoren, mogelijk ook werkgerelateerde factoren speelden.
Als oorzaak van de ziekmelding staat genoemd dat de uitval mogelijk is veroorzaakt
door chronische overbelasting. Het advies was om na twee weken een driegesprek met
een arbeidsdeskundige te voeren. Dat gebeurde op 8 november 2024. Klaagster en de
werkgever kwamen er onderling niet uit. Door de arbeidsdeskundige werd vervolgens
een mediationtraject geadviseerd.
3.3 Op 27 november 2024 had klaagster een fysiek consult met de arts. De arts
noteerde
in het verslag dat klaagster nog niet vooruit gaat en er sprake is van marginale
mogelijkheden, maar dat er nog geen re-integratiemogelijkheden zijn. Het dringende
advies was om over één of twee weken een nieuw driegesprek te hebben met de directeur
van werkgever en de arbeidsdeskundige.
3.4 Het laatste consult was op 15 januari 2025. In het verslag van de arts staat
vermeld
dat er sprake is van marginale mogelijkheden en er nu nog geen re-integratie mogelijkheden
zijn. Het advies van de arts was om over twee weken mediation te starten.
3.5 De arts stelde daarnaast een actueel oordeel op dat is gedateerd op 20 januari
2025.
Daarin schreef de arts bij het kopje ‘werkhervatting’: "de werknemer heeft geen benutbare mogelijkheden."
3.6 Per e-mail ontving klaagster op 7 februari 2025 opnieuw een actueel oordeel,
dat ook
gedateerd was op 20 januari 2025. Bij het kopje ‘werkhervatting’ schreef de arts:
"de werknemer werkt niet, maar heeft benutbare mogelijkheden." Bij ‘aanvullende informatie’
staat: "Reden dat de werknemer nu nog niet werkt: er bestaan forse beperkingen in het persoonlijk
functioneren."
3.7 In het medisch dossier van klaagster staat in het actueel oordeel van 20 januari
2025
bij het kopje beperkingen/mogelijkheden de prognose genoemd: "herstel wordt verwacht op redelijke termijn, aantal weken."
3.8 Klaagster stuurde diezelfde dag op 7 februari 2025 een e-mail aan de arbodienst
met
de vraag hoe het zit met de twee verschillende oordelen en wie de aanpassing had
gedaan. De casemanager van de arbodienst liet weten dat het verslag door de bedrijfsarts
was aangepast.
3.9 Op 12 februari 2025 diende klaagster een klacht in bij de arbodienst tegen
de
casemanager en over de gehele verzuimbegeleiding. De arbodienst gaf per e-mail op
18 maart 2025 aan klaagster een reactie, waarin zij aangeeft dat het consultverslag
is aangepast en het passender was geweest om klaagster daarover voorafgaand aan het
verzenden van het document in te lichten.
3.10 Hierna was er in april 2025 nog correspondentie tussen klaagster en de arts
over het
aanpassen van het actueel oordeel. De arts gaf in zijn brief aan ervan uit te zijn
gegaan dat de wijziging door de casemanager aan klaagster doorgegeven zou worden.
4. De klacht en de reactie van de arts
4.1 Klaagster verwijt de arts dat:
- hij het actueel oordeel van 20 januari 2025 minimaal tweemaal inhoudelijk op essentiële
punten - in het voordeel van de werkgever - heeft aangepast en geantedateerd zonder
klaagster daarover te informeren en de aanpassingen uit te leggen;
- de dossiervoering onbetrouwbaar, onvolledig en inconsistent is;
- hij in het belang van de werkgever heeft gehandeld door ten onrechte de melding
van de werkgever en casemanager over te nemen dat sprake zou zijn van een arbeidsconflict
in plaats van de medisch onderbouwde ziekteklachten.
4.2 De arts voert verweer. Daarnaast heeft hij het college verzocht klaagster
niet-ontvankelijk te verklaren wat betreft de bij repliek door klaagster naar voren
gebrachte nieuwe/aanvullende klachtonderdelen en deze dus niet inhoudelijk te behandelen.
Voor het geval het college deze aanvullende klachtonderdelen wel inhoudelijk gaat
beoordelen, heeft de arts het college verzocht die ongegrond te verklaren. De arts
erkent dat de uitvoering en communicatie/terugkoppeling rondom de aanpassing van het
actueel oordeel niet goed is verlopen en zorgvuldiger had gemoeten. Hij neemt daarvoor
de verantwoordelijkheid en heeft maatregelen genomen om herhaling te voorkomen.
4.3 Het college gaat hieronder verder in op de standpunten van partijen.
5. De overwegingen van het college
Ontvankelijkheid aanvullende klachtonderdelen
5.1 Klaagster heeft bij repliek haar klacht aangevuld. Volgens artikel 65c van
de Wet BIG kan de klacht tot uiterlijk twee weken voor de behandeling van de zaak
op de terechtzitting schriftelijk wijzigen of aanvullen. De aanvulling is derhalve
tijdig gedaan en klaagster is daarin ontvankelijk.
De criteria voor de beoordeling
5.2 De vraag is of de arts de zorg heeft verleend die van hem verwacht mocht
worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende arts. Bij
de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de zorgverlener geldende beroepsnormen
en andere professionele standaarden.
Ten onrechte aanpassen actueel oordeel d.d. 20 januari 2025 zonder klaagster te informeren
5.3 De arts erkent dat hij het actueel oordeel heeft aangepast. In de oorspronkelijke
versie had hij genoteerd dat klaagster geen benutbare mogelijkheden had. Dit was te
kort door de bocht, omdat klaagster niet voldeed aan de strikte criteria voor deze
kwalificatie, zoals bedlegerig zijn. Omdat klaagster hieraan niet voldeed, heeft verweerder
later een correctie aangebracht, die volgens hem beter in lijn was met het gesprek
dat hij met klaagster had gehad. Zij had wel benutbare mogelijkheden, maar op dat
moment niet bij deze werkgever. Hij was ervan uitgegaan dat de casemanager van de
werkgever dit met klaagster zou communiceren, maar dat is niet gebeurd.
5.4 Het college oordeelt als volgt. Op zichzelf is het toegestaan om een stuk zoals het actueel oordeel te corrigeren. De door de arts gegeven uitleg over de onjuistheid van de term “geen benutbare mogelijkheden” in het geval van klaagster wordt door het college onderschreven. Uit het door klaagster overgelegde heimelijk opgenomen transcript van het met de arts opgenomen gesprek van 15 januari 2025 blijkt niet dat de arts met zo veel woorden uitdrukkelijk aangaf dat klaagster op termijn eventueel elders wel mogelijkheden had. Het college meent echter dat de arts – ook al zou hij hebben verzuimd uitdrukkelijk te zeggen dat klaagster op termijn wel mogelijkheden elders zou hebben - hij deze omissie had mogen aanvullen. Zodanige, niet ondergeschikte aanpassingen dienen dan wel met bijzondere zorgvuldigheid aan betrokkene te worden gecommuniceerd en uitgelegd. Dit is niet gebeurd. De arts heeft aangevoerd dat de afspraak was dat de casemanager dit zou doen, maar hij heeft van een dergelijke afspraak geen bewijs overgelegd. Bovendien heeft hij niet gecheckt of de casemanager hieraan gevolg heeft gegeven en of klaagster op de hoogte was gebracht van de aanpassing, wat wel van hem verlangd kan worden als hij dit uitbesteedt. Zelfs nadat klaagster hem telefonisch had benaderd, en hij dus wist dat zij met vragen zat, bleef hij nog steeds passief. Het college acht dit klachtonderdeel dan ook gegrond.
Het antedateren van het actueel oordeel
5.5 Het college acht het klachtonderdeel ongegrond voor zover de arts wordt
verweten dat hij het aangepaste actueel oordeel heeft geantedateerd. Het klopt dat
hierop de oorspronkelijke datum van 20 januari 2025 zichtbaar bleef. Maar ook de datum
van aanpassing, te weten 7 februari 2025, was vermeld, zodat het voor eenieder duidelijk
kon zijn dat er sprake was van een latere versie. Dat is misschien verwarrend, maar
van antedateren is geen sprake. In zoverre is dit gedeelte van het eerste klachtonderdeel
ongegrond.
Onbetrouwbare dossiervoering: de tweede aanpassing in het actueel oordeel (toevoeging
prognose) en aanpassingen/inconsistenties in het medisch dossier
5.6 Klaagster heeft gesteld dat verweerder het actueel oordeel een tweede keer
heeft aangepast, namelijk door het toevoegen van de prognose dat herstel op redelijke
termijn, binnen een aantal weken, zou kunnen worden verwacht. De arts ontkent dit.
Hij stelt dat bij het printen door klaagster van de e-mail van 7 februari 2025 een
deel is weggevallen. Bij een HTML-opmaak gebeurt het vaker dat kolommen als aparte
pagina worden geprint. Wat daarvan zij, het college heeft geen kennis kunnen nemen
van het originele elektronisch ontvangen e-mailbericht, waarnaar het college klaagster
nog ter zitting heeft bevraagd, zodat niet te controleren is of de bedoelde passage
daarin inderdaad ontbrak. Nu de feiten op dit punt dus niet zijn vast te stellen,
is het klachtonderdeel op dat punt ongegrond.
5.7 Klaagster heeft een vergelijking gemaakt tussen twee afzonderlijke stukken die beide onderdeel uitmaken van haar medisch dossier. Het gaat om de door haar, na het mondeling vooronderzoek, overgelegde producties 16 en 17. Dat is het document Medische informatie dat bij het actueel oordeel hoort, en de consultrapportage. Het college constateert met klaagster dat er kleine verschillen tussen beide documenten bestaan. Met de arts volgt het college echter de uitleg dat het hier gaat om twee documenten van twee organisaties, dat wil zeggen van de arbodienst en van het UWV. Dergelijke kleine inconsequenties zijn vrijwel onvermijdbaar, leiden niet tot de conclusie dat het dossier onbetrouwbaar is en is dan ook onvoldoende voor een tuchtrechtelijk verwijt aan de arts. Het tweede klachtonderdeel is daarmee ongegrond.
In belang handelen van de werkgever en de classificatie ziekmelding als arbeidsconflict
5.8 Het laatste klachtonderdeel ziet op de wisselende en verwarrende communicatie
door de arts, waardoor klaagster de onafhankelijkheid van de arts in twijfel trekt.
Klaagster geeft aan dat de arts ten onrechte heeft gezegd dat hij geen contact heeft
gehad met de werkgever. Het college constateert dat uit het proces-verbaal van het
mondeling vooronderzoek blijkt dat de arts ook toen nog heeft gezegd: ”ik heb geen
contact met de werkgever”. Tijdens de zitting heeft de arts desgevraagd echter alsnog
aangegeven dat hij daarmee bedoelt: alleen de directeur. De arts verklaarde namelijk
dat hij wél heeft gesproken met de HR-medewerker van de werkgever. Klaagster beschouwt
dit punt als een aanwijzing voor de juistheid van haar overtuiging dat de arts in
het bijzonder de belangen van de werkgever op het oog heeft in plaats van die van
haar. Ook wijst zij op de stelling van de arts dat de afkorting “CV” in de dossieraantekeningen
van het gesprek met de casemanager zou slaan op de term “casemanager\verzuimcoördinator”
in plaats van op zijn eigen initialen, zoals hij ter zitting alsnog heeft toegegeven.
Klaagster meent dat de arts daarnaast de fout in is gegaan bij het classificeren van
de ziekmelding als arbeidsconflict.
5.9 Het college volgt klaagster in haar verwijt dat de arts op deze punten onvoldoende
duidelijk en open heeft gecommuniceerd en wel op zodanige wijze dat dit het vertrouwen
kan aantasten dat een werknemer in de arts moet kunnen stellen. Wat betreft de kwalificatie
“arbeidsconflict” merkt het college op dat de arts deze op basis van de gegeven informatie
wel mocht gebruiken, maar dat hij heeft verzuimd klaagster daarvan adequaat uitleg
te geven, in de zin dat dit niet betekende dat haar klachten niet serieus werden genomen.
Het college is dan ook van oordeel dat de arts op de genoemde punten beter en duidelijker
had moeten communiceren. De klacht is dan ook op dit onderdeel gegrond.
Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat de klacht deels gegrond is, zoals
omschreven in de overwegingen 5.4 en 5.9. De andere klachtonderdelen zijn ongegrond.
Maatregel
5.11 Omdat een deel van de klachten gegrond is, moet het college beoordelen
of een maatregel op zijn plaats is en zo ja, welke. Bij de bepaling van de zwaarte
van de maatregel neemt het college het volgende in aanmerking. Het college volgt klaagster
niet in haar standpunt dat er gegronde redenen zijn voor de verdenking dat de arts
zich door de werkgever heeft laten sturen om klaagster snel aan het werk te krijgen.
Uit het door klaagster overgelegde transcript /opname komt eerder naar voren dat de
arts zich consequent aan de kant van klaagster opstelt. De inhoudelijke betekenis
van de in het actueel oordeel doorgevoerde wijzigingen is bovendien beperkt. Overeind
bleef immers staan dat klaagster op dat moment niet kon werken. Het college heeft
wel zijn bedenkingen bij de volharding waarmee de arts nog tijdens het mondelinge
vooronderzoek ontkende contact met de werkgever te hebben gehad, en de uiteindelijke
erkenning dat hij wel degelijk de “CV” was die in dossiernotities was opgenomen en
dat hij ook met de HR-medewerker van werkgever contact had. Een dergelijke bewuste
ontkenning zou de maatregel van berisping als maatregel kunnen rechtvaardigen. Maar
nu het zwaartepunt van de klacht bij het gebrekkig en onzorgvuldig communiceren ligt,
de arts daarvoor excuses heeft gemaakt, hij zijn aanpak op dit gebied heeft veranderd
en in zijn lange loopbaan nog niet eerder met het tuchtrecht in aanraking is gekomen,
acht het college een waarschuwing het meest passend. Een waarschuwing dient als zakelijke
feedback dat in de toekomst anders gehandeld moet worden.
Kostenveroordeling
5.12 Klaagster heeft verzocht de arts te veroordelen in de kosten die zij heeft
gemaakt in deze procedure. Omdat de klacht gedeeltelijk gegrond wordt verklaard en
een maatregel wordt opgelegd, kan het college verweerder veroordelen in de proceskosten.
Het college ziet aanleiding dat in dit geval te doen en zal daarom het verzoek om
een proceskostenveroordeling toewijzen. Daarbij hanteert het college de volgende forfaitaire
bedragen die zijn vastgelegd in de op de website van de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg
gepubliceerde oriëntatiepunten:
- € 50,- voor de reiskosten van klaagster (reisafstand enkele reis meer dan 50 km);
- € 823,- voor juridische bijstand (1 punt voor het klaagschrift x tarief € 647,- x wegingsfactor 0,5, 0,5 punt voor de repliek en 1 punt voor de zitting x tarief € 666,- x wegingsfactor 0,5).
Het totaalbedrag van de kostenveroordeling komt daarmee op € 873,-.
- De beslissing
Het college:
- verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond (zoals is overwogen in 5.4 en 5.9);
- legt de arts de maatregel van waarschuwing op;
- verklaart de klacht voor het overige ongegrond;
- veroordeelt de arts in de hierboven vastgestelde kosten van klaagster tot een bedrag van € 873,00 en bepaalt dat de arts dit bedrag - nadat deze uitspraak onherroepelijk is geworden - dient te voldoen op de bankrekening van de advocaat van klaagster binnen een maand nadat deze hem schriftelijk het bankrekeningnummer en de tenaamstelling van de bankrekening waarop dit bedrag kan worden gestort, heeft laten weten;
- bepaalt dat deze beslissing, nadat die onherroepelijk is geworden, zonder vermelding
van namen of andere herleidbare gegevens in de Nederlandse Staatscourant zal worden
bekendgemaakt.
Deze beslissing is gegeven door P.A.H. Lemaire, voorzitter, mr. J.R. Hurenkamp, lid-jurist,
M. Prenger, F.J. Perquin en M.L.A. Kleinjan-Lüschen, leden-beroepsgenoten, bijgestaan door M.C. Sijtsema, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026 .
secretaris
voorzitter
Tegen deze beslissing kan in de volgende gevallen schriftelijk beroep worden ingesteld bij het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- Heeft u de klacht ingediend? Dan kunt u in beroep als
- het college u of uw klacht geheel of gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, of
- als de klacht geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard,
- het college kennelijk onbevoegd is, of
- voor zover de klacht kennelijk van onvoldoende gewicht is.
Bij een gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring of een gedeeltelijke ongegrondverklaring kan uw beroep alleen betrekking hebben op dat deel van de beslissing.
- Is de klacht tegen u gericht? Dan kunt u altijd in beroep.
- Ook de inspecteur van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd kan beroep instellen.
U moet het beroepschrift richten aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg,
maar opsturen naar de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
te Zwolle. Daar moet het zijn ontvangen binnen zes weken nadat de beslissing aan u
is verstuurd.
Als u beroep instelt, moet u € 50,- griffierecht betalen aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. U ontvangt hierover bericht. Als u geheel of gedeeltelijk in het gelijk wordt gesteld, wordt het griffierecht aan u terugbetaald.